Zondag 08/12/2019

KURT VANDEMAELE

Niet dat het een nieuwigheid is, acteurs die zichzelf regisseren. Charlie Chaplin, Orson Welles, Laurence Olivier, Gene Kelly, Warren Beatty en Woody Allen, het zijn er maar enkelen van de vele dozijnen acteurs die het met succes hebben gedaan. En toch blijft het een half mirakel dat ze het tot een goed einde brengen, gezien de moeilijkheid van beide disciplines. Dat bedacht ik me toen de trein me die morgen richting persvisie van La chambre bleue bracht, de openingsfilm van het Brussels Film Festival en de tweede film waarin Mathieu Amalric zichzelf regisseert.

Op het bankstel voor mij vatte een dame plaats van een jaar of zestig, die nog altijd mocht gezien worden voor haar leeftijd. Maar niet geroken. De walm die ze verspreidde deed me naar adem snakken. Er moeten betere manieren zijn om een adembenemende indruk na te laten. Sommige mensen kunnen echt een regisseur gebruiken. Maar we doen het allemaal liever zelf, nietwaar? Acteurs zijn niet anders. Hoeveel acteurs heb je het al niet horen zeggen: 'What I really want to do, is direct.'

Mathieu Amalric is een Franse acteur die zelden de hoofdrol krijgt: te klein, net niet mooi genoeg. En dus ingedeeld in de categorie van de karakteracteurs. In La chambre bleue speelt hij een brave gezinsman die overspel pleegt. Vreemdgaan is altijd een beetje reizen. Je zou dus kunnen spreken van een avonturenfilm. Maar eigenlijk is het een thriller. Een whodunit. Amalric belandt er in bed met een vrouw die eigenlijk te mooi voor hem is. En te groot.

Ongeloofwaardig, zegt u? Wel, in het echte leven delen hij en Stéphanie Cléau tafel en stonde. Hij hoefde zichzelf dus niet de hoofdrol te schenken om te laten zien dat hij ook de vrouw kon krijgen. Maar dat hij kan boeien in een hoofdrol, weten we nu ook weer. Hij heeft een zekere je ne sais quoi. Alleen hij weet het. En vanuit horizontale houding lanceert hij de filmcarrière van zijn teerbeminde, die tot dan toe louter op de planken haar kont en kunsten mocht laten bewonderen.

Omdat hij dat zo goed deed in de films van Spike Lee en de gebroeders Coen, wordt John Turturro doorgaans gevraagd om rare snuiters te spelen, figuren die je graag vanaf een veilige afstand bezig ziet. Niemand zou het in zijn hoofd halen om hem te casten als een man voor wie de vrouwen in rij staan. Zeker niet meer nu hij 57 is. En dus deed hij het zelf maar. Geen betere manier om je dromen waar te maken, dan ze zelf te realiseren. En dan nog in een Woody Allenfilm!

Ja, Fading Gigolo is een Woody Allenfilm, geregisseerd door Turturro : niet alleen de humor, het decor en de muziek zijn van Allen, Woody zit er zelf ook in. Als pooier dan nog. Wie weet hoe Mia Farrow hem in zijn privéleven al jaren van allerlei obsceniteiten beschuldigt, zal ook die casting gedurfd vinden. Het is trouwens bijna 25 jaar geleden, van Paul Mazursky's Scenes from a Mall, dat de oude komiek nog een rol speelde in andermans films. Misschien durfde hij zichzelf nauwelijks nog te casten. En dus doet Turturro het maar. En Allen is goed. Niemand kan beter zichzelf spelen dan hij. Turturro begrijpt het beter dan wie ook : als het goed moet zijn, kan je het beter zelf doen. Al doet niemand het beter dan Allen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234