Zaterdag 16/11/2019

Kunst cipiers

Een kunstroof of een bloedneus bij Fabiola: suppoosten zijn stille schatbewaarders

van de schone kunsten, maar ook bevoorrechte getuigen in de kijkdoos genaamd museum. Voor één keer staan

ze in het spotlicht, niet ernaast. 'Als ik de bezoekers zie stralen, ben ik ook gelukkig.'

'Ik ben niet bang voor nog meer camera's. Je moet flexibel zijn'

Antwerpen, 2012. Fotomuseum wordt FoMu, Robert wordt Bob. Robert van Ruyssevelt, Bob dus, is wat marketeers onbeschroomd als 'suppoost 2.0' zouden bestempelen. Hij draait volop mee in de FoMu-ketting, verbouwt museumzalen, stelt nieuwe expo's op, bewaakt ze, geeft ze vorm. En biedt meer vragen dan antwoorden, zoals: welke richting gaan we uit? Wat is het verhaal dat een museum wil vertellen? Hoe gaan we om met de komst van digitale fotografie? En welke rol kan de suppoost daarin spelen? Want wees gerust: de tijd van de museumbewaker met kepie, krulsnor en sabel is voorbij.

Blik op de toekomst, kortom, net als From Here On, de tentoonstelling waarmee het FoMu het debat over copyright, auteurschap, privacy en de toekomst van de fotografie wil openen. "Misschien wordt de job van suppoost in de toekomst overbodig, want sommige musea worden nu al uitsluitend met camera's beveiligd. Ik ben daar niet bang voor. In het huidige museale landschap moet je flexibel zijn en, al is het half struikelend, stappen vooruit durven te zetten."

Markant: voorheen werkte Bob als persoonlijke assistent van Luc Tuymans, havenchauffeur, zaalwachter in het Diamantmuseum. Met fotografie heeft Bob een eerder wispelturige verhouding. Hij schrijft. Prozagedichten. "Als suppoost zit je in een zeer interessante tussenpositie. Je beweegt je de hele dag tussen het publiek, ziet hoe ze op bepaalde werken reageren, en hoe lang ze waar stil blijven staan. Een heel vreemde positie."

Woorden die aan Zarcko Vandegeneugten doen denken, hoofdrolspeler in de roman De verveling van de keeper van Dimitri Verhulst: "De keeper is geen voetballer, hij onderscheidt zich ervan. Hij heeft meerdere tegenstrevers. De kou. Zichzelf. Het gevaar van de verveling. De verblindende zon als een storende twaalfde man."

'Dat uniform maakt een verschil.

We krijgen meer respect'

Zachte stem. Vinnige blik. Klein buikje. Mocht er een blauwdruk van de suppoost bestaan, dan kwam Ronny De Corte aardig in de buurt. Plichtbewust, ook. En altruïstisch. "Als ik de bezoekers zie stralen, ben ik ook gelukkig", zegt de suppoost van het Gentse MSK. Erfgoedbewaarder is hij, eigenlijk. Sinds kort prijkt een 'v' op Ronny's schouder, van 'Vigilis'.

"De wetgeving is veranderd", zegt hij. "Nu zijn we niet zomaar toezichters meer, we hebben meer macht. Als het moet kunnen we 'de pas' van de mensen vragen, of de politie bellen. Dat heb ik eerlijk gezegd nog nooit moeten doen, wij hebben een zeer rustig publiek. Maar het museum is het kwetsbaarst als er weinig bezoekers zijn. Na een tijdje verzwakt de aandacht soms, en toch moeten wij te allen tijde alert blijven."

Ook veranderd is Ronny's outfit. "Vroeger droeg iedereen wat hij zelf wilde, nu moeten we verplicht een uniform dragen. Ik merk toch dat het scheelt, we krijgen meer respect. Niet dat wij strenge mannen zijn, maar het geeft meer cachet." Een das is niet verplicht, tenzij de schepen op bezoek komt.

Ronny De Corte: man die vlot vertelt, maar nog beter zwijgt. Een al te zeldzame combinatie. "De mensen komen hier volledig tot rust. Koppeltjes wandelen hier kibbelend binnen, en gaan hand in hand weer buiten. Schoon toch? Ja, het museum doet wat met een mens."

Met Ronny evenzeer. De lezing door Emile Verhaeren bijvoorbeeld, het pointillistische tafereel van Théo Van Rysselberghe. "Zoals die mannen allemaal samen rond één tafel zitten en naar elkaar luisteren, dat gebeurt tegenwoordig niet meer. Mensen komen niet meer samen in onze maatschappij, ik vind dat jammer."

Maar dan, blijmoediger: "Die man rechtsboven lijkt als twee druppels water op mijn vader. Echt waar, hij is het sprekend. Ik zie mijn vader dus dagelijks aan de muur hangen." Vader zelf, echter, is hier nog niet geraakt. "Geen museummens."

'Ik heb er hier al velen zien flauwvallen'

"Ge ziet, Jean-Pierre is nogal geliefd bij de dames." De kuisvrouw schuift koffie en koek op tafel, de suppoost laat het zich welgevallen. Jean-Pierre Thomas, 'JP' voor de vrienden, heeft de haren strak achteruit gekamd. Hals en pols zijn met gouden ketting omgord. Don Juan in 't diepst van zijn gedachten. Liefhebber van Elvis ("Die is gestorven in het jaar dat ik getrouwd ben. Da was ne klop.") en maatpak. "Vroeger droeg ik altijd een plastron. Nu kan ik er steeds minder goed tegen."

Straks wacht Jean-Pierre rust. Eerst tijdelijk, na een kleine medische ingreep, vanaf februari permanent. Pensioen. "Ik zal het hier wel missen", zegt hij. "De collega's, de kunst... Maar ja, voor iedereen is er een tijd van komen en een tijd van gaan, voor mij dus ook."

Hij heeft er een gevulde carrière op zitten, JP. Twaalf jaar bouw, zeventien jaar metaal, vijftien jaar Groeningemuseum. Een verrassende triptiek. "Dit werk is fysiek een stuk minder zwaar, maar toch ook zeer belastend. Psychisch vooral. De hele dag rondslenteren, alles in de gaten houden, de hele tijd vriendelijk blijven: je moet het maar doen."

Jean-Pierre doet het, deed het, met de glimlach. 'Prachtig' is het woord dat in vrijwel elke zin terugkomt. Als hij praat over de werken van Memling of Van Eyck, de duizenden Ameri- kaanse toeristen, of die ene onverwachte bezoeker. "Het was al na zes uur, toen ik vooraan de poort ging sluiten. Opeens stopt er een auto. Wie stapt daar uit? De koningin. Plots stond Fabiola voor mijn neus. 'Zijn jullie nog open?', vroeg ze. Ik kon moeilijk 'neen' antwoorden. De koningin dus naar binnen, maar net op dat moment loopt er een bezoeker knal tegen de glazen draaideur. Het bloed spoot alle kanten uit. Iedereen in paniek, en ik vlug alles proberen op te kuisen. Vooral het tapijt zat vol vlekken, maar gelukkig heeft de koningin niets gemerkt."

Blitzbezoeken, bloedneuzen, buikloop: Jean-Pierre maakte het mee. Vooral aan de draaideur, als eerste poortwachter van de artistieke mijn die het Groeningemuseum is. "Hoeveel ik er hier niet heb zien flauwvallen", lacht hij, en wijst naar Oordeel van Cambyses, het tweeluik van Gerard David. "Blijkbaar is het voor veel mensen te gruwelijk."

Anekdotes over George Clooney volgen. Over werkdagen van achttien uur ook. "Maar ik voel dat ik het nu wat rustiger aan moet doen." Eén probleem nog, echter: "Mijn vrouw en ik hebben nog geen echte hobby's."

'Je weet nooit wie je

voor je hebt staan'

"Ik werk al 22 jaar in het Afrikamuseum en vind het nog steeds een zeer boeiende job. Ik kom veel in contact met mensen en leer nog altijd bij, over de geschiedenis van Congo vooral. Zelf ben ik nog nooit in Congo geweest, ik kan niet zo goed tegen muggen en insecten, maar ik vind dat je niet per se ergens geweest moet zijn om de plek te kennen.

"Als suppoost moet je goed tegen de eenzaamheid kunnen, dat is waar, maar mijn werk is veel gevarieerder dan de meeste mensen denken. We moeten vooral goed onze mond kunnen houden, maar tegelijk zien wij zeer veel van wat er in het museum gebeurt. Ik herinner me bijvoorbeeld hoe tien jaar geleden twee volwassen mannen enkele weken aan een stuk voortdurend het museum in en uit liepen. Ik heb geleerd om nooit op iemands uiterlijk af te gaan, maar bij die mannen had ik toch meteen het gevoel dat er iets niet klopte. Ze waren niet van de propersten, zeg maar, en bleven vaak voor dezelfde vitrinekast staan. "Wij komen hier tekenen", zeiden ze, maar ik vond hun gedrag echt raar.

"Terecht, want plots waren de soepterrine en de ivoren voorwerpen in de vitrine verdwenen. Gelukkig waren de dieven zo dom om de voorwerpen op de Brusselse Zavel te verkopen, en kon de politie ze snel oppakken. Ik moest hen identificeren, maar durfde niet zo goed. Ik was bang dat ze zouden terugkomen, en vreesde voor mijn eigen veiligheid. Ha ja, in een museum weet je nooit wie je voor je hebt staan. Maar voor mijn bijdrage aan het oplossen van die kunstroof ben ik later nog bedankt door de koning, die hier op bezoek was. Dat was een hele eer."

'Hoe doen ze het toch?, vraag ik me dikwijls af'

Dat ze hier bij het begin van elke werkdag altijd eerst eens komt kijken, zegt Nicole Feys. Ze staat voor De kennel, de keramieken beeldengroep van de Kortrijkse kunstenaar José Vermeersch, en lacht. "Daar word ik echt blij van." Vijf honden, negen mensen, versteend in volle dreiging. "Zo indrukwekkend. En zeggen dat ik als kind bang was voor honden. Het is maar sinds ik er zelf een heb dat die angst verdwenen is."

Prins heet de viervoeter, enthousiast is het discours. Als een volleerde museumgids vertelt Nicole over Vermeersch' warme veldovens, de belichting tijdens de tentoonstelling Bij Ensor op bezoek, en de ontwapenende pracht van kindertekeningen. "Maar als suppoost hoef je helemaal geen liefde voor kunst te hebben. Al is het natuurlijk wel een voordeel."

Meer nog dan haar cinefiele man is Nicole gepassioneerd door kunst. Ze maakt er zelf ook, op de academie van Koksijde, in gebakken klei. "Voor mij is dat zuivere ontspanning, en je krijgt alleen maar meer respect voor de kunstenaars die hier hangen. Hoe doen ze het toch?, vraag ik mij dikwijls af."

Van Constant Permeke en Leon Spilliaert tot James Ensor: de collectie van het Mu.Zee telt klinkende namen. "Ik ga niet snel zeggen dat ik iets niet mooi vind, maar zwijg mij van Ensor. Zijn werk valt nog mee, maar de man zelf stoort mij. Hij had een heel slecht karakter, en daar kan ik onmogelijk sympathie voor hebben."

Suppoost Nicole Feys: halftijds, maar volbloed. "De meeste mensen hebben geen idee wat wij allemaal moeten doen. 'Is het dat maar', zeggen ze dikwijls. Maar suppoost is een heel belangrijke en tegelijk ook zware job. De lichten aanleggen, de installaties aanzetten, controleren of alles proper is, de bezoekers ontvangen, alles in de gaten houden. Ik ben wel eens in musea in Parijs of Londen geweest, en daar zie je de suppoosten de hele dag in een boek lezen. Hier kan dat niet. Dit gebouw was ooit een coöperatieve supermarkt, er zijn te veel hoeken en kanten. Als er volk is, moet ik constant rondwandelen om alles goed te kunnen controleren. Hoogstens kan ik eens in een tijdschrift bladeren. Maar zo verveel ik mij tenminste nooit."

Van een eigen tentoonstelling in het Mu.Zee droomt Nicole niet. Te hoog gegrepen, noemt ze het. "En ik heb niet de behoefte om mijn werk aan andere mensen te tonen."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234