Zaterdag 05/12/2020

Kurt Defrancq

Dudzele, Lissewege, Zwankendamme. Hoe schoon hun verklanking, zo gehandicapt (gehavend?) kwamen de dorpen de voorbije decennia uit de uitbreiding van het economische geweld gekropen

Groeten uit Zeebrugge

Elke dag brengen wij u onze groeten over uit een uithoek van Zeebrugge: zeehaven, vismijn, duin, dorp, station, strand. Poort op de wereld maar ook niemands- en iedersland. Geen parel maar een granietblok aan de kust. Het best bewaarde Belgische geheim. Lees en vergeet. En kom vooral niet af!

Deel 1: De achterhaven

Dudzele is Doel niet

Zeebrugge heeft in zijn drang naar uitbreiding een hap genomen uit het binnenland. Tussen Zee en Brugge liggen de polders. Onteigend voor de haven, serviel tegen wil en dank. Waar nu boten stranden was het ooit 'van den boer'. De achterhaven.

Door Marijke Libert / Foto Stephan Vanfleteren

De oostkust, rechterbovenhoek van België. Kijk op de kaart naar wat zich openplooit eens Brugge voorbij, tussen hinterland en landszoom, tussen kloeke kleiaarde en mul zand. Knijp de ogen dicht, piep door de wimpers, laat uw fantasie los en ontwaar een soort tweestromenland. Met wat goede wil en het positieve effect van een zonneslag kan u het Boudewijn- en het Schipdonkkanaal als onze Tigris en Eufraat aanzien. Ertussen een patchwork van blokken blauw. Het Zeekanaal en peilloze aanlegdokken trekken diepe kerven richting binnenland: onze achterhaven.

Onze, schrijf ik twee keer, maar ik bedoel 'van de Zeebruggenaren'. 'Onze' mag eigenlijk niet door een aangespoelde. Maar alla, in Zeebrugge is bijna elke inwoner aangespoeld, toch als we heel ver in de vaderlandse historiën teruggaan. Zeebrugge was niets zo'n 120 jaar terug. Niets, tenzij duin, waar al eens een konijntje werd gestrikt, en zee, waar al eens een visje werd gevangen. En polder vlak ervoor, met gras en kreek en wuivend lis en moeras en grote stroken vruchtbaar akkerland.

Een paar huizen stonden er, waar om zieltjesgewin een kerk werd neergepoot. Alles peis en vree, tot de eeuwwisseling. Brugge zocht een uitweg naar zee, tekende megalomane plannen, liet een kanaal graven, met spa en schop. Mondjesmaat ontplooide zich aan de kust, links van Heist, eerst een vissershaven, later een heuse aanlegplaats voor cargo's, ferry's en majestueuze boten met exotische inhoud: van kiwi's geplukt in Nieuw-Zeeland tot vogelmest opgeschept op de Galápagoseilanden.

Wie via de expresweg vanuit Brugge richting kust schuift, ziet alras een grillige einder. Opvallend zijn de rijen laadkranen, net stalen bidsprinkhanen die de landrand bewaken. Hier en daar lijkt een hoge boot op Belgische bodem vastgelopen. Waar is toch die cesuur tussen water en land?

Onderweg slaat men je met een dichtbundel aan dorpsnamen om de oren. Dudzele, Lissewege, Zwankendamme. Hoe schoon hun verklanking, zo gehandicapt (gehavend?) kwamen ze de voorbije decennia uit de uitbreiding van al dat economische geweld gekropen. Zwankendamme is al jaren een schim van zichzelf, Lissewege poogt middels wat beeldhouwkunst en een lieflijke dorpskern zijn polderziel te conserveren en Dudzele, ach Dudzele toch, de dutsen. Dudzele moet het dorp zijn dat op termijn zijn grootste areaal aan de Zeebrugse haven is kwijtgespeeld.

Hoog tijd om het land aan André Boey voor te stellen. Niet alleen wegens de naam is hij de verpersoonlijking van een baken tussen water en land. In zijn huisje - 'anno 1860' - woont hij pal tegen een opgespoten dijk aan, zijn tuin is aan het verste uiteinde aanlegplek voor Scandinavische autoboten, Walenius en consorten: in omvang drijvende appartementsblokken die wekelijks duizenden auto's op de kade afzetten.

Al tientallen jaren geleden is hij onteigend, maar Boey blijft wonen waar hij geboren werd, tot ook zijn pand onder water wordt gezet of door dijkzand wordt weggespoten. Nooit geprotesteerd, Boey, nooit kwaad geweest om die onteigeningen. Zoals menig poldermens hier in de streek. Honderdtwintig menages werden uitgekocht in de jaren zestig en zeventig, maar ze bleven noest en stil, en incasseerden, trokken weg.

Dudzele en omgeving is Doel niet. Trots blijven ze tot vandaag op de patat die hun akkerland voortbracht: noorderlingen. Een begrip, zegt men, héél bekend. Bloemende patatten, dat wel, en dat zagen de restaurants niet graag. Maar ze waren een weldaad qua smaak. Geen waterzakken zoals de 'zuiderlingen', die zwollen in hun zanderige gronden. Noorderlingen zijn aan de klei onttrokken, zoals Boey zelf.

Boer Boey is ruim in de tachtig, hij leefde óp en at ván het land en ook uit de kreken. Palingen, vuisten dik, soms tot een meter lang. Hij vertelt over hoe hij bussels hout in de kreken dropte, hoe de paling zich ertussen wrong, zodat hij maar de bussel uit het water had te trekken en uit te schudden, de paling te stropen, in de pan te doen en op te eten.

Tot in de jaren zestig de paling ineens verdwenen was. Hoe dat kwam? Boer Boey trekt bij zo'n vraag de schouders op en tekent met zijn stok een droedel in de aarde. Hij weet niet alle antwoorden. Hij kent het land, niet de grillen van het water, zout of brak. Hij kent de einder. Dat volstaat.

De zee zag hij het laatst in 1965. "Wij zijn gerust in de zee", klinkt het. Wij, dat zijn die van het tussenland, de achterhaven, misschien nog de meest autochtone bewoners, maar weggespoeld of vastgezet tussen kunstmatige dijken. Maria Landschoot, ooit poldermens maar noodzakelijk uitgeweken, heeft intussen een 'schoon werk' op zich genomen. Zij brengt om de vier jaar de honderden onteigende polderlui bijeen. Voor een namiddag verhalen vertellen bij koffie en koek. Nu weer in september. Boey zucht: "We zullen weer veel te verhalen, enfin, te herhalen hebben."

O ja, ik moest nog de groeten overbrengen: van Hans, Rosa, Wilfried, André, Vic, Maria, Kurt en Estelle.

'Tiens, dacht ik, le plat pays bestáát'

Kurt Defrancq, acteur, entertainer en tekstschrijver, woont in Gent, is Bruggeling, en af en toe Zeebruggenaar. Hij heeft zijn stek aan de strandwijk, maar rijdt graag in de polders rond.

"Ik ontdekte dit achterland toen ik fietste tussen Brugge en Zeebrugge. Tiens, dacht ik al snel, le plat pays bestáát. Het kan geen toeval zijn dat Jacques Brel graag in de jachthaven van Zeebrugge aanlegde. Hij kende niet alleen de zee, of het uitgaansleven in het toen nog roemruchte dorp, hij kende ook de polders.

"De eerste merkwaardigheid die mij opviel in de streek was: hier blijft geen enkel verhaal klein. Is het een exponent van het visserslatijn, ik weet het niet, maar het aandikken van een feitenstroom is hier toch wel enorm.

"Weet je, ik sta met één poot in de wereld van entertainment en 'kunsten' en merk het snobisme op, ook bij mezelf. Met de jaren hunker ik meer naar authenticiteit. Het beschermt, het is puur. De honger ernaar wordt almaar groter en ik kan hem stillen in een volkse omgeving. Café Den Overzet is dan een uitgelezen plek. De term volks wordt soms verkeerd begrepen, men wil hem zelfs omlijnen of een kunstvorm meegeven, maar dat is mis. Volksaard is een zijnsvorm, dat verdraagt geen verklanking of uitdraging. En dat zit nu net vervat in het café van Hans. Het is wat het is.

"Typisch is ook dat Den Overzet officieel niet meer bestaat. Het is weg volgens de papieren, maar het ís niet weg, het heeft zichzelf overstegen. Door de standvastigheid van Hans en Rosa. Rondom hun plek heeft het gebied zich intussen ecologisch ingekleurd, werd het natuurzone. Authenticiteit heeft het dus gehaald.

"Wat dat inhoudt, authentiek? Authentieke mensen vergelijken niets, wegen niet af. Ze hebben eigen referenties en dat betekent niet dat ze beperktheid vertonen, integendeel. Ze hebben gewoon geen zin om te behagen, hun leefwijze is ontdaan van welk gewin ook. Identiteit is het, iets waarnaar de Vlaming zo op zoek blijft. Of zegt te hebben, maar finaal niet meer bezit. Dan vallen die uitzonderingen geweldig op. Een professor uit Kinshasa heeft het ooit mooi verwoord tegenover mij. Hij zei: 'Ik begrijp dat Vlaamse volk niet. Aan elke zweem van identiteit wil het zich vastklampen, maar vraag jullie een kinderliedje te zingen en het lukt niet.'

"Ik hou niet alleen van de polders, ook de zee trekt me aan. In mijn stekje tegen de havendam aan geniet ik van de uitersten: de nervositeit van de haven en de enorme rust op het brede strand. Ik voel me geen aangespoelde, maar een toegespoelde. Een aangespoelde merkt de plek waar hij terechtkomt iets te laat op. De toegespoelde had er al notie van, wist het liggen, wou er ooit heen.

"Zeebrugge trekt wegens zijn ongewoon parcours, de buitenstaander begrijpt het niet en wie er woont eigenlijk evenmin. Een van mijn lievelingsplekken aan de zee zijn de betonblokken aan de uiterste uithoek van de zeehaven. Je ziet er de grote schepen binnenlaveren en weer naar buiten varen. Ik zie ze liever vertrekken. Ik hou meer van de vraagtekens in het leven dan van uitzicht hebben op waar je toekomt.

"Maar ben ik nu van polder of kust? Ach, ik zie wel hoe de wind zit en waar die mijn fiets naartoe duwt. Die meedogenloze wind in de polders, die is niet min. Die kan je wegblazen, en dan is het nodig af en toe te schuilen. Bij mensen die niet per se hun best willen doen, bij wie de stugheid is ingegeven, die in hun open velden, vast op de bodem, beuken tegen de harde wind."

Den Overzet

Een zomerdag tussen zon en wolk. Veel wind, warme wind. Goed voor de was. De onderbroeken van boer Boey wapperen een eind verder aan de draad buiten. Tegenover cafe Den Overzet wappert de evenwijdig gedrapeerde wijting zich droog. Binnen te consumeren. Door te spoelen met een Rodenbach, met of zonder (grenadine).

Porties écrevissen, ongepelde garnalen, hebben ze er ook te koop, tegen dagprijs. Of een homp gedroogde zalm, heilbot, en hele makrelen, zelf te vivisecteren op een houten plank in de vorm van een platvis. Rosa schuift de planken desgevraagd onder je neus, je mag ook zelf in de achterkeuken in de ijskast je porties keuren voor je een commande doet. Brood liefst zelf meenemen. Rosa verkoopt geen stuten, enkel vis.

Het is woensdag. Een paar fietsen tegen de muur, zes auto's. Bakje vol. De ambiance binnen stijgt. Hans heeft rood-paarse konen, van de wind toen hij nog zelf de overzet deed, net als zijn vader, tot de veerverbinding ophield te bestaan. Te veel gevaar met die groeiende trafiek van steeds meer en steeds grotere boten. Dus zocht Hans zijn onderkomen in het ponthuis.

In 1954 door vader veerman afgewerkt na jaren metsen met eigen handen, met zelfgemaakte betonblokken (gemiddeld 30 kilogram). Vroeger pauzeplek voor de overgezette arbeiders van de Gaverbel- en de cokesfabriek, nu dankbare thuishaven voor zij die het café vonden, er vaag iets over hoorden, of ontdekten op goed geluk.

Twee uur 's middags. Steeds luidere commentaren van licht aangeschoten klanten, gejoel, Rosa zet ineens de stereoketen aan. Neemt een micro. Hans is weg. 'Hé trut', schalt het door de luidsprekers. Zij die het al meemaakten worden even stil, kijken naar de keukendeur. Handgeklap. Ineens een gepoederd gezicht, blonde pruik erboven, sterrenbril, en iets wat rammelt in de handen. Maracas. 'Hé trut, kijk niet zo stom, de nacht is nog jong, we gaan er lekker stevig tegenaan.' Rosa zingt flarden door de micro mee. Hans warrelt van tafel naar tafel, van klant naar klant. Een groot applaus, en dus volgt de toegift. 'Lief klein konijntje had een vliegje op z'n neus.' Tot Hans zich richting keuken slingert en verdwijnt tussen frigo en keukentafel. Om minuten later, ontdaan van travestie-attributen, in zijn volle mansheid weer op te komen en een pint te tappen alsof er niets is gebeurd.

Waarom, vragen we later, waarom doet hij dat? "Elk zijn hobby", zegt hij en roept: "En voor joen een makreeltje met peperbolletjes? Komt eraan, schat."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234