Maandag 14/10/2019

'Kunnen leven met het defect, dát is de kunst'

Misschien is talent toch een kwestie van genen. De vader van Koen Peeters (58) schreef speeches voor paus Johannes XXIII. Een prijs won hij daar niet mee, zijn zoon deed dat nu wel: voor De mensengenezer kreeg hij de ECI Literatuurprijs. 'Als ik niks meer te zeggen heb, ga ik weer schilderen. Of gewoon lezen, zoals iedereen.

Soms brengt deze reeks je naar Sint-Petersburg en soms gewoon bij je buurman. Het zijn 81 stappen die onze voordeuren scheiden en het is zijn boek dat onze levens verbindt. Hij schreef De mensengenezer en hoofdstuk 2 daarvan heet 'Drongen-Heverlee': mijn geboorteplaats en mijn woonplaats, voor één keer mag het éven persoonlijk.

Dichterbij kan een verhaal nooit geleverd worden; het interview ligt om de hoek, 81 stappen dus. Dat is al twintig jaar zo en toch zagen we elkaar nooit eerder. Niet bij Carlo van de krantenwinkel, niet in de Colruyt, niet op straat. De stad kan zo anoniem zijn. Vanuit zijn tuin zie ik die van mij: de herfst moet dringend bijeengeharkt.

In zijn tuin hangen oude straatnaambordjes aan een schuurtje en een nogal hermetisch gedicht van Jorgos Sarantaris, een erfenis uit Watou, aan de achterkant. Hier schiet een scheut van een beuk waar Paul van Ostaijen op uitkeek en achteraan staat een tafeltje met stoel, waarop Koen Peeters het dikke manuscript van De mensengenezer een paar zomers nalas, verbeterde, met koffievlekken besmeurde. Er vielen kersen op, de schilder in de schrijver wreef de vlekken uit, hij tekende erop, schrapte en schreef bij, en straks geeft hij zomaar één pagina van al die versies mee naar huis.

Thuis zullen we lezen, de allereerste zinnen, geschreven op 17 februari 2012: 'Er bestaat wellicht een wezen van de Westhoek. Een demon of een genius, een reus die niet bestaat in een lichaam maar in een corpus van verhalen en daarmee sluipt hij en heerst hij nog altijd in dat West-Vlaamse landschap.'

Met pen is bijgevoegd en geschrapt, bevlekt en doorkruist en wie nu De mensengenezer openklapt, leest dit: 'Het wezen, er bestaat misschien zoiets als het wezen van de Westhoek. Misschien is het een geest, een daimon, een genius, die niet bestaat als lichaam maar toch sluipt en heerst in het West-Vlaamse landschap.'

Zo werkt schrijven en dit is vier jaar werk en het begin van het boek dat de ECI Literatuurprijs won. Nadien kwam het feest, zo de roes, dan een dag signeren op de Boekenbeurs en maandag ging Koen Peeters gewoon weer naar het werk bij KBC in Leuven. Weg van de wolk.

"Natuurlijk is dat vreemd", zegt hij, "maar ik kreeg heel veel complimenten van collega's. Deze ochtend nam ik vrij, maar straks moet ik naar Limburg om ons project 'Get-A-Teacher' voor te stellen aan leerkrachten. Met dat programma willen we financiële geletterdheid promoten op scholen. Zonder dat de naam van de bank valt."

Qua van de wolk vallen en in de realiteit terugkeren, kan dat tellen.

Koen Peeters: "Het is altijd zo geweest, die twee werelden. En ik vond het altijd wel oké. In het begin was ik een zondagsschrijver. Zoals je zondagsschilders hebt, mensen als Facteur Cheval en Rousseau Le Douanier, interessante exoten in de marge van de grote kunst met een oeuvre en een persoonlijkheid. Af en toe valt de vergelijking met Elsschot, ook een man die werkte in een zakelijke omgeving. Maar er zijn er nog: Primo Levi was een chemicus, Franz Kafka zat in de verzekeringen. Dat vind ik nog altijd interessant. Kafka bracht het tot procuratiehouder. In mijn beginjaren bij de bank bestond die titel nog en ik hoopte dus ooit procuratiehouder te kunnen worden. Maar nu is die titel er niet meer. (met een lachje:) Diensthoofd was ook niet slecht.

"Nietzsche zei ooit: 'Als je enkel van je schrijven wil leven, word je gek.' Zei dus de man die gek geworden is. Ik vind het goed om af en toe met je voeten naar beneden getrokken te worden en het is ook goed dat ik twee compleet verschillende dingen doe. Journalist en schrijver, dat lijkt me lastiger. Het geeft me een 'onthechtheid', ik moet er niet van leven. Nooit moet ik denken: als ik dit jaar geen boek heb, is er geen inkomen. Ik kan maken wat ik wil, in de stijl, met de constructie en over de onderwerpen die ik voor ogen heb. Er is alleen discipline nodig. In mijn hoofd zijn het twee gescheiden werelden. Schrijven is zelfs een soort meditatie."

Ooit waren de kinderen klein, liepen door het huis, diezelfde drie kinderen die vorige week het huis met oude plastic verjaardagsvlagjes versierden. Bij thuiskomst van Koen en zijn vrouw uit Amsterdam bereidden ze een feestmaaltijd met oesters als voorgerecht ("mijn vrouw is van de zee"), gehaktballetjes met kriekjes en een crème au beurre-taart. "Een amalgaam", zegt hij, "maar het is mijn lievelingsmaaltijd en het is een mooi portret van mezelf." Maar dus, toen die drie nog rondliepen met pamper en dansend op Samson, schreef hij ook al. 's Avonds na het werk, liever nog vroeg in de ochtend, tussen de drukte. "Misschien was ik toen efficiënter. Als de kinderen naar de watergewenning in het zwembad van Kessel-Lo gingen, benutte ik dat uur in de cafetaria zeer goed."

Snel: "Misschien klinkt dat té heroïsch. Maar ik heb altijd wel iets bij, papier en pen, zo heb ik altijd veel opgeschreven. Maar eind december stop ik toch bij de bank. Dan kan ik me met enkel nog schrijven bezighouden. Deze prijs geeft me toch wel extra mogelijkheden."

'Koen Peeters krijgt eindelijk waar hij al lang recht op heeft: een forse literaire onderscheiding', schreef De Morgen-recensent Dirk Leyman vorige donderdagavond en vrijdag stond dat dus in de krant onder deze titel: 'Koen Peeters haalt dubbel binnen met Congo-roman.' De ECI Literatuurprijs van de jury én de lezersprijs waren van hem. Op de kast staat de trofee. Naast de kast de twee cheques: samen is dat 60.000 euro. De 'eindelijk' van Leyman lees je op het gezicht van de schrijver. "Ik ben heel blij dat dit gelukt is en dat is ook dankzij mijn vrouw. Ik wilde nooit de kunstenaar uithangen. 'Geen confituur op de boterham want papa is schrijver', neen. Mijn schrijven had nooit iets met opoffering te maken. Ik vond dat ik dit moest doen. Ik had de chance dat het kon."

Werd je schrijver? Of was je het altijd? Je debuteerde in '88, toen je al 29 was.

"Ik had voordien wel altijd een dagboekje en ik had slechte gedichten geschreven. Je komt mensen tegen die een wissel verzetten op je treinreis. Een leraar Frans, 'de Goethals' bijvoorbeeld, die we oneerbiedig Laurel noemden omdat hij op Stan Laurel (de dunne van 'De Dikke en de Dunne', RVP) leek. Hij sprak over Ionesco en over Pascal. Een leraar Grieks scherpte mijn taalgevoel aan, door hem raakte ik gefascineerd door woorden. Ik ben geneigd te denken dat je bént en dat je door ontmoetingen met mensen, ik noem ze daimonen, wórdt.

"Onlangs sprak ik op een school in Turnhout voor 18-jarigen en ik was erg onder de indruk van hoe hun toekomst en hun onbestemdheid voor hen uit spatte. Al die keuzes zouden hen kunnen verlammen, maar neen, de goesting en de drive vinden hun weg. Zoals toen ik 18 was. Ik wil niks slechts zeggen over de Kempen, notéér dat, maar toen ik naar Leuven kon gaan studeren, dacht ik toch: 'Wow, ik ga naar Leuven!' Ik woonde in Turnhout, plots kwam ik in een stad met hellingen. De Naamsestraat, dat was een bérg. Het was echt tijd voor een eigen leven. Tijd om mijn vleugels uit te slaan."

Dat lukte?

"We hadden een groepje dat we het IRC noemden: het Independent Research Center. Ons unique sellingpoint was: we wilden beroemd worden in de kunst, de wetenschap of de administratie. (ironisch) Ik ben diep teleurgesteld dat de anderen nooit bekend geworden zijn. Maar voor mij was het de eerste keer dat ik voelde dat je met je maten een wereld kunt spinnen.

"Dat heb ik later vaker gemerkt toen ik aan het Miavoye-project rond Paul van Ostaijen werkte, samen met Koen Broucke, Peter Holvoet-Hanssen en Pascal Verbeken. En nu ben ik samen met Koen al anderhalf jaar elke maand twee dagen in Oostende om er met mensen over Oostende te praten. Daar komt een tentoonstelling in Mu.ZEE van, een speciaal nummer van DW B, een dag in Vrijstaat O. en een boek in 2019. Zoiets voedt me ongelooflijk. Ik ken Nietzsche niet eens goed, maar ik moet hem alweer citeren via zijn 'perspectivisme': 'Je kunt de werkelijkheid niet kennen, alleen door deformatie en door de blik van de anderen kun je proberen begrijpen.'"

'Ergens onderweg', deze reeks, leeft van beweging. Van wandelen, pratend of kijkend, zoekend misschien wel naar dat perspectivisme: door de blik van de andere proberen te zien en begrijpen. Vandaag is die wandeling hier, zo dichtbij, op deze plek en door de kamers van dit huis. Wat hij zijn 'genius loci' noemt: "Je leven is je plek. Toen we dit huis kochten, zei ik: 'Ik wil hier gerust sterven.' Mijn vrouw vond dat erg omdat het zo definitief klonk. Maar voor mij is het een veilige plek. Ik kan van alles naar hier sleuren, naar mijn hol. Mijn tweede boek heet Bezoek onze kelders. Kom maar even mee."

Er liggen bergen karton, netjes uitgesneden op formaat dat je kunt inkaderen, op de ene kant beschilderd met zijn Congo-taferelen. Twee mensenfiguren en daarbij geschreven: 'La danse est très en faveur chez les évolués.' Een 'Gilles Congolais', zwart maar dus uit Binche. Een Sabena-vliegtuig met letters in de lucht: 'Les distances n'existent plus.' In de schrijver zit nog altijd een schilder.

Er liggen ook schilderijtjes van zijn moeder, toeristische plaatjes uit Kasterlee, die ze verkocht.

Twee trappen van donker hout naar omhoog, stappen we zijn schrijfkamer binnen met daarin wandrekken en een bont museum van boeken ("de beste boeken staan beneden en af en toe moet je verticuteren in je collectie, ik heb er dus ook al veel weggedaan"), een hoedje dat hij van Mustafa Kör kreeg, een accordeon, mooi geordende mappen met daarop '1993. De Schrijver' en '2015. Congoreis/Lijsternest'.

Het leven verpakt in papier en fardes, beeldjes met herinneringen en een rij Muji-schriftjes waarin eigenlijk De mensengenezer geboren werd. Want daarin, opvallend egaal geschreven, de weerslag van al zijn gesprekken met oude paters, tussendoor geplakte reissouvenirs, rekeningetjes, wegbeschrijvingen, een getekende kaart van begraafplaatsen in de Westhoek, een overlijdensbericht van een pater ("acht paters met wie ik sprak zijn ondertussen overleden") en een dichtgeplooid papiertje dat op straat in Congo werd gevonden. Het is bekrast met balpen. Vernuftig hoor: de goede kijker herkent, als je het openvouwt, het vrouwelijk schaamdeel. "Een grapje van die jonge gasten, denk ik", zegt de schrijver.

Het indrukwekkendst is een stapel A4-prints, minstens twintig versies typoscript van De mensengenezer, waarin je ziet dat Koen Peeters naast schrijver ook een monnik moet zijn. Al die versies, eerder beschreven, één ervan noemt hij de 'Kerselaareditie', bewerkt toen de kersen dus van de bomen en op zijn papier vielen.

Daartussen moeten deze zinnen staan, later gedrukt op pagina 134 van het prijswinnend boek: 'In Luchteren voetbalden we, of speelden handbal, in een lange kakikleurige broek en een kort jasje. We mochten zwemmen, maar pas na het knielen voor een beeld van de heilige Stanislas. Dat was om verhitting tijdens het spel te vermijden, verklaarde de magister. Op de terugweg, vlak bij het dorpsschooltje, raapte ik een verfrommeld, bekrabbeld papiertje op. Nieuwsgierig vouwde ik het open, ook binnenin was het driftig vol gekrast. Toen ik het verder openvouwde zag ik ineens wat het was: een vrouwelijk geslachtsdeel.'

Alweer verbindt dit boek onze twee levens. In dat dorpsschooltje in Luchteren zat ik als kind, voor het eerst krijgt dit gehucht een plaats in de wereldliteratuur, en de fantasie van de schrijver legde het Congolese papiertje op het pad van de novice op de terugweg naar het klooster in Drongen. En nu vraagt Peeters: "Hebben we eigenlijk al genoeg over De mensengenezer gepraat?"

Dat hebben we niet en dat is een beetje bewust. We willen dit mooie boek hier niet blootleggen. Toch mag u kort weten dat Peeters in dit boek het verhaal schreef van een jongen uit de Westhoek die intreedt bij de jezuïeten, als novice dus naar het klooster in Drongen trekt, later naar Heverlee en nog later naar Congo. En dan terugkeert. Die jongen heet Remi, in het boek, en Renaat Devisch in het echt: het is een verhaal over en van Koen Peeters' vroegere professor antropologie in Leuven.

Hoe blij is hij zelf met De mensengenezer?

"Renaat is erg trots. Het is het verhaal van Renaat, plus ou moins. Alleen Renaat en ik, en zijn vrouw Maria natuurlijk, weten wat waar is. Maar hij is erg trots."

Kun je er zelf de vinger op leggen waarom het boek zo aanslaat en, dus, die prijs won? Niet alleen van de jury, maar ook en misschien nog belangrijker, van de lezers.

"Het is een positief boek, zelfs met een ouderwets happy end. Het gaat over het zoeken wie je bent. Maar het is niet zo evident: Congo, jezuïeten, vroeger.... dat is allemaal absoluut niet sexy. En toch raakt het blijkbaar aan iets waar we allemaal mee zitten. Ik probeer zaken te benoemen die niet te benoemen zijn. Maar misschien klinkt dat iets te zweverig. Ik bedoel: je wordt meegetrokken en je komt langs plekken waar je anders nooit zou komen. Wie ben ik? Wat zijn mijn daimonen? Wat zijn mijn familieverhalen? Hoe resoneren die? Welke trauma's heb ik overgeërfd van mijn ouders? Ik denk dat dit boek een inzicht geeft."

Maar dan vanuit het perspectief van Renaat Devisch. Die je bewonderde?

"Antropologen die ooit les van hem hadden, vertellen daar vandaag met fierheid over. Ik ook. Maar toen besefte ik zijn invloed amper. Ik had ontzag voor die man. Hij boezemde me zelfs wat schrik in. Nu weet ik dat hij eigenlijk amper tien jaar ouder was, maar hij was in Congo geweest en hij zei: 'Je moet naar die verhalen gaan luisteren.' Vaak begreep ik niet wat hij zei. Later ging ik elk boek dat ik schreef in zijn brievenbus in Blanden stoppen. Altijd kreeg ik een vriendelijk briefje terug of een artikel dat hij geschreven had over, bijvoorbeeld, het gynaecologisch ritueel bij de Yaka (een etnische groep in Congo, u leest erover in 'De mensengenezer', RVP). Dan schreef hij: 'Kom eens langs.' Dat durfde ik niet.

"Pas toen ik aan Duizend heuvels (zijn roman uit 2012 over Rwanda, RVP) begon, nam ik weer contact met hem op. En toen hij met pensioen ging, richtte hij met een twaalftal antropologen 'Die Keure' op: een groep die één keer per jaar een hele dag bij Renaat thuis samenkomt. Maria kookt dan lekker voor ons en van 's morgens tot 's avonds vertellen we elkaar wat ons bezighoudt. Marita de Sterck is daarbij, Björn Schmelzer van Graindelavoix ook. Dat zijn echte hoogmissen. Op een van die dagen toonde Renaat zich als de boerenzoon uit de Westhoek die op een eenvoudige manier in de provincie Kwango in Congo had gewoond. Zo is stilaan mijn boek ontstaan."

De mensengenezer telt veertig hoofdstukken, dat is geen toeval: "Het is een knipoog naar de vastentijd. Ik wilde er absoluut veertig. In dat laatste hoofdstuk bedank ik iedereen die een daimon op mijn pad was."

In een interview zei je: 'De mens is een sympathiek defect wezen, getekend door Eros en Thanatos, er is amper progressie mogelijk.'

"Iedereen lacht met Freud, maar ik niet. We worden verscheurd door Eros en Thanatos en door onze sterfelijkheid. Je moet dus op een zinvolle manier met je gebreken leven. De antropologie leert ons hoe in elke cultuur gezocht wordt om daarmee weg te kunnen. Het is overal anders en geen enkele cultuur is perfect, maar de vragen zijn dezelfde: wat doen we met oude mensen, wat doe je met de dood, wat met kwaad en agressie, wat met jaloezie? Over dat laatste, het hartverscheurende effect van jaloezie, wil ik nog meer nadenken. Waarom verdragen we niet dat de zon in de ogen van de ander schijnt?"

Net toen de prijs voor jouw boek in de kranten stond, werd het nieuws beheerst door Bart De Pauw en door amokmakers die in Brussel de kwalificatie van Marokko 'vierden'. Zijn dat voorbeelden van wat je net zegt?

"We gebruiken de vreemdeling vaak om de agressie of het onbehagen in onszelf uit te leggen. Of de andere om onszelf beter te voelen. Vroeger was dat klassiek: Afrika. Bijvoorbeeld het wellustige dat Jef Geeraerts daar dacht te vinden. De zwarte was daarvoor heel gemakkelijk in te schakelen. Maar nu schrikken we als die zwarte medemens iets terugzegt en bijvoorbeeld kritiek geeft op onze Zwarte Piet. Terwijl dat logisch is en het goed is om op zoek te gaan naar een voor iedereen leefbare verhouding.

"De laatste zin van mijn boek is (hij leest ze voor):'Want eenieder zoekt op elk moment van de tijd, op elke plaats ter wereld, zijn eigen duistere raadsels uit.' Wat met die Brusselse Marokkanen gebeurde, heeft daar veel mee te maken. Zoals de Antwerpse voetbalhooligans of de huizen die gekraakt worden door Roma. In die zaak van De Pauw zie je dan weer het geloof in de kracht van woorden. Zowel op de sociale media waar posities worden ingenomen en labels geplakt worden als aan de andere kant, zie je heel performatief taalgebruik. Hoe kun je iemand kleineren, verkrachten of zelfs doodmaken met een sms?"

Bijna raakte zo wel de aandacht voor jouw prijs ondergesneeuwd.

"In het hotel, na de prijsuitreiking, zei Jos Geysels me: 'Koen, het staat al op de sites. Maar las je ook over Bart De Pauw?' Ik zoek de glorie niet. Ik heb nergens recht op."

Maar op die prijs hoopte je wel.

"Het was mijn ambitie, zeker. Alle bescheidenheid is vals. Ik wil belangrijke boeken schrijven en liefst worden ze ook herkend als belangrijk. Ooit zei ik dat ik er vijftien wil schrijven en als ik niks meer te zeggen heb, ga ik weer schilderen. Of gewoon lezen, zoals iedereen. Maar De mensengenezer was boek dertien, mijn boek over Oostende wordt veertien en ik weet nu toch dat ik er wat meer dan vijftien wil.

"Ik had wel een beetje een schrokop-gevoel door zowel de juryprijs als de publieksprijs te winnen. Mocht ik de organisatie zijn, dan zou ik erover nadenken en een manier zoeken om die prijzen te delen. Dat heeft met collegialiteit te maken."

Dat is nobel. Je kunt een deel afstaan!

(lacht) "Misschien klinkt het té nobel, want dat ga ik toch maar niet doen. Maar het zou een soort van distributieve rechtvaardigheid zijn. (glimlacht) Mijn moeder zaliger vond het al fijn dat Nicole en Hugo de Belgische Eurosongfinale wonnen: 'Dan zijn ze toch met twee blij.' We hebben dat zo meegekregen. We waren met vijf kinderen en als we mergpijp aten, verdeelde mijn vader dat mooi in zes gelijke partjes over beschuit. Voor ons vijven en voor hem. Mijn moeder at dat niet."

Zijn ouders weten niet dat Koen Peeters vorige donderdag in Amsterdam op het podium mocht. Allebei zijn ze dood, en dat is sowieso jammer, maar zijn vader Renaat Peeters - die van 1965 tot 1988 CVP-parlementslid was - schreef ook zelf.

"Hij was een half jaar ziek voor hij stierf en hij schreef toen een boek dat Sterren achter wolken heet. In de bloemen (2009) schrijf ik over hem. Hij leefde in de sfeer van paus Johannes XXIII; Dom Hélder Câmara (Braziliaanse bisschop die in de jaren 60 vanwege zijn sociale gevoelens ook wel 'de rode bisschop' werd genoemd en zo ook bij ons naam kreeg, RVP) kwam bij ons thuis logeren als hij in België te gast was.

"Op een dag zat ik bij hem op schoot, rond zijn nek droeg hij de gouden ketting als bisschop van Recife, en ik trok die kapot. Mijn vader liet ze bij de horlogemaker in Gierle repareren, maar Dom Hélder Câmara zei: 'Het is niet erg. Dat ik als bisschop een gouden kruis draag, klopt eigenlijk niet. Ik ga een houten kruis dragen.'

"Mijn moeder had nog zoiets liggen, mijn vader bevestigde er een ring aan zodat het aan een touw rond zijn nek kon hangen en toen hij terugkeerde in Recife zei de bisschop: 'Ik heb het gouden kruis afgelegd.' Mijn vader schreef ooit speeches voor Johannes XXIII. Dat vertelde hij in dat laatste half jaar van zijn leven. Eigenlijk hebben we vooral naast elkaar geleefd en dat is op een of andere manier mijn erfenis."

Die vader en die moeder zitten nu in kleine dingen. Zijn moeder in gedachten, in haar fijne motoriek en in haar opmerking: 'Uw koerke trekt op niks. Wij zullen betalen voor een nieuwe koer.'

"Als ik nu naar mijn terras kijk, denk ik aan mijn moeder. Ik had de gewoonte haar elke zondagavond te bellen. Terwijl we telefoneerden, plukte ik het onkruid van tussen de stenen. Als ik dat nu doe, denk ik altijd aan haar. Het is slechts dat, maar het is fantastisch."

De herinnering aan zijn vader zit in de verhalen van zijn nonkel Jos, maar net zo goed in een barst in een marmeren vloer in het huis. "Toen we het huis pas gekocht hadden, kwam hij wat helpen en ondanks mijn waarschuwing stapte hij op een stuk marmer, waardoor er een barst in kwam. Die barst is er nog en ook dat is een madeleine van Proust: in dat spoor zit een herinnering aan mijn vader. Ik vind het mooi. Een barst is een defect, zoals de mens. Kunnen leven met het defect, dát is de echte kunst."

En dan toont hij zijn echte schatkamer. De kast met boeken die blijven, gekoesterd worden, ontsnappen aan het verticuteren. Zijn collectie 'boeken-gekoppeld-aan-een-stad'. Liefst in de taal van die stad, ook al begrijpt hij ze niet. Hij toont Kadysz za nienarodzone dziecko van Imre Kertész, Cartas de Amor van Fernando Pessoa en İstanbul: Hatıralar ve Şehir van Orhan Pamuk. Die laatste gesigneerd. "Voor Amsterdam was dat moeilijk, want welk boek moet je kiezen en bovendien zijn ze dus in mijn eigen taal geschreven." Iemand bracht hem op dit idee en hij haalt het uit de kast: Das Tagebuch der Anne Frank. "In het Duits, maar het hoort bij Amsterdam." We zien Lieve Joris, Cees Nooteboom, Ivo Michiels, Louis Paul Boon, Kamiel Vanhole, Muhammad Yunus, Georges Perec.

Een avond later gaat de bel en Koen Peeters staat aan de deur met twee boeken. Geen dag zonder lijn, dat hij samen met Bart Janssen en Dirk Zoete maakte over Langs de wegen van Stijn Streuvels. En Miavoye, het boek over Van Ostaijen, gemaakt met Koen Broucke, Peter Holvoet-Hanssen en Pascal Verbeken. Ze zijn gesigneerd, maar vooral kleeft in beide boeken telkens een gedroogd blaadje. Met ook een opdracht. 'Hoe Stijn Streuvels aanraken', lees je en onder dat gedroogde blad de uitleg: 'Blaadje van esdoorn, boom in tuin van Stijn Streuvels.' Bij Miavoye hetzelfde: 'Hoe Paul van Ostaijen aanraken? Blaadje van rode beuk, scheutje van de boom op p. 106.'

Dat is Koen Peeters. In zijn tuin en in zijn huis: dit zijn de museumzalen waar hij de hele wereld naartoe sleept. Slechts 81 stappen ver.

Koen Peeters,

De mensengenezer, De Bezige Bij, 256 p., 19,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234