Woensdag 20/11/2019

Kunstschilder Roger Raveel (87)

Dat is het, nietwaar, die spanning tussen sterfelijk en onsterfelijk

Zowel het huis als het atelier van Roger Raveel baadt in het licht, zelfs als het, zoals vandaag, buiten grijs is en de regen tegen de enorme ramen striemt. Aanbellen en binnenkomen krijgt meteen een symbolische lading: in de inkomhal, vlak voorbij de drempel, loop je recht tegen het scheppingsverhaal aan. Genesis (1969) is de naam van dit werk, dat door de kunstenaar meermaals "een van zijn beste" wordt genoemd en dat bestaat uit 33 kleurenlithografieën en evenveel gedichten, door zijn goede vriend Hugo Claus geschreven. De 33 dubbelzijdige panelen hangen in een waaier van glazen mappen tegen de muur, als een hoogstpersoonlijk picturaal en verbaal universum dat, zoals een boek, naar believen open- en weer dichtgeklapt kan worden. Als God, aldus evangelist Johannes, de aarde en de hemel schiep, dan creëerde Roger Raveel zijn eigen, nooit eentonige, kleurrijke wereld.

Toch is niet alles in Raveels wereld verbeelding. In de voortuin, achter de bloeiende forsythia, stroomt de Leie van zijn Machelen bij Gent. "Ik ben met de Leie opgegroeid. Mijn vader was een vlaskenner. Hij trok naar Frankrijk om er grote partijen vlas te kopen. Dat vlas moest rotten. Het werd samengepakt in dikke bundels die met behulp van stevige balken in grote bakken in de rivier werden gelaten. De Leie van mijn jeugd stonk. Later hebben ze 'rotterijen' gebouwd. Ook die werkten op water van de Leie, dat verwarmd werd om het rottingsproces te versnellen. Je ziet hier in de omgeving nog schoor- stenen uit die periode staan. Overblijfselen van wat ooit is geweest."

In een ligstoel aan een van de ramen met zicht op de tuin rust die andere zekerheid in zijn bestaan, Zulma. De 96-jarige echtgenote van de kunstenaar die van de zomer zijn 88ste verjaardag viert, heeft een cruciale rol in het leven en de wereld van Raveel gespeeld, en ook vandaag zijn ze aan elkaars aanwezigheid verknocht. "Ouderdom, de tijd die voorbijgaat, eist helaas ook bij haar zijn tol. Zulma lijdt aan dementie. Gelukkig wordt ze door verpleegsters aan huis goed verzorgd. En ik probeer mijn best te doen. Laatst zei iemand me: 'Roger, ik heb een immense bewondering voor u. Nee, nee, niet alleen voor u als schilder', vervolgde ze, 'ook voor u als mens. Wat u allemaal voor uw vrouw doet.' Maar Zulma heeft voor mij zoveel gedaan en betekend. Ze heeft mijn zieke moeder dag en nacht bijgestaan. En toen mijn vader stervende was, in 1973, nam hij haar hand vast, en bedankte haar. Dat zijn diepe momenten die je beleeft. En die je voorgoed vasthoudt."

hugo claus

In diezelfde binnentuin staat, op een zwart vierkant, ook een wit geschilderde betonnen paal. Wie het werk van de kunstenaar kent, weet dat deze motieven (palen en vierkanten) sinds de jaren vijftig eveneens een zekerheid in zijn wereld vormen. "Kom", zegt Roger Raveel, "we gaan in mijn atelier zitten. Neen, niet aan deze tafel. Aan die andere. Ik kan me beter buiten het gezichtveld van Zulma bevinden. Als ze me ziet, roept ze me. Wil ze dat ik naar haar toekom. Of dat ik met haar 'een wandelingetje met de auto' ga maken. Rondjes rijdend is ze altijd tevreden. Ze kent geen namen meer. Ze weet niet meer wie wie is. En toch blijft ze ongelooflijk, want op compleet onverwachte momenten geeft ze blijk van inzicht en alertheid. Neem een tijdje geleden. We waren op bezoek bij een vriend. Een leeftijdgenoot, een man even jong als ik. Hij kon niet meer lopen zonder krukken. Ze herkende de man niet meer. Maar ze merkte zijn krukken op. En ze zegt: 'Allez, den dienen is ook ne sukkelaar geworden.' Zeer merkwaardig, die momentane, visuele helderheid.

"Tja. Wat u me nu vraagt... Of ik begrijp dat Claus, die met dezelfde ziekte kampte, voor zijn dood gekozen heeft? Hugo was zich zeer sterk bewust van zijn toestand en wilde zijn hersenziekte in geen geval tot aan het eind beleven. Ja dus, vanuit zijn situatie begrijp ik zijn keuze. Maar ik betreur zijn dood. Ik ben niet naar zijn begrafenis gegaan. Niet omdat ik ziek was. Maar omdat ik er ziek van zou zijn geworden. Ik kon het niet aan. Te veel, begrijpt u. Ik heb Veerle, Hugo's echtgenote, gebeld. Ze begreep me. Ik prijs me gelukkig dat ik nog leef. Maar het doet veel pijn te beseffen dat mijn goede vrienden, zoals Claus, of de kunstschilders Jan Burssens en Etienne Elias, er vandaag niet meer zijn.

"Mijn vrienden waren sterke mannen. Het is feitelijk vreemd dat ik hen overleef. Ik was al van jongs af zwak en ziekelijk, en die lichamelijke fragiliteit, die blijkbaar ook een sterkte is, kenmerkt me nog altijd. Al ben ik toch gezonder dan ik denk, ik zeg het niet graag, ik wil er ook liever niet over praten, maar het gebeurt almaar meer dat ik 's nachts, soms diverse malen, de dokter laat komen, omdat ik bang ben dat er ergens iets loos is. Een vorm van hypochondrie, veroorzaakt door de onuitstaanbare wetenschap dat mijn einde elk jaar dichterbij komt. Gelukkig zegt de dokter dat ik tot zijn gezondste patiënten behoor. (lacht) Maar het is zoals het is: in de tentoonstelling De wereld rond Raveel in het Vlaams Parlement wordt meer dan zestig jaar kunstenaarschap verslagen. Uit mijn werken kun je aflezen dat ik een grote, veelzijdige en moeilijk te categoriseren kunstenaar ben. En tegelijkertijd moet je er wel uit afleiden dat ik al lang heb geleefd.

"Ik had nooit het fysieke gestel van mijn vrienden. Van kindsbeen zit ik met een hardnekkige, chronische bronchitis opgezadeld; tot op vandaag hoest ik nog geregeld bloed en slijmen. Die gebrekkige gezondheid heb ik aan mijn vroeg ontluikende visuele aanleg te danken. Op mijn derde hing ik als knaapje boven een grote kuip water. Ik was geboeid door mijn gezichtje dat daarin verscheen en door alles wat in het wateroppervlak weerspiegelde. Ik wilde dat oppervlak van dichterbij zien. En ik wilde dat beeld in beweging brengen. Zo ben ik, gedreven door nieuwsgierigheid, in de kuip getuimeld. Mijn buurvouw heeft me eruit gehaald. Ze heeft haar man geroepen, mijn moeder stond een heel eind verderop de was uit te hangen, en die heeft me meteen bij de voeten gepakt en ondersteboven gehouden. Ik was buiten bewustzijn. Ik werd kunstmatig beademd. Ik spuugde het water uit mijn longen. Maar de bronchitis is nooit meer weggegaan. Omstreeks het midden van de jaren twintig waren er immers nog geen antibiotica. Ik moest allerhande siropen slikken. En ik heb lang en vaak met koorts in bed gelegen. De daaropvolgende jaren heeft mijn moeder met mij allerhande artsen en specialisten afgedweild. We gingen daarvoor naar Gent. In een van die artsenkabinetten hing een schilderij dat me enorm boeide. Ik bleef er maar naar kijken, zodat mijn moeder besloot om me na afloop van het medisch onderzoek mee naar een galerij in Gent te nemen.

Het licht gezien

"Mijn moeder, Bertha Van Lancker, was een intelligente vrouw met van nature een revolutionaire geest. Ik mocht van haar ook alles lezen, inclusief de verboden boeken, en in mijn jonge jaren (de jaren dertig, mvds) waren vele boeken verboden. 'Zeg Bertha, mag hij dat lezen?', vroeg de bakkerin die op een dag bij ons binnenkwam, en zag dat ik in Steinbeck las. 'Ja', zei mijn moeder, 'hij mag dat.' Mijn vader was trouwens ook een man met een onafhankelijke, dwarse, en vaak ironische kijk op het leven. Hij relativeerde alles. Ook zichzelf. Bovendien had hij de spirit van een uitvinder. Hij kluste graag en was creatief in de oplossingen die hij bedacht.

"Mijn ouders waren katholiek maar niet kleingeestig. Ik ben niet gelovig. Maar ik haat de kerk evenmin. Dankzij de kerk beschikt het Westen over prachtige kunstwerken en dankzij het geloof hebben vele mensen ook geleerd om 'intenser' te voelen. Ik vind dat een verdienste op zich. Ik heb begin jaren negentig in de kapel Maria-Hulp-der-Christenen hier in het dorp muurschilderingen gemaakt, getiteld De religie van het leven. Een prachtig project. Van enige onderdrukking of censuur vanuit de kerk was geen sprake; ik heb er zelfs, tot vreugde van meerdere kapelgangers en bezoekers, een vrijend koppel geportretteerd.

"Maar uiteraard ben ik mijn ouders dankbaar dat ik al van mijn twaalfde naar de Stedelijke Academie van Deinze mocht en dat ze me daarna, aangemoedigd door mijn mentor in Deinze (Hubert Malfait, mvds) naar de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent hebben gestuurd, terwijl het katholieke Sint-Lucasinstituut misschien meer voor de hand had gelegen. Die eerste kunstgalerij die ik samen met mijn moeder bezocht, heeft trouwens een grote invloed op me gehad. De galerij lag in de Korte Dagsteeg, ik herinner het me nog goed. Er hingen expressionisten. En ik, die toen een prille tiener was, zag daar plots het licht. Ik realiseerde me: kunst is niet de letterlijke weergave van de werkelijkheid. Even later verbood Hitler de expressionisten."

Het atelier van Roger Raveel is via de binnentuin bereikbaar en bevindt zich in een hoge, voormalige vlasschuur aan de zijkant van zijn woning. Twee witgekalkte wanden van het atelier zijn bedekt met krachtige werken van de meester, de doeken staan op schildersezels waaronder wielen zijn bevestigd. De andere wanden zijn met boeken gevuld. Ook in het atelier valt de rijkelijke lichtinval meteen op. Er is het sterke gevoel voor ruimte. En de orde springt in het oog. Op een tafel staan, keurig in het gelid, tientallen glazen confituurpotjes van hetzelfde merk (granoVita). Ze zijn gevuld met verf die de meester zelf, in alle mogelijke toonaarden, heeft gemengd.

"Ik maak mijn kleuren. Die verf doet me trouwens aan een anekdote denken die misschien interessant is voor u om op te schrijven. Toen ik jong was, ging ik met Zulma en enkele vrienden geregeld kamperen in Bredene. Op een dag, dat was in 1945, heb ik samen met mijn vriend Marcel Ysewijn de tram naar Oostende genomen om James Ensor te bezoeken. Ensor, die ik als jonge kunstenaar al zeer bewonderde, moet toen ongeveer zo jong zijn geweest als ik vandaag. Hij zat op een soort verhoog aan het raam. Ik zei: 'Meester, daar zit u goed.' En hij antwoordde: 'Ja, ik zit hier graag. Zeker in de zomer, als alle vrouwenrokken omhoog waaien.'

"Maar dat is niet wat ik u wilde vertellen. Tijdens dat bezoek leidde Ensor ons naar een van zijn werken. Hij vroeg: 'En, wat vinden jullie daarvan?' Wij waren diep onder de indruk. Hij vroeg: 'Weet je hoe ik dat heb geschilderd?' Waarop wij, schoorvoetend, antwoordden: 'U zult wel heel veel tekeningen en schetsen hebben gemaakt om dit voor elkaar te krijgen.' 'Och jongens', repliceerde James Ensor laconiek, 'het is allemaal zo simpel. Op een dag zei de leverancier van mijn verven me: 'Meester Ensor, nu heb ik heel goede verf voor u bij, maak daar eens een meesterwerk van.' Awel. Dat is precies wat ik heb gedaan.' Het werk waarmee wij oog in oog stonden, was l'Entrée du Christ. Zijn meesterwerk. In 1898 geschilderd."

"Ik heb me lang de meest miskende schilder van Vlaanderen gevoeld. Ik word nog altijd onvoldoende erkend, al moet ik zeggen dat er de laatste tijd een en ander is veranderd. De waardering wordt wakker. Maar, en dat dien ik te benadrukken, Vlaanderen zag me pas staan nadat in Nederland elk museum al lang verscheidene werken van me had gekocht. Onze noorderburen hadden me veel sneller in de gaten en waardeerden me veel vroeger. In mijn sterke gevoel van miskenning speelt de mening van Claus natuurlijk ook een rol. Hugo heeft me altijd in de oren geknoopt: 'Roger, je moet naar Amerika trekken, hier in Vlaanderen zullen ze je nooit begrijpen, maar daar, aan de andere kant van de oceaan zal je genie worden erkend.' Hugo meende wat hij zei. Maar ik dacht: of ik nu naar Frankrijk trok, of naar Amerika of Brazilië, ik zou, net als hier in Vlaanderen, op een dag doodgaan. Dat is het, nietwaar: die spanning tussen sterfelijk en onsterfelijk. Die zekerheid dat je, ondanks de grootte van je werk, op een dag, hier of ginder, hoe dan ook sterft.

verticaal en schuin

"Ik ben in mijn geboortedorp Machelen-aan-de-Leie gebleven. Ik heb mijn kleine wereld naar de universaliteit opgetild. Ja, sommigen interpreteren die woorden als grootspraak, maar ik heb mezelf altijd een groot schilder gevonden, en ik ben ervan overtuigd dat Raveel zal blijven bestaan. Zelfs nu we ons in een tijdperk bevinden waarin de taal vooral digitaal of conceptueel geworden is. Ik geloof niet dat de schilderstaal ooit zal verdwijnen. Ik heb zelfs de indruk dat jonge kunstenaars er weer naar teruggrijpen. Want alles heeft met 'taal' te maken. Een goede schilder of tekenaar ontwikkelt en hanteert, binnen de traditie van de schilderkunst, zijn eigen taal. Die taal drukt het onderbewuste uit, maakt het onderbewuste dus bewust. De schilder moet zich in die taal bekwamen. Hij moet ernaar leren luisteren. Hij moet leren voelen hoe zijn hand een vertaling van zijn diepste ziel aanbrengt. Dat vergt, behalve een uitzonderlijk aangeboren talent, grote kennis en concentratie. Hoe zei Picasso dat weer? 'Je begint met iets, je weet niet wat het gaat worden, het is de ene penseeltrek die de andere commandeert.' Zo is het. Je moet openstaan voor die, soms erg subtiele, commando's vanuit het onderbewuste.

"De schilderijenoptocht van 1978 te Machelen-aan-de-Leie (1978) is een goede illustratie van de werking van die specifieke, eigen taal. Dat werk klopt helemaal. Maar het is een misverstand te denken dat het bekende resultaat in één keer op het doek stond. Een schilderij groeit en misgroeit terwijl je ermee bezig bent. Ik heb delen van het schilderij herhaalde keren afgewassen, weggevaagd, en opnieuw en weer opnieuw geschilderd. Telkens bekeek ik het geheel van op een afstand en telkens was ik diep ontgoocheld. Pas toen ik gewaarwerd dat ik die witte streep verticaal en schuin over het doek moest schilderen, pas toen ik dat commando waarnam, hing alles aan elkaar en waren alle elementen van het doek verbonden zoals ik intuïtief en onbewust aanvoelde dat ze verbonden moesten worden. Het is onmogelijk om wetenschappelijk te bepalen aan welke wetten de compositie van een schilderij moet gehoorzamen om 'geslaagd' te zijn. Vorm mag nooit overheersen. Je hebt gevoel nodig. Voeling met je onderbewuste. Hoe vaak is het niet gebeurd dat ik pas nadat mijn werk af was, besefte: 'Oh ja, nu snap ik het.' Mijn onderbewustzijn wist wat mijn bewustzijn niet kon weten. Een mens moet soms diep gaan om in contact met zijn ziel te komen.

"Mijn schilderkunst, mijn taal werd en wordt nog steeds te vernieuwend gevonden. Men verstond en verstaat me te weinig. Ik ben niet in een hokje te plaatsen. Mijn werk bevat alles. Ik combineer schilder -en tekenkunst in hetzelfde schilderij. Ik werk met zeer figuratieve beelden en zet ze naast abstracte. Ik zet werkelijkheid en illusie naast elkaar. Ik schilder smeuïg en vlak op een en hetzelfde doek. Ik schilder de hand van een persoon heel realistisch, en laat zijn gezicht overgaan in een witte vlek, in het niets, dat op die manier plots iets heel belangrijks wordt. Ik wil dat mijn werken overvloeien in de omgeving. Enzovoort. Het is die hoogstpersoonlijke manier van kijken en van de wereld vervolgens uit te beelden die mijn vriend en dichter Roland Jooris in de jaren zestig De Nieuwe Visie heeft gedoopt. Jooris voelt de sferen van mijn werk aan. Want ook degene die naar het schilderij kijkt, moet zich de regels van de picturale taal eigen maken. Ook de samenleving waarmee een kunstwerk in dialoog treedt, moet zich de moeite getroosten om te willen begrijpen wat er staat. Je moet in de plastische taal leren denken. En je moet erin leren voelen. Dat laatste wordt al te vaak vergeten: dat we ook voelen in en via onze taal. Mede daarom dat Vlamingen en Walen zo danig van elkaar verschillen. Mede daarom dat wij zo anders zijn dan Duitsers of dan Britten. Omdat iedereen, in denken en in voelen, door zijn taal wordt gevormd. Och, de geschiedenis heeft uitgewezen dat het lang kan duren voor het begrip tussen de twee, de schilder en de toeschouwer, tot stand komt. Kijk hoe lang de wereld nodig heeft gehad voor men doorhad dat Van Gogh, die trouwens net als ik dagelijkse voorwerpen in de kunst binnenhaalde, een grootmeester was.

"Ik heb pas enkele dagen geleden mijn expositie bezocht. Bij de vernissage kon ik helaas niet aanwezig zijn omdat ik ziek was. Maar ik moet zeggen: ik ben zeer tevreden over wat ik daar allemaal zag en toen ik oog in oog met mijn werk stond, werd ik bij meerdere schilderijen weer de triomf gewaar die ik ook hier in het atelier heb gekend. Als ik de trap beklom en vanaf de trap naar mijn werk keek en vaststelde dat het 'wow, een meesterwerk' was. Dat er op die tentoonstelling ook meerdere doeken uit privécollecties hangen, heeft me extra verheugd. Niet alleen voor de toeschouwer maar ook voor mij is het aangenaam om werken van mezelf te zien die anders voor de buitenwereld 'verstopt' blijven. Ik heb werkelijk picturaal genoten. Ik dacht vaak: 'Knap en wonderlijk, dat ik dat allemaal heb gedaan!' En ook schoot het door mijn hoofd: 'Wow, heb ik dat echt allemaal gemaakt?"

Tot 14 juni loopt de tentoonstelling De wereld van Roger Raveel in De Loketten van het Vlaams Parlement, IJzerenkruisstraat 99 in 1000 Brussel. Toegang gratis. Gesloten op zon-en feestdagen. Tot 23 augustus loopt in het Vincent Van GoghHuis in Zundert (N) een dubbelexpo Raveel & Van Gogh.

Hoe vaak is het niet gebeurd dat ik pas nadat mijn werk af was, besefte: 'Oh ja, nu snap ik het.' Mijn onderbewustzijn wist wat mijn bewustzijn niet kon weten. Een mens moet soms diep gaan om in contact met zijn ziel te komen

Toen ik onlangs in Brussel oog in oog met mijn werk stond, werd ik bij meerdere schilderijen weer de triomf gewaar die ik ook hier in het atelier heb gekend: als ik de trap op klom, naar mijn werk keek en vaststelde dat het 'wow, een meesterwerk' was

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234