Donderdag 28/05/2020

Kroostrijk is vaak kansarm

Armoede bestrijd je niet enkel met economische groei. Centra voor familieplanning zijn al even belangrijk: geef armen de keuze en ze hebben minder kinderen en dus meer middelen om het hele gezin vooruit te helpen. Tenminste, dat is een van de conclusies van het jaarrapport van het VN-bevolkingsfonds UNFPA, dat vandaag verschijnt.

Brussel

Eigen berichtgeving

Catherine Vuylsteke

Als de internationale gemeenschap de Millennium-Ontwikkelingsdoelstellingen wil halen, die ze zo nobel heeft vastgelegd, moet er dringend meer aandacht worden besteed aan bevolkingsvraagstukken. Met andere woorden: als we de wereldarmoede willen halveren tegen 2015, het aantal kraambedsterftes en overhaast overlijdende baby's willen indijken en vooruitgang willen boeken op het vlak van ecologie, gendergelijkheid en de strijd tegen aids, moet flink meer worden geïnvesteerd in familieplanning.

Dat die planning vruchten afwerpt, zo staat in het State of the World Population 2002, weten we zeker: ze waren tussen 1972 en 1994 goed voor een fertiliteitsdaling van bijna 30 procent. Immers, als arme mensen de keuze hebben, en dus toegang tot familieplanningsbureaus, dan hebben ze minder kinderen dan hun ouders. Het effect daarvan beperkt zich niet tot het microniveau. Neem een land als Brazilië, waar langdurige inspanningen zijn geleverd op het vlak van reproductieve gezondheid. De dalende fertiliteit, zo becijferden experts, sorteerde een extra jaarlijkse groei van het bnp per capita van maar liefst O,7 procent.

Toch blijft de kloof tussen de rijksten en de armsten wereldwijd groeien: verhield het inkomen van de rijkste 20 procent van de wereldbevolking zich in 1960 tot dat van het armste vijfde met 30 tegen 1, dan was dat al 78 tegen 1 in 1994. Vijf jaar later was dat ietsje gedaald: tot 74 tegen 1. En het slechte nieuws is dat het de rangen der armen zijn die aanzwellen: rijk is zelden synoniem voor kroostrijk. Het is dan ook in de ontwikkelingslanden dat de bevolking sinds 1955 verdrievoudigd is, en het is eveneens daar waar ze dat in de komende halve eeuw andermaal zal doen.

Armoede, zo blijkt uit ander onderzoek, heeft niet alleen met inkomen of economische groei te maken, maar ook erg vaak met slechte gezondheid. Het is ziekte, de daarmee gepaarde gaande medische kosten en de onmogelijkheid tot economische activiteit die op zich al niet echt bemiddelde gezinnen de totale misère instorten. In de armste landen is de levensverwachting nauwelijks vijftig, terwijl wie in de rijke landen voor zijn 77ste sterft, onder het nationale demografische gemiddelde zit. De cijfers voor kinderen zijn nog schrijnender: een op de tien kinderen haalt in de armste regio's niet eens zijn eerste verjaardag.

Ziekte heeft voor vrouwen erg vaak met reproductieve gezondheid te maken: dat geldt voor een op vijf in de ontwikkelingslanden in het algemeen en voor niet minder dan vier op tien in zwart Afrika. In die laatste regio is de kans om te sterven tijdens de zwangerschap of in het kraambed overigens zeshonderd keer groter dan in bijvoorbeeld België. Het zal dan ook niet verwonderen dat de armste landen slechts 21 dollar per inwoner per jaar aan gezondheidszorg spenderen, en dan nog veelal aan duurdere curatieve dan aan goedkopere preventieve zorgen. Volgens experts van de Wereldbank is een extra investering van dertig miljard dollar per jaar nodig, fondsen die prioritair ook naar reproductieve gezondheidszorg moeten gaan.

Een ander belangrijk punt is het dichten van de genderkloof. Oost-Azië deed dat op het vlak van onderwijs in de jaren zestig. Als Zuid-Azië (India, Pakistan, Bangladesh, Nepal en Sri Lanka) en zwart Afrika hetzelfde hadden gedaan, dan zouden hun economieën jaarlijks met respectievelijk 1,7 en 0,5 tot 0,9 procent meer zijn gegroeid, aldus de rapportschrijvers. Er is een duidelijk verband, zo blijkt uit ander onderzoek, tussen de jaren die meisjes op de schoolbanken slijten en het aantal kinderen die ze hebben, en ook met het aantal zonen en dochters die overleven. Een extra meisjesjaar op school sorteert een kwart tot een derde kind minder. En als de kans dat dochters naar school worden gestuurd maar half zo groot is als die van hun broers, dan sterven er gemiddeld 21 baby's per duizend meer dan in landen waar die genderkloof niet bestaat.

Meisjesonderwijs heeft overigens nog een ander voordeel: geletterde moeders vinden het belangrijker dat hun kinderen schoollopen dan ongeletterde. Er is dus een generatie-overschrijdend effect. Ten slotte is er ook nog de relatie tussen geletterde en dus straks buitenshuis werkende meisjes/vrouwen en het deel van het gezinswerk dat tot hun taak wordt beschouwd. Niet geschoolde vrouwen werken meer uren per dag dan geschoolde, terwijl ze tegelijk veel meer onbetaalde arbeid presteren. Onzichtbare arbeid is dat, in ontwikkelingslanden goed voor driekwart van het totaal, en geenszins gevaloriseerd. "Aangezien ouders dochters vaak niet als kostwinners zien, investeren ze vaak niet in hun onderricht. Zo maken ze de weg vrij voor een leven in armoede."

VN-rapport plaatst gezinsplanning hoog op de agenda

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234