Woensdag 01/12/2021

Kureishi heeft ons iets te vertellen

Psycholoog Paul Verhaeghe analyseert de nieuwe roman van Hanif Kureishi

Hanif Kureishi heeft de reputatie sterk autobiografisch te schrijven. Naar aanleiding van zijn nieuwe boek, Dit moet je weten, met een psychoanalyticus als protagonist, gaat Paul Verhaeghe op zoek naar de verhouding tussen literatuur en psychoanalyse. Door Paul Verhaeghe

Hanif Kureishi roept bij mij onmiddellijk het beeld op van John Fante. Beiden zijn zonen van immigranten, van Pakistaans-Indiase origine bij Kureishi, van Italiaanse bij Fante. Beiden groeien op in een ander taalregime dan hun moedertaal, zij het dan toch duidelijk binnen hun eigen subcultuur - katholiek Italiaans in Boulder Springs, Colorado in het geval van Fante, moslim Pakistaans in Bromley, UK in het geval van Kureishi, waardoor ze meteen ook te maken krijgen met het alledaagse racisme - 'Wop' voor Fante, 'Paki' voor Kureishi. Beiden gebruiken hun eigen geschiedenis als achtergrond voor hun werk. Beiden hebben scripts geschreven voor succesvolle films. Ik kan enkel hopen dat de vergelijking daar stopt, aangezien Fante het slachtoffer werd van zijn succes in Hollywood, nauwelijks nog iets publiceerde en aan diabetes crepeerde in 1983. We hebben zijn herontdekking als schrijver te danken aan Charles Bukowski, waardoor er postuum nog beklijvend materiaal van hem gepubliceerd werd, o.a. het bitterzoete autobiografische My Dog Stupid. De laatste roman van Kureishi (The Body) dateert ondertussen al van 2003, en was niet veel meer dan een wat uitgerekt kort verhaal. Hij legde zich toe op uiterst succesvolle scripts, waaronder My Beautiful Laundrette, Sammy and Rosy Get Laid en The Mother. Nu heeft hij eindelijk weer een boek, een écht boek: Dit moet je weten, zodat we voorlopig niet moeten vrezen voor een Fantescenario.

De Kureishi-aficionado's vallen uiteen in twee groepen: de liefhebbers van Intimacy (1998) en degenen die wild zijn van The Buddha of Suburbia (1990). De twee zijn inderdaad heel verschillend. Zijn debuutroman is een odyssee van voorstad naar hoofdstad, van jongeman naar volwassene, van immigrant naar Brit, van het socialistische Engeland naar dat van Thatcher, badend in een volheid van tonen, klanken, geuren en figuren die herinneren aan een Indiase bazaar. Intimacy is daarvan de tegenpool, en speelt zich nagenoeg uitsluitend af in het hoofd van één man die zijn vrouw aan het verlaten is maar geen afscheid kan nemen van zijn kinderen, afgewisseld met anonieme en dus cathartische seks. Beide boeken zijn uitdrukkelijk autobiografisch, wat Kureishi nooit verborgen heeft. Zijn nieuwe boek sluit duidelijk aan bij The Buddha of Suburbia, is er als het ware de volwassen versie van. Het speelt in Londen aan het einde van het Blairtijdperk. De karakters hebben de middelbare leeftijd bereikt. Het meest opvallende aan het boek - en dit is dan toch wel een link met Intimacy - is de centrale figuur: Jamal Khan, een Pakistaanse psychoanalyticus, met een knipoog naar de belangrijkste Angelsaksische allochtone analyticus (Masud R. Khan). Het is vrij duidelijk dat Kureishi zijn huiswerk heel grondig gemaakt heeft - voor ingewijden zijn de referenties aan het werk van Freud, Klein, Winnicott en zelfs Lacan herkenbaar, zij het gelukkig naadloos geïntegreerd in het schrijven zelf. Kureishi heeft net zoals zijn hoofdfiguur een Master of Philosophy van King's College en kent zijn klassiekers. In minstens één Nederlandse aankondiging van het boek vond ik de voorspelbare fout, want de hoofdfiguur werd er voorgesteld als "een psychiater". Niet dus. Op de achterflap van de Nederlandse vertaling is het al iets beter, want daar wordt hij als psychotherapeut betiteld, zij het dan in het Londen van de jaren zeventig, terwijl het verhaal zich afspeelt na de eeuwwisseling. Voor alle duidelijkheid: de overgrote meerderheid van de hedendaagse psychiaters en psychologen zijn nauwelijks nog bekend met psychoanalyse, gezien de dominantie van het neuropsychologische en farmacologische vertoog. Gelukkig zijn er nog schrijvers die ons iets te vertellen hebben.

Een verhaal met als hoofdfiguur een psychoanalyticus, geschreven door iemand die erom bekendstaat sterk autobiografisch te schrijven, kan in twee richtingen besproken worden. Klassiek wordt dit dan een psychoanalytische lezing van de auteur zelf, waarbij het boek op de sofa komt te liggen. Postmodern wordt het een reflectie op de verhouding tussen psychoanalyse en schrijven, ruimer, tussen analyse en kunst.

Ik hou absoluut niet van de eerste aanpak, niet alleen omdat de uitglijders daarbij legio zijn, maar ook en vooral omdat dit enkel reducerend kan werken en dus het genot tenietdoet. Een scheikundige analyse van een Margaux '98 hoeft evenmin als een uitleg bij een gedicht van Erwin Mortier: ik laat zowel de versregels als de wijn liever gezamenlijk bezinken zodat ze elkaar wederzijds versterken. Maar Kureishi vraagt er natuurlijk om, zodat ik niet anders kan dan er noodgedwongen bij stil te staan.

Wie Mijn oor aan je hart. Het verhaal van mijn vader (2004) gelezen heeft, kent zijn verhouding met zijn vader, en weet dat hij hem zowel overtroffen heeft als teleurgesteld. De kleine Hanif moest een groot cricketspeler worden en stelde zijn vader op dit vlak bitter teleur. Dezelfde vader die ambities had om een groot schrijver te worden maar wiens manuscripten steevast geweigerd werden. Het verband niet leggen met de rode draad van het boek, wordt dan wel heel moeilijk. Het gaat over een vadermoord voor een vrouw; dat het niet de vader van de hoofdfiguur is, en dat die vrouw niet diens moeder is, doet weinig ter zake. Er hangt steeds een prijskaartje aan het overtreffen van de eigen vader.

Nu komen we bij de tweede, veel interessantere benadering, de verhouding tussen literatuur en psychoanalyse. Op het eerste gezicht een makkelijke verhouding, omdat Freud al in 1908 noteerde dat de schrijver veel meer inzicht heeft in de menselijke psyche dan de analyticus, dat wij steeds achteraan hinken en bij hen in de leerschool dienen te gaan. Ik kan dat honderd jaar later volmondig beamen. Dit neemt niet weg dat Freud en zeker de postfreudianen zich gewaagd hebben aan psychoanalytische lezingen van kunst en vooral van de kunstenaar, wat dan gezorgd heeft voor een gespannen verhouding in een aantal varianten.

De eerste variante is de open oorlog, met Nabokov als superintelligente vertegenwoordiger. De manier waarop hij in Lolita "the quack from Vienna" genadeloos afstraft, zou verplichte literatuur moeten zijn binnen elke opleiding psychoanalyse. Temeer daar Nabokov zélf de rol van analyticus overneemt en een van de mooiste gevallenstudies neerpent van wat ik gemakkelijkheidshalve maar het lolitasyndroom zal noemen.

De tweede variante is deze waarin de psychoanalyticus, c.q. de psychoanalytische theorie (al te) ernstig genomen wordt en de schrijver zich laat inspireren door archetypes, Electracomplexen en traumatische jeugdervaringen die in het slechtste geval miraculeus opgelost worden. Enkel verteerbaar in de campversie, en dan nog met mate.

Dit brengt ons meteen bij de derde mogelijke verhouding, die overigens een andere ontdekking van Freud illustreert: dat humor niet alleen een van de betere maar zonder twijfel ook de leukste toegangsweg is tot wat ons onbewust drijft. De standaard op dit vlak werd gezet door de huidige nestor van de Amerikaanse literatuur, Philip Roth, met Portnoy's Complaint. De analyticus heet dr. Spielvogel en krijgt letterlijk het laatste woord, aangezien zijn enige interventie meteen de slotzin van het boek is, uitgesproken met een obligaat Duits accent. Aangezien ik de pret zou bederven door die zin te verklappen, stap ik over naar Dr. Sobel (persiflage van de psychoanalytica uit The Soprano's) die in Analyse This P. Vitti, een neurotische maffiabaas (rol van De Niro) behandelt voor paniekaanvallen - ik kan nog altijd niet terugdenken aan deze film zonder in de lach te schieten. Eén kort fragment is honderd maal beter dan een ellenlange uitleg:

P. Vitti: "Why would I want my father to die?"

Dr. Sobel: "Well, you said that you were fighting. He slapped you around because you were rebelling against his authority. It may have been some unresolved Oedipal conflict."

P. Vitti: "English, English?!"

Dr. Sobel: "Oedipus was a Greek king who killed his father and married his mother."

P. Vitti: "Fuckin' Greeks!"

Dr. Sobel: "It's an instinctual developmental drive. The young boy wants to replace his father, so that he can totally possess his mother."

P. Vitti: "What are you saying, that I wanted to fuck my mother?!"

Dr. Sobel: "No, it's a primal fantasy."

P. Vitti: "You ever seen my mother? Are you out of your fuckin' mind?"

Zelfs binnen de stripwereld vinden we de analyticus terug, met als mijn favoriet De genezing van de Daltons, waar we de voorloper van Freud aan het werk zien in het Wilde Westen. Een meer recente variante is De behandeling van Daniel Menaker, die de laatste freudiaan in New York ten tonele voert, een katholieke (!) Cubaan (!) die op de koop toe dr. Morales heet en zijn joodse patiënt voortdurend ondervraagt over diens seksleven. In zekere zin kan dit boek beschouwd worden als een afsluiter van de verhouding tussen psychoanalyse en literatuur, in een sciëntistische wereld waarin zelfs psychotherapie nog nauwelijks een rol speelt. Op het einde van het verhaal gaat de patiënt zeven jaar later nog eenmaal op consultatie. Op dat ogenblik is dr. Morales inderdaad "the last freudian" geworden in New York, als vertegenwoordiger van een uitstervend ras gekenmerkt door "fascination with and respect for the dignity, the very concept, of the human soul".

Precies op dit punt neemt Kureishi in Londen de fakkel over en opent hij een nieuwe verhouding. Geen geruzie meer om het meesterschap, geen slaafse navolging, geen verdedigende humor. Schrijver, hoofdfiguur en psychoanalyticus lopen door elkaar heen, verbonden door eenzelfde fascinatie voor de complexiteit van de menselijke psyche, zowel die van zichzelf als die van de ander - getuige de openingsparagraaf van het boek: "Geheimen zijn mijn handel: ik verdien er mijn brood mee. De geheimen van de begeerte, van de dingen die mensen echt willen en waarvoor ze doodsbang zijn. De geheimen van de reden waarom liefde zo moeilijk is, seks ingewikkeld, het leven smartelijk en de dood zo dichtbij en toch ver weggeborgen. Waarom zijn lust en straf nauw verweven? Hoe spreekt ons lichaam? Waarom maken we onszelf ziek? Waarom wil je graag falen? Waarom is genot zo onverdraaglijk?" Het 'ik' is hier niet alleen dat van de protagonist-psychoanalyticus, maar evenzeer dat van een schrijver die op zoek is naar wat mensen drijft voorbij wat hij op het einde van het boek "technische wolligheid en wetenschappelijkheid" noemt, waardoor "lezers zich moeten behelpen met zelfhulpboeken van auteurs met 'dr.' voor hun naam, vaak een keurmerk van domheid".

Of je 'dit nu moet weten' - Nederlandse vertaling van Something to Tell You - is de vraag. Als men het niet wil weten, dan zal men het vroeg of laat wel geweten hebben. Kureishi heeft ons ieder geval iets te vertellen.

Paul Verhaeghe is gewoon hoogleraar aan de faculteit psychologie van de Universiteit Gent en voorzitter van de vakgroep psychoanalyse.

Hanif Kureishi

Dit moet je weten

Oorspronkelijke titel: Something to Tell You

Vertaald door Molly van Gelder

De Bezige Bij, Amsterdam, 472 p., 19,90 euro.

Freud noteerde al in 1908 dat de schrijver veel meer inzicht heeft in de menselijke psyche dan de analyticus

'Dit moet je weten' van Hanif Kureishi staat in de kijker tijdens de Literaire Lente.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234