Vrijdag 07/05/2021

Kroniek van de oorlog onder magistraten

Ze zijn elkaars absolute tegenpolen, zowel karakterieel als in hun visie op het dossier-Dutroux. Lange tijd konden ze het geruzie verborgen houden voor de aandachtige buitenwereld, maar straks staan ook procureur Bourlet en onderzoeksrechter Langlois tegenover elkaar.

DOUGLAS DE CONINCK

Hij was voorkomend, galant en bescheiden. Hij liet geen gelegenheid onbenut om zijn voorganger te loven voor het geleverde werk en plechtig te beloven dat hij op dezelfde lijn door zou gaan. Hij had wel enkele eigenzinnigheden, eigen wellicht aan het aartsconservatieve katholieke Luxemburgse milieu waar hij uit stamt. Eddy Suys ondervond dat tijdens een van die eerste vergaderingen in Neufchâteau. Suys is een politieman die ooit tot ver buiten onze grenzen faam verwierf door het ontmantelen van een Colombiaans drugskartel en was nu bij het onderzoek betrokken als coördinator van de speurderscel Obelix, die de rol van Michel Nihoul moest uitvlooien.

Suys is een Gentenaar en een onverbeterlijke babbelaar.

Hij kreeg een standje en moest beloven het nooit meer te doen. Het feit dat hij tot net voor het begin van de vergadering in een andere taal dan die van Molière een mop had zitten vertellen aan een andere politieman werd door monsieur le juge ervaren als een grove belediging.

Voor de buitenwereld bleef Jacques Langlois lange tijd onzichtbaar. De feitelijke leider van het onderzoek, zo klonk de perceptie, lag in handen van de man van het eerste uur, procureur Michel Bourlet. Zo op het eerste gezicht was er sinds het spaghettiarrest en het naar de achtergrond verdwijnen van Jean-Marc Connerotte in Neufchâteau ook niet zo gek veel veranderd. Men bleef met een tomeloze ijver graven, wroeten en ondervragen. Op het oude mijnterrein in Jumet begonnen de graafmachines aan een gooi naar het wereldrecord kinderlijken ontdekken. Het was, bleek achteraf, de meest ridicule onderneming ooit, waarover pas veel later bleek dat Connerotte ze al bij voorbaat in de map "niet doen" had opgeborgen.

Idem dito voor de fel gemediatiseerde belegering van dat rijtjeshuis in Forchies-la-Marche waar twee "satanische" hobbyisten de vzw Abrasax hadden gehuisvest.

Het leek al die tijd alsof de nuchtere mijnheer Langlois erbij stond en passief toekeek, terwijl een door de zoektocht naar netwerken verblinde Bourlet en enkele speurders hem van terrein naar terrein loodsten. Maar dat was niet zo. Het waren zijn keuzes, zijn prioriteiten. Het was Langlois die die twee sporen urgenter achtte dan alle andere. Het was Bourlet die erbij stond en toekeek.

Je vindt in het dossier weinig sporen terug van de stilte voor de storm. Bourlet en Langlois communiceerden in dat eerste jaar nog niet per nota. Ze spraken met elkaar, vergaderden. In het justitiepaleis te Neufchâteau leek weinig anders te zijn dan elders. In principe hoort de openbare aanklager, de procureur, ten dienste van de samenleving de stuwende kracht te zijn in het onderzoek. De onderzoeksrechter hoort een scheidsrechter te zijn, een neutrale magistraat die zowel naar de aanklager als naar de verdachten luistert en net zo goed à decharge speurt als à charge. In de dagelijkse praktijk zijn het twee mensen die aan hetzelfde zeel trekken.

Langlois liet van in den beginne duidelijk blijken dat hij zich heel erg bewust was van de loodzware verantwoordelijkheid die op hem rustte. Terwijl Connerotte ouders van vermoorde of vermiste kinderen had ontmoet - niet alleen tijdens het fatale spaghetti-etentje, maar ook in zijn kabinet - meed Langlois dergelijke contacten. Het zou helemaal te dol worden als ook hij een uitschuiver maakte. Enkele ouders zouden het hem later verwijten, zeker toen ze de advocaten van Dutroux en Nihoul bij herhaling Langlois hoorden ophemelen als "een grote mijnheer en een hele grote magistraat".

Het eerste incident - al werd het toen nog meningsverschil genoemd - deed zich voor in de dolle maand december 1996, de episode van Abrasax en Jumet. Vanuit Charleroi kwam een vertrouwelijk rapport binnengewaaid over iets dat in de vroege ochtend van 5 december gebeurd was op een parking langs de A54-autosnelweg in Luttre. Daar was bordeelhouder Michel Piro (50) in pure maffiastijl geëxecuteerd. Piro gold als een van de koningen van het nachtleven in Charleroi en bezat diverse clubs en bordelen. In het rapport stond: 'Onze informant signaleert dat Michel Piro enkele dagen voor zijn dood zou hebben gezegd dat hij alles wat hij wist over het dossier Julie en Mélissa zou verklikken tijdens een maaltijd die hij zou organiseren.' (1)

Hm, dacht Bourlet, even een telefoontje plegen. Hij kwam te weten dat Piro eind november inderdaad de familie van de vermoorde Lejeune had gecontacteerd met het aanbod voor een soort benefietmaaltijd in zijn restaurant l'Arche de Noë. Hij had daarbij duidelijk laten verstaan dat hij "des révélations à faire" had. Even later bleek dat Piro daags voor de arrestatie van Marc Dutroux, bijna gelijktijdig met het tijdstip waarop Neufchâteau besloot in actie te komen, vijf keer had gebeld met politie, gerechtelijke politie en rijkswacht in Charleroi. Marc Dutroux, Michel Lelièvre, Bernard Weinstein, Michaël Diakostavrianos en ook Michel Nihoul bleken geregelde klanten te zijn in een van zijn bars. Dit is het, dacht Bourlet. Hét spoor. Gezien het algemene klimaat, toen, was het een procedureel fluitje van een cent om dat hele dossier even naar Neufchtâteau te laten overhevelen, zodat men daar in plaats van in het dubieuze Charleroi de moord verder zou onderzoeken.

Dat gaat zomaar niet, zei Langlois, keurig artikelen uit het strafwetboek citerend die melden dat elk misdrijf dient onderzocht binnen het gerechtelijke arrondissement waar het plaats heeft gevonden. "Wáág het niet om in uw gazet te schrijven dat de onderzoeksrechter en de procureur er een verschillende visie op na houden", bezwoer een speurder deze krant in die dagen.

Het was de tijd waarin politoloog Luc Huyse 'De Neufchâteau-norm' schreef. Wat uit die hoek kwam, was per definitie goed. De speurders en magistraten wilden dat zo houden.

Het werd 1997, het werd zomer 1997. Een van de anonieme getuigen, Nathalie W., was ontmaskerd als dader van de aanslag op haar leven waarover ze een klacht had ingediend. "Waar zijn we mee bezig", vroeg Langlois zich steeds openlijker af. Hij begon zich vragen te stellen over die andere anonieme getuigen, X1, X2, X3, X4, en liet speurders die nooit bij hun marathonverhoren waren dossiers "herlezen" en - dat was de term - "objectiveren".

Het eindigde binnen de Brusselse rijkswacht in een interne oorlog waar zelfs die met de concurrenten van de gerechtelijke politie niet aan kon tippen. Pas vele jaren later zou blijken dat dat "herlezen" inhield dat slachtoffers op grond van vervalste stukken werden geridiculiseerd.

Langlois bleef er nuchter bij. Schreef op vraag van Bourlet een brief om te protesteren tegen het wegsturen van het team van BOB-adjudant Patriek De Baets, een beslissing waarvan achteraf bleek dat hij die in nota's aan anderen ten volle had gesteund.

Het wordt 12 september 1997. Bij het verlaten van het justitiepaleis, iets voor vijven in de vooravond, botst Bourlet tegen een journalist van het Franstalige weekblad Le Soir Illustré aan. Dat is jarenlang zijn favoriete lectuur geweest. Hij kent de journalist goed. In zijn ogen is het een van de weinigen die het dossier-Cools beheerst en die hem en Connerotte ook voluit hebben gesteund in hun legendarische oorlog met het parket in Luik.

De journalist zegt iets over een dossierstuk dat adjudant De Baets in de zaak-X1 achterhield en zijn verwijdering zou wettigen. Niks van aan, zegt Bourlet: "Dat is een misverstand, kom even mee." Hij laat het journalist het proces-verbaal zien waarvan die daarnet nog beweerde dat het niet bestond.

Maar hoe komt die journalist, die goede vriend van vroeger, hier plots binnengewandeld zonder mij even te bellen? Bourlet wandelt verder en hoort stemmen in een ruimte op de gelijkvloerse tussenverdieping. Daar ziet hij Jacques Langlois rond de tafel zitten met nog een journalist van Le Soir Illustré en één van het RTBF-magazine Au Nom de la Loi. Mee aan tafel zit ook de operationele leider van het onderzoek, majoor Guissard. Vijf dagen later begrijpt Bourlet waarover is vergaderd. Au Nom de la loi zendt een megadocumentaire uit waarin Nathalie W. publiekelijk wordt ontmaskerd en waarin wordt "bewezen" dat Nihoul onschuldig is aan enige betrokkenheid bij de ontvoering van Laetitia Delhez.

Hoogst vervelende zaak. In de documentaire zijn de advocaten van Nihoul erg uitgebreid aan het woord gekomen. Er zijn stukken uit het normaliter hypergeheime strafdossier getoond op televisie. Als iemand dit te weten komt, pakweg de ouders van een van de vermoorde kinderen, dan bestaat het risico dat ze revanche willen voor wat Connerotte is overkomen en óók naar Cassatie stappen. Langlois weg. Weer een nieuwe onderzoeksrechter dan? Te gek voor woorden. Bourlet besluit wijselijk te zwijgen. Pas drie jaar later kan hij zich niet bedwingen en stelt hij een nota op over de bewuste vergadering: 'Als persmagistraat was ik niet op de hoogte van en (alweer) niet uitgenodigd op de vergadering.' (2)

Daags na de uitzending krijgt Bourlet telefoon van een heel erg boze mevrouw. Ze heet Jenny Van Oost, ze is als zijnde volkomen ongeloofwaardig te kakken gezet in Au Nom de la loi en blijft erbij dat zij Michel Nihoul op 9 augustus 1996, de dag van de ontvoering van Laetitia Delhez, gezien heeft in Bertrix. "Ik weet het nog goed, mijnheer de procureur. Dat was de dag van de avondmarkt in Rochehaut, waar we toen nog naartoe zijn gegaan."

Michel Bourlet verbleekt. Alles lijkt plots duidelijk. Hij kent de streek. Die avondmarkt was op 8 augustus, niet op 9 augustus. Tal van puzzelstukken vallen op hun plaats. Want Nihoul kan, te oordelen naar tal van getuigenissen en verificatie van zijn telefoonverkeer op 9 augustus onmogelijk in Bertrix zijn geweest. Ook de badmeester in Bertrix heeft Nihoul op 8 augustus gezien en nog een hele resem andere getuigen. Maar er is een probleem. Langlois heeft zich ten volle geëngageerd, ook naar buitenuit inmiddels, om Nihoul vrij te pleiten. Met zichtbare tegenzin laat hij een paar verificaties verrichten en belt hij deze krant met het "bevel" niets te publiceren over de herdatering van de getuigenissen tegen Nihoul.

Chaotische tijden. Langlois is boos op De Morgen, omdat de krant niet naar zijn bevelen luistert en bovendien in een dubbelportret van hem en Connerotte iets geschreven heeft over hun beider klederdracht: "Wat is er mis met mijn broek? Is het uw gewoonte om de professionele kwaliteiten van mensen te beoordelen op basis van vestimentaire aspecten?" Wie had De Morgen trouwens aan al die informatie geholpen over Nihoul? Het onderlinge wantrouwen was hoorbaar en er was nog járen onderzoek te gaan.

Bourlet en Connerotte hebben, voor zover bekend, geen politiek verleden. Langlois wel. Vier jaar voor de jurist als magistraat wordt benoemd, is hij nog voorzitter van de PSC-afdeling in Virton en oppositieleider in zijn gemeente Etalle. Hij wordt daar gezien als de poulain van de ultra-, om niet te zeggen extreem-, rechtse oud-minister van Binnenlandse Zaken Joseph Michel.

Er zat een politieke connectie aan het dossier-Dutroux. Nihoul. Zij het dan dat die, naargelang de wind, in de jaren zeventig en tachtig tegen ongeveer elke politie partij aanschurkte als er gunsten of voordeeltjes te rapen vielen. Een politieman of een magistraat die niet uit dat wereldje komt, vindt het doorgaans razend spannend om naar politieke geheimen te gaan speuren. Langlois niet. Hij weet dat Nihoul ooit electorale campagnes organiseerde voor de Cepic-vrienden van de man die hem benoemde. Niet relevant, vindt hij.

Na een nieuw conflict is Suys opgestapt. Commissaris Drisket, de leider van de cel-Obelix, krijgt het verbod om nog verder te graven in het politieke verleden van Nihoul. In zijn rapporten heeft Raymond Drisket hele theorieën ontwikkeld over de samenhang tussen alles wat Nihoul in zijn leven ooit deed, tot de samenwerking met Dutroux toe. Mag niet meer, zo beslist Langlois. Eerst bewijzen dat Nihoul een kinderontvoerder is. Daarna zien we wel verder.

Het praten houdt stilaan op. Telkens als commissaris Drisket nog wat wil onderzoeken, stapt hij het bureau van Bourlet binnen. Die stelt dan een soort requisitoir op waarin hij in het belang van de samenleving eist dat deze of gene persoon wordt ondervraagd. Wat later kan Drisket dan langs bij Langlois, die bij wet verplicht is om gehoor te geven aan de wens van het openbaar ministerie, maar die wel het recht heeft om zo'n verzoek een paar dagen of weken in zijn lade te laten zitten. Zo komt het dat diverse mensen pas in 1998 of 1999 zijn getrakteerd op vragen als: "Kunt u zich herinneren of u de heer Michel Nihoul gezien hebt in de namiddag van 8 augustus 1996?"

Er wordt gaandeweg helemaal niet meer gepraat. Beide kampen hebben zich vastgereden in hun stellingen. Bourlet bestookt de onderzoeksrechter met lange nota's vol vragen. Hij schrijft bot, houterig, soms met een zekere agressie in de woordkeuze. Hij krijgt na enkele dagen veel langere nota's terug, vol heerlijke volzinnen en redeneringen, meestal eindigend met: 'Verdere verificaties hebben ons niet toegelaten de beweringen van getuige (...) te ontkennen of bevestigen.' Of: 'Deze vaststellingen zijn niet van aard de beweringen van Marc Dutroux tegen te spreken.'

Langlois is een ernstig en diepgelovig man. Hij is van mening dat als iemand iets zegt, hij niet liegt. Ook niet als de naam Marc Dutroux of Michelle Martin is. Het dossier-Dutroux is het allereerste dossier van betekenis waar hij als onderzoeksrechter verantwoordelijkheid voor draagt. Hij heeft in dit metier geen enkele ervaring, tenzij de ervaring die hij na 14 oktober 1996 opdeed.

"Hij redeneert als een rechter, wat hij in wezen altijd gebleven is", zegt een speurder. "Vrij passief. Leg mij de bewijzen voor en dan zal ik oordelen. Die stijl. Hij heeft niet die spirit van Connerotte, die 's nachts wakker ligt als er iets is wat hij niet begrijpt. Hij heeft niet die reflex om verder te denken. Dat is de ware oorzaak van de oorlog met Bourlet."

Een oorlog waarvan niemand kan zeggen of er eigenlijk wel wat te winnen viel, laat staan wie gewonnen heeft. Bourlet kropte zijn woede op tot 22 februari 2001, toen hij via een speciale procedure bij de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) in Luik een lijst met dertig cruciale mankementen in het onderzoek blootlegde. Als troostprijs kreeg hij het dossier-bis, het tweede Dutroux-onderzoek, waarin wordt gezocht naar eventuele medeplichtigen en waarbij allereerst wordt gestart met het in labs laten onderzoeken van 6.000 haartjes die vanaf 15 augustus 1996 in de kinderkooi, het huis en de ontvoeringsauto's van Dutroux terug zijn gevonden. Haartjes, waarover Bourlet in de loop der jaren talloze nota's heeft geschreven. Hoe lang denkt monsieur le juge die nog in de kast te laten liggen? Haartjes, waarvoor destijds een heel team van de gerechtelijke politie van Namen is opgetrommeld en die 6.000 kleine plastic zakjes moest laten overkomen.

Dossier-Dutroux afsluiten, zo besloot de KI. En al wat we nog niet hebben gedaan, doen we in het dossier-bis. Langlois won. Maar ook Bourlet won. Terwijl Langlois, bijna in de rol van diens supplementaire advocaat, Nihoul had vrijgepleit voor de raadkamer in Neufchâteau, verwees de KI in Luik hem op 30 april 2003 door naar het assisenhof.

Bourlet en Langlois hebben zich voorgenomen om het daar tijdens hun optredens - de een als aanklager, de ander als getuige - netjes en sereen te houden. Want elk woord dat ze in de assisenzaal uitspreken, zal worden gewikt en gewogen. Het is per slot van rekening lang geleden dat beide magistraten nog eens met elkaar spraken over het dossier-Dutroux.

(1) Rapport, BOB Charleroi, 16 december 1996, pv 100.536.

(2) Brief procureur Bourlet aan advocaat Braun, 12 januari 2000.

'Langlois heeft niet die spirit van Connerotte, die 's nachts wakker ligt als er iets is wat hij niet begrijpt. Hij heeft niet die reflex om verder te denken. Dat is de ware oorzaak van de oorlog met Bourlet'

Procureur Michel Bourlet: de man van het eerste uur, toen alles mogelijk kon worden geacht. (Foto's Reuters)Onderzoeksrechter Jacques Langlois: de wandelende sereniteit die ook zijn 'spaghettimoment' had maar buiten schot bleef.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234