Woensdag 21/10/2020

InterviewKris Martin

Kunstenaar Kris Martin: ‘Alsof je om geloofwaardig te zijn 13 maîtresses moet hebben’

Kris Martin: 'Ik ben niet slim genoeg om de grote levensvragen op te lossen. Maar ik heb wel het lef om ze aan te raken.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Exit, zo heet de expo van Kris Martin die vandaag opengaat in het Gentse S.M.A.K.. In feite is het zijn ­‘entree’, zijn eerste grote solotentoonstelling in eigen land. Maar tevens ook een ‘rentree’, want Kris Martin komt uit een diepe put gekropen. ‘Ik deed niets meer, ik stond op het punt ermee te kappen.’

Drie dingen verwacht je níét van een conceptuele kunstenaar die vooral bekendheid geniet in de internationale hoofdkwartieren van de hedendaagse kunst. Eén: dat je hem moet gaan zoeken in de Vlaamse Ardennen, in een gehucht waarvan je nog nooit hebt gehoord maar dat de gps-satellieten gelukkig wél weten liggen: Wannegem-Lede, deelgemeente van Kruisem. Twee: dat zijn atelier gevestigd is in een oud dorpshuisje waar ooit de dienstbode van de plaatselijke notaris woonde. En drie: dat hij je op klaarlichte dag te woord staat bij het schijnsel van een brandende kaars.

“Ik heb dit atelier nog maar een jaar”, lacht Kris Martin. “Tot voor kort werkte ik thuis, letterlijk tussen de soep en de patatten. Dat kon perfect, want het werk dat ik maak voer ik doorgaans niet zelf uit. Maar we hebben nu drie kinderen, het werd wat moeilijk om me te concentreren thuis. Hier kan ik me afzonderen en rustig nadenken.”

Hij zet zwarte koffie en serveert er mignonnettes van Côte d’Or bij.

“Ik ben geboren en getogen in deze streek. Ik ben nog misdienaar geweest in de kerk hiernaast. Het is het klassieke verhaal: op mijn zeventiende naar Gent getrokken, er blijven plakken, en toen er kinderen kwamen teruggekeerd. We dachten dat we hier geen sociaal leven meer zouden hebben, maar het tegendeel is het geval. De kans is groot dat er straks een plaatselijke boer binnenspringt om een praatje te maken en een glas wijn te drinken.

• geboren in 1972 in Kortrijk • afgestudeerd als architect • debuteerde als kunstenaar in 2000 • brak in 2006 inter­nationaal door op de Biënnale van Berlijn • solotentoonstelling in PS1 MoMA, New York, in 2007 • creëerde in 2014 Altar, zijn replica van het kader van het Lam Gods, op het strand van Oostende • spiegel­expo in de Sint-Baafs­kathedraal in Gent en bij Sean Kelly in New York in 2019 • ontwierp de grafzerk van Jan Hoet, met het opschrift: ‘Unter der Erde / Scheint die Sonne’ 

“Ik ben een normale gast die een gezin heeft en in een verkaveling woont. Voor sommigen in de kunstwereld ben ik wellicht te gewoon. Alsof je, om geloofwaardig te zijn, je oor moet afsnijden, je vrouw slaan, dertien maîtresses hebben, aan de drugs zitten en niet naar je kinderen omkijken. Ik vind dat niet meer van deze tijd. Trouwens, alle echt grote kunstenaars die ik in mijn leven ben tegengekomen zijn doodgewoon. Ze zijn zo goed in wat ze doen dat ze het niet nodig hebben om ook nog een beetje de poseur uit te hangen.”

‘Kris Martin, the art world’s ticking time bomb’, was in januari 2008 de grote titel op de cover van kunstmagazine ArtReview. De tikkende tijdbom van de kunst. Martin was toen amper zeven jaar bezig, maar had al tentoongesteld in PS1, de experimentele ruimte van het MoMA in New York, en was een van de sterren geweest op de Biënnale van Berlijn, onder het curatorschap van Maurizio Cattelan. De tijdbom uit de titel verwees naar zijn werk 100 years uit 2004: een loden bol met wat semtex erin, en een tijdmechanisme dat ervoor zorgt dat hij pas over honderd jaar ontploft.

Martin: “Dat ding is ontwikkeld door een NASA-ingenieur, gespecialiseerd in het timen van springstoffen. Een volslagen gek, die nadien ook is ontslagen. Niemand heeft ooit de ontwerptekeningen gezien, maar ik weet dat er in de bol nog een andere loden bol zit, zodat de bom niet kan worden gedetecteerd met X-rayscanners. Nasty, hè?”

Dat ‘werk’ is vanaf de luchthaven van Düsseldorf naar New York vertrokken, gearriveerd op JFK en het heeft een paar maanden in PS1 MoMA gelegen. “Als iemand toen de FBI had ingeseind, ze zouden de boel daar met veel machtsvertoon ontruimd hebben en de special forces waren mij uit mijn kot komen sleuren. Een vooraanstaande advocaat had me daarvoor gewaarschuwd: ‘Kris, als ze u in de bak zwieren, echt, ik ga u niet kunnen helpen’.

Kris Martin: 'Het laatste wat ik wil doen is choqueren. Dat is te gemakkelijk. En daar zit niemand nog op te wachten; de heilige huisjes zijn allemaal al neergehaald.'Beeld Thomas Sweertvaegher

“Voor alle duidelijkheid: er zit maar een kleine, symbolische hoeveelheid semtex in 100 years. Ik zou niet willen dat er iemand gekwetst raakt. Ik heb geen vijanden. Mijn enige vijand is onze sterfelijkheid. Dit kunstwerk gaat over dat gevecht dat we sowieso zullen verliezen. Hoogstwaarschijnlijk zullen noch de maker ervan, noch de toeschouwers die erbij waren toen het werd onthuld, er over honderd jaar nog zijn. Het werk zal ons overleven. Dat is op zich al een opmerkelijke prestatie. Want wij spreken graag over 17de-eeuwse schilderkunst en 18de-eeuwse muziek, maar we beseffen onvoldoende dat slechts een miniem deel van de kunst die geproduceerd wordt de tand des tijds doorstaat. (lacht) 100 years is niet iets wat je zomaar achteloos weggooit, hè?

“Er bestaat ook nog een grotere versie: 1000 years (2009). Die bom heeft een diameter van 115 cm, hij ligt in Düsseldorf. De directrice van K21, het museum van hedendaagse kunst daar, heeft ’m aangekocht tegen de wil van haar eigen board in. In Düsseldorf willen ze veel verschillende kunst tonen en niet al hun geld steken in een eigen collectie. Toen de directrice in de problemen kwam door die aankoop, zei ze: ‘Geen probleem. Dit is strikt conform ons beleid: over duizend jaar tonen we iets anders.’”

U hebt nog ’n paar werken gemaakt rond dit thema. Somebody uit 2013: dat woord, geschreven op een grote lap papier, met uw vingers, en met de asse van vijf anonieme mensen. Of Still alive uit 2005: uw eigen schedel op ware grootte, gegoten in brons, gebaseerd op een 3D-scan. Voor een ‘normale gast’ hebt u opvallend morbide trekjes.

Kris Martin: “Echt waar, het laatste wat ik wil doen is choqueren. Dat is te gemakkelijk. En daar zit niemand nog op te wachten; de heilige huisjes zijn allemaal al neergehaald. Maar ik loop wel graag op het randje. (denkt na) Ze noemen me een conceptuele kunstenaar. Dat klinkt slim, maar geloof me: ik beschik niet over de intellectuele vermogens om de grote levensvragen op te lossen. Maar ik heb wel het lef om ze aan te raken. Dat is wat ik doe als kunstenaar. Ik geef af en toe een prikje.

“Vergankelijkheid en dood zijn een constante in mijn werk, maar aan de andere kant is er ook een zekere lichtheid: levenslust, frivoliteit zelfs. Het is in de wetenschap dat je doodgaat dat je blijft leven, en dat je er voor jezelf en je omgeving iets van wilt maken. En daarnaast ben ik nogal doortrokken van christelijke moraal, moet ik eerlijk toegeven. Al heb ik een hekel aan het instituut.”

T.Y.F.F.S.H. (2011), het serene spektakel­stuk van een half opge­blazen hetelucht­ballon.Beeld Thomas Sweertvaegher

Een geboren kunstenaar was u niet. U bent pas op uw 28ste begonnen.

“Klopt, maar ik heb altijd wel het gevoel gehad dat ik ‘anders’ was. Op de middelbare school werd ik verschrikkelijk gepest. Ik had niet veel vrienden. Ik trok op met de outcasts en de zwarte schapen. Ik ben nog altijd heel gevoelig voor die mechanismen van groepsdwang en uitsluiting. Ook in de kunstwereld gaat mijn sympathie spontaan uit naar de figuren die er niet bij horen of die met de vinger worden gewezen. Ik vind Arne Quinze bijvoorbeeld een heel sympathieke, genereuze tiep. Hij doet ongelooflijke dingen in het buitenland, maar in Vlaanderen weet niemand dat.

“Ik heb architectuur gestudeerd, maar ik wist al in mijn tweede jaar dat ik nooit architect zou worden. Dat komt door Jan Hoet. Op zijn Documenta 9 in Kassel zag ik Anthro/Socio van Bruce Nauman, de video-installatie met een zanger-acteur die declameert: ‘Feed me/ Eat Me/Anthropology – Help me/ Hurt me /Sociology’. Ik viel er letterlijk van op mijn gat. Het was een werk dat voor mij alleen maar vragen opriep. En dat me deed beseffen dat ik zelf ook beter ben in vragen stellen dan in antwoorden geven. In de architectuur verwacht men op het einde van de rit altijd een heel concreet, functioneel antwoord. Ik was daar heel slecht in. Als ik een buis zie lopen, weet ik nog altijd niet of er gas, elektriciteit of water door stroomt, haha!

“Maar ik heb mijn studie wel afgemaakt. Op het einde zei mijn stagemeester, de intussen overleden architect Abel Van Heuverswyn: ‘Ik heb mij goed geamuseerd met u, maar ik ga u een goeie raad geven: ga iets anders doen. Gij zijt nen artiest, geen architect.’ (lacht) Er was dus al iemand die geloofde in mij toen ik mijn eerste werk nog moest maken.”

Wat was dat eerste werk?

“In november 2000 werd hier in de streek de maïs gerooid. Ik heb toen aan een boer gevraagd om op een veld een partij van 30 meter bij 30 te laten staan, omgerekend zo’n 9.000 planten. Op diezelfde plek liggen de 9.000 soldaten begraven die zijn gesneuveld tijdens de slag bij Oudenaarde: 1708, de Spaanse Successieoorlog. Maïs groeit in rijen. Met een beetje verbeelding kun je er een strakke formatie soldaten in zien, en de maïskolven als hun munitie. Op de vier hoeken van het veld heb ik lichtmasten laten plaatsen. De hele winter lang hebben die het tafereel verlicht. Door de regen, de wind en de vorst werd die partij maïs een grote hoop miserie, een echt knekelveld.

“Zonder budget heb ik een opening georganiseerd - flyers gemaakt, sponsors gezocht. Ik dacht: er komt geen kat. Het was ijskoud en je moest vierhonderd meter door de modder ploeteren om bij dat veld te geraken. Tot mijn verbazing kwam er meer dan tweehonderd man opdagen. Onder wie ook Jan Hoet junior. De volgende dag al werd ik ontboden op het S.M.A.K.. Nadat hij mijn verhaal had aangehoord, zei Jan Hoet senior, ongeduldig als altijd: ‘Gij moet meedoen aan Sonsbeek!’ Jan cureerde de volgende editie van die tentoonstelling van hedendaagse kunst in het Park van Sonsbeek bij Arnhem. Ik herinner mij nog dat ik arriveerde in Sonsbeek. In het kantoortje van de organisatie zaten Bart De Baere en Philippe Van Cauteren. Nu de directeurs van respectievelijk het M HKA en het S.M.A.K., toen de assistenten van Jan. ‘Wie ben jij?’ vroegen ze. ‘Ik doe mee aan de tentoonstelling’, antwoordde ik. Zij: ‘Daar weten wij niets van’. Ik: ‘Bel misschien eens met Jan’. Telefoontje naar Hoet: ‘Ja Jan, zeker Jan. Komt in orde Jan.’ Twee minuten later, tegen mij: ‘Jan zegt dat je naar het park moet gaan en je goesting moet doen’. Zo is mijn carrière in de kunst begonnen. Ik was de man op wie niemand zat te wachten.

Kris Martin bereidt de expo in het S.M.A.K. voor. : ‘Ik ben beter in vragen stellen dan in antwoorden geven.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Nauwelijks een paar jaar later zaten ze overal op u te wachten, vooral in het buitenland. Het is snel gegaan.

“Absoluut. Ik denk dat er maar weinig Belgische kunstenaars zijn die kunnen zeggen dat ze in het Louvre, het Centre Pompidou, Tate Modern én het MoMA hebben tentoongesteld, en dat hun werk gerecenseerd werd in zowat alle belangrijke tijdschriften en kranten. Maar in eigen land kwam ik amper aan de bak. De Biënnale van Berlijn van 2006, dat was eigenlijk mijn internationale doorbraak. Net zoals die van Michaël Borremans trouwens. De Morgen titelde: ‘Twee Belgen op de Biënnale van Berlijn: Michaël Borremans en Berlinde De Bruyckere’. Over mij geen woord. In Vlaanderen denken veel mensen dat ik een Amerikaan of een Engelsman ben.”

Eén werk van u kent iedereen: Altar (2014), het lege, metalen kader van het Lam Gods op het strand van Oostende. Je moet niet doorgeleerd hebben in de kunst om er de poëzie van in te zien. Hebt u er veel reacties op gekregen?

“Ja, een publiekslieveling is Altar zeker geworden. Ik dacht dat alleen kunsthistorici er de vorm van het Lam Gods in zouden herkennen, maar die zit dus in het collectief geheugen. Mensen komen me zeggen dat ze graag door dat kader naar de zonsondergang kijken, of gewoon naar de kleur van de lucht en de zee. (denkt na) Het schijnt dat het publiek in een museum gemiddeld 17 seconden naar een kunstwerk kijkt. Naar mijn werk kijken ze vaak veel langer. Ik denk dat dat komt doordat ik de mensen niet verveel met details uit mijn eigen klein, persoonlijk verhaal. Want dat is de grote uitdaging in de kunst, hè: hoe til je je eigen verhaal naar een universeel niveau, hoe maak je er iets van dat ook betekenis kan hebben voor anderen? Mijn oplossing: door op tijd te stoppen met vertellen en het beeld voor zichzelf te laten spreken. Ik ben er mij van bewust dat ik weinig interessants te melden heb. Ik ben Plato of Socrates niet. Maar ik kan wel iets evoceren waar Plato vervolgens een heel verhaal rond kan breien. (lacht)

“Er staat nu ook een versie van Altar op het Sint-Baafsplein in Gent. Ik heb het gemaakt voor Salut d’Honneur, de grote hommage aan Jan Hoet. Jan was zeer gelovig, en het Lam Gods was voor hem het ultieme kunstwerk, net zoals voor mij. Jammer dat hij het niet meer heeft kunnen zien.”

Waarom heeft Jan Hoet u bij leven en welzijn nooit een tentoonstelling gegeven?

(aarzelend) “Jan kende mijn werk vanbinnen en vanbuiten, hij is mij altijd op de voet blijven volgen, maar... die tentoonstelling is er nooit van gekomen. Hij wachtte af, hij was niet zeker. Ik denk dat ik in zijn ogen altijd de architect ben gebleven die kunst maakte. En inderdaad, als je mij vergelijkt met Joseph Beuys, met de échte artiesten... dat is gewoon niet vergelijkbaar.”

Maakt u uzelf nu niet kleiner dan u bent?

“Beuys lééfde zijn werk, wás zijn werk. Ik denk mijn werk. Ik ben niet creatief. Ik ben geen maker, ik ben een vinder. Ik vind altijd van alles. Toen ik klein was noemden ze mij ‘de ekster’, omdat ik voortdurend de grond afspeurde naar dingen die lagen te blinken. Ik stond na de zondagsmis verveeld naar de grond te kijken terwijl mijn ouders nog een praatje maakten met de buren, en ik zag iets blinken tussen de kasseien: een muntstuk uit de 16de eeuw, de tijd van de Spaanse overheersing. Ik liep met mijn ouders door de bergen in Zwitserland en tussen de rotsen vond ik een gouden horloge. Nu is dat de essentie van mijn kunstpraktijk: kijken en vinden, denken en op een idee komen.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

De kunstenaar-goudzoeker?

“Kijken en kiezen tussen de miljarden objecten die ons omringen. Nieuwe combinaties maken van dingen die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben. Zonder iets nieuws te maken toch een nieuw verhaal creëren. (lacht) Recyclage, eigenlijk.”

Maar wanneer wordt zo’n nieuwe combinatie kunst? Vorig jaar protesteerden buurtbewoners in Oudenaarde tegen uw sculptuur Day9, een abstractie van een zittende figuur in fijne, bronzen profielen. Ze vonden dat de stad er te veel geld voor had betaald: 54.000 euro. En ze plaatsten er een wc-pot naast.

Kris Martin: ‘Ik heb daarop gereageerd in Het Laatste Nieuws: ik vind dat juist een heel respectvolle sculptuur. Omdat ze zo transparant is zal ze weinig mensen storen. En de prijs, tja, dat is nu eenmaal de marktwaarde. (denkt na) Wanneer wordt iets kunst? Toen je hier binnenstapte heb je het ongetwijfeld gemerkt: ik ben eigenlijk ongelooflijk ouderwets en archaïsch. Ik ben zelfs dermate ouderwets dat sommigen mij vernieuwend vinden. Ze mogen mij conceptueel noemen zoveel ze willen, maar in the end ben ik een klassieke kunstenaar. Mijn eindproducten zijn beelden.

“Ook in mijn kunstopvatting ben ik van de klassieke stempel: voor mij is esthetiek het allerbelangrijkste criterium. Ik ben enorm gevoelig voor materialen, proporties, afwerking, details. Daarover bestaat trouwens meer consensus dan je denkt. Als hier zo meteen een enorm mooie vrouw in de deuropening verschijnt, zullen wij het er snel over eens zijn dat ze mooi is. Maar ware schoonheid wordt pas bereikt als er een graad van imperfectie in het spel is. Onze enorm mooie vrouw met een tache de beauté! Ik heb die ideale graad van imperfectie berekend, samen met mijn beste vriend Frederic Vander Laenen, architect in Westerlo en wiskundig genie. Het is een getal, een berekende afwijking die maakt dat een bouwwerk of een figuur niet statisch is en niet boring, dat het begint te leven. Alles wat ik maak is op dat getal gebaseerd, zelfs de constructie van het huis waarin we wonen. Je ziet het niet, maar je voelt het wel. Bij deze is het geheim van Kris Martin onthuld.”

Een ander waanzinnig project van u is De idioot. U hebt dat boek van Dostojevski integraal overgeschreven, maar de naam van de hoofdpersoon Lev Myshkin overal vervangen door uw eigen naam. Meer dan 1.400 pagina’s in een klein handschrift...

(lacht) “En vooral: heel mooi geschreven! Ik kan niet veel, maar schoon schrijven kan ik wel. Ik schrijf ook razendsnel. Als ik iemand een e-mail moet sturen, neem ik een wit blad papier, ik schrijf wat ik moet schrijven, neem er een foto van en stuur ‘m door. De idioot heb ik op A4 printpapier geschreven, recto verso. Als ik op de achterzijde een fout maakte, moest ik de voorkant ook opnieuw overschrijven, ik wilde niet dat er doorhalingen te zien waren.”

Het is een fantastisch mooi boek.

“Dat vind ik zelf ook. Het is gedrukt op heel dun, zogenaamd onion skin-papier. Het was een groot succes in Japan. De eerste oplage was binnen de kortste keren uitverkocht; in het S.M.A.K. komt er een nieuwe editie. Maar vergeleken met wat Dostojevski heeft gepresteerd, stelt het natuurlijk niks voor. Het oorspronkelijke verhaal is de ware kunst, mijn versie is recyclage met een twist. Wist je trouwens dat Dostojevski zijn boeken niet zelf opschreef? Hij dicteerde ze aan zijn vrouw.” (lacht)

Kris Martin: 'Ik ben aan het terugvechten.'Beeld Thomas Sweertvaegher

Waarom De idioot, en niet De gebroeders Karamazov of Misdaad en straf?

“Omdat De idioot ook een stuk zelfrelativering is. Door van mezelf de held te maken word ik die idioot. En omdat het een veel straffer verhaal is. Mijn theorie is dat het hoofdpersonage een incarnatie van Christus is, net als de Don Quichote van Cervantes.

“Maar er hangt voor mij ook een jeugdherinnering aan vast. Toen ik in Lede misdienaar was, was de pastoor hier een priester-dichter genaamd Albert De Vos. Schrijver, drinker, levensgenieter. Het bisdom had hem naar Lede verbannen omdat hij een kind had van mijn leeftijd. Zelf zat hij daar niet mee, want hier kon hij ongestoord lezen, schrijven en vrienden ontvangen. Van heinde en verre kwamen de mensen naar zijn missen. Nergens in de omgeving duurden die korter. Ongeïnteresseerd rammelde hij de voorgeschreven liturgie af. Maar zijn preken waren fenomenaal.

“Die man was zo belezen en zo gecultiveerd; ik hing werkelijk aan zijn lippen. Hij citeerde vaak uit Dostojevski, meestal uit De idioot.

Waarom verdween u vier, vijf jaar geleden plots van de radar?

“Omdat ik in conflict ben gekomen met de Duitse galerie waarmee ik twaalf jaar heb samengewerkt. Ik mag er van mijn advocaat niets over zeggen, want er loopt een rechtszaak, onder meer over een aantal werken die de galerie claimt. In elk geval: Ik ben in een diepe put gevallen. Mijn werk bleef wel circuleren en werd af en toe opgenomen in groepstentoonstellingen, maar er waren geen soloshows meer en het werd niet meer aangeboden op kunstbeurzen.

“In België werd er geroddeld: ‘Het is afgelopen met Kris Martin’. Ik ben dan in mijn schulp gekropen. Ik zat hele dagen in mijn tuinhuis voor me uit te staren. Mijn vrouw zei: ‘Doe niet onnozel, je gaat je problemen niet oplossen met een zitstaking in je eigen tuinhuis’. Ik zei: ‘Dit is de ultieme test. Ik blijf hier zitten tot iemand die mij wél kan helpen me eruit komt halen. Komt er niemand, dan is het afgelopen, dan doe ik niks meer.’

“Ik heb een gigantisch risico genomen. Maar wie verscheen op een blauwe maandag aan het deurtje van mijn tuinhuis? Sean Kelly, de galerist uit New York die Marina Abramović en Antony Gormley vertegenwoordigt. We zijn gaan lunchen in het Hof Van Cleve, bij mijn goeie vriend Peter Goossens. Peter had mij een etentje beloofd op de dag dat ik terug uit mijn kot kwam. Kelly bleek mij al tien jaar te volgen en zelfs een paar werken van mij te bezitten. Toen ik zei dat ik graag met hem wilde werken, riep hij zo hard ‘yes!’ dat alle andere aanwezigen verschrikt opkeken van hun bord.

“Dat is nu anderhalf jaar geleden. Vorig jaar rond deze tijd had ik mijn eerste tentoonstelling bij Sean Kelly in New York. (lacht) Ik ben aan het terugvechten.”

En nu, na twintig jaar, is er eindelijk die eerste grote solotentoonstelling in België.

“Ja, toen Philippe Van Cauteren met het idee kwam aanzetten, zei ik: ‘Philippe, jong, ge gaat de mensen moeten sméken om naar het S.M.A.K. te komen. Ge gaat overal vrijkaarten moeten weggeven, want wie zit er nu te wachten op Kris Martin?’ Maar door die combinatie met het Van Eyck-jaar en met de Van Eyck-tentoonstelling in het MSK aan de overkant, voel ik... dat dit het juiste moment is om ontdekt te worden.” (lacht)

Overzichtstentoonstelling Exit van Kris Martin, van 07/03 tot 31/05 in S.M.A.K., Gent. smak.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234