Zaterdag 08/08/2020

Kroeglopen tussen wal en schip

Van hard werken krijgt men dorst. Dokwerkers werken hard en hebben dus grote dorst. Een koffie met borrel voor de vroege shift, een pint of vijf tijdens de schaft, het hoort bij de Antwerpse havenfolklore. De traditie wordt echter van alle kanten belaagd. Politie jaagt onverbiddelijk op zondaars, de nieuwe generatie havenarbeiders zoekt haar heil buiten de kroeg. Bloteborstenshows konden het tij niet keren, het aantal havencafés krimpt nog sneller dan het aantal dokwerkers. Onze maritieme kroegentocht draaide uit op een zoektocht naar de speld in de hooiberg. Niet dat er aan de dokken dorst wordt geleden. 'Een echte dokwerker vindt overal een café, desnoods in het midden van de woestijn.'

Erik Raspoet

Foto's Stephan Vanfleteren

Twaalf uur 's middags, we zitten in de Gaarkeuken. Met stijgende verbazing observeer ik het consumptiegedrag van mijn overbuurman. Hij is gekleed in een oranje overall en zit verdiept in de sportpagina's van de maandagkrant. Werktuiglijk speelt hij zijn lunch naar binnen. Soep en brood doorgespoeld met dubbele trappist, sterk de maag die zo'n bezoeking verdraagt. Het peil in het dikbuikige glas is onrustbarend geslonken. Zonder van zijn voetbalpagina op te kijken steekt de oranje overall zijn hand op, zoals een renner die een lekke band heeft in de Tour de France. Assistentie laat op zich wachten, want de twee serveersters weten niet waar eerst hulp te bieden. Soep, uitsmijters, spek en eieren, pinten, koffie met of zonder borrel, de bestellingen worden in telegramstijl naar toog en keuken geseind. De schafttijd voor de ochtendploeg is in volle gang, de Gaarkeuken draait op kruissnelheid. Op de parking knerpen autobanden in het grind. Handremmen worden haastig opgetrokken, portieren dichtgegooid, de laatkomers stormen onder het schreeuwen van hun verlanglijstje de gelagzaal binnen. Het moet vooruitgaan, willen ze nog wat achter de kiezen krijgen, tenslotte duurt de schaft maar een half uurtje. Pintjes, pintjes, pintjes, hoe lager de grote wijzer reikt, hoe wanhopiger de smeekbeden klinken. Even snel als de invasie begonnen is, is ze weer voorbij. "Dokwerkers", zegt de serveerster als na de rush de rust weerkeert. "Zoals die om een pint kunnen zagen. Alsof het hun allerlaatste is, telkens weer."

De Gaarkeuken is een schitterend etablissement. Van buiten lijkt het op een stationsgebouw, opgetrokken in de neogotische stijl die begin vorige eeuw opgang maakte. Het interieur ademt authenticiteit, van de houten lambrisering over de uitgesleten vloer tot de robuuste urinoirs. Ook de naam is authentiek. Het pand uit 1913 werd door de Antwerpse havenautoriteiten gebouwd als schuilplaats. Havenarbeiders konden er zich bij de kachel warmen onder het genot van een kom soep of een kop koffie. Jenever of bier echter waren uit den boze, want de gaarkeukens werden precies opgericht om de dokwerkers uit de klauwen van de alcoholduivel te houden. Historicus Karel Van Isacker heeft het uitvoerig beschreven: de ontvoogdingsstrijd van de Antwerpse havenarbeiders is in geestrijk vocht gedrenkt. Dokwerkers waren - en zijn nog steeds - dagloners. Tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werden ze op café aangeworven. De misbruiken waren legio, want de cafés werden uitgebaat door dezelfde stouwersbazen die naar eigen goeddunken het werk konden verdelen. Wie niet genoeg verteerde of wie zich in een concurrerend café liet betrappen, kon fluiten naar werk, een ramp in tijden zonder sociale zekerheid. De schamele lonen werden ook al op café uitbetaald, niet zelden in de vorm van jenever. Het heeft de nog jonge vakbonden veel moeite gekost om die wantoestanden aan banden te leggen.

Een doorbraak was de wet-Renkin van 1897, die het 'zuipen voor werk'-systeem verbood. Bovendien kwam er een verbod op het leuren met jenever aan de kade. Maar de misbruiken vielen niet met een paar pennentrekken uit de wereld te helpen. Na het verbod op jeneverleuren schakelden de veelal vrouwelijke drankventers op onschuldig dropwater over. Het was echter een publiek geheim dat die 'cocoleursters' onder hun wijde rokken ook een fles oude klare verborgen hielden. Pastoors en socialisten mochten preken zoveel ze wilden, wetgevers mochten beperkende maatregelen treffen zoveel ze konden, aan de kade bleef de drank rijkelijk vloeien. Het aantal cafés moet in die dagen formidabel zijn geweest. Karel Van Isacker schetst ons de verbazing van postbeambte en stadschroniqueur Gust Hendrickx, wanneer die in 1904 een kroegentelling houdt aan de Rijnkaai. Langs die kade, toen nog het kloppende hart van de haven, stonden vijfentwintig huizen. Een ervan was in twee opgesplitst, en zo sloeg de teller tilt op zesentwintig kroegen.

Anno 1914 was Antwerpen nog een relatief kleine haven. Laden, lossen en opslaan gebeurde op en rond het Eilandje, op een kwartiertje stappen van de kathedraal. Tegenwoordig pendelt Antwerpen tussen de vierde en de vijfde plaats op de hitparade van de wereldhavens. Aan de Rijnkaai worden allang geen schepen meer gelost, en ook de kathedraal is helemaal uit beeld verdwenen. De haven heeft zich als een olievlek verbreid, ze beslaat nu een imperium van 14.000 hectare. Maar drinken wordt er nog altijd gedaan, al moet je de havencafés tegenwoordig met het vergrootglas tussen de loodsen en containers zoeken. De tooghangers van de Gaarkeuken vullen elkaar aan. Hoezeer ze ook hun hersenen pijnigen, verder dan zeven havenkroegen komen ze niet. De namen worden te onzer gerieve op een bierviltje genoteerd, met het bijbehorende kadenummer dat de sleutel vormt om het havenlabyrint te ontcijferen.

De eerste etappe is makkelijk zat. Den 142, naam en kadenummer vallen mooi samen. Den 142 is een hoekig bouwsel, genre duivenlokaal op het platteland. Ook hier was vroeger een gaarkeuken, van het gemengde type nog wel. Palend aan het alcoholvrije wachtlokaal werd mettertijd een café geopend. Een staaltje van Belgische halfslachtigheid? Ach, misschien was het vaderlands pragmatisme. Tegen de geest van de bierfles, zo had men ondervonden, was toch geen kruid gewassen. Iedereen wist bijvoorbeeld dat de alcohol ook in de 'zuivere' gaarkeukens vlot stroomde, onder de toog weliswaar. Alleen het café heeft de tand des tijds weerstaan. De muren zijn in een niet te benoemen zandkleur geschilderd, een forse kachelpijp loopt schuin over de hele breedte van het plafond. Schaars zijn de blikvangers in dit kale decor. Achter de toog prijkt de wisselbeker bowling van het Vlaams Blok, aan het raam hangt een zelfklever met opkrullende randen van Martini, uit de tijd toen de Apollo koers zette naar de maan en Eddy Merckx de kwaliteiten van Resi-frietvet aanprees.

Het is halftwee, een klein, gemengd publiek koestert zich in de luwte van de vroege namiddag. Havenarbeiders in overall, bureaumannen in kostuum, een politieagent die zijn motor opvallend discreet heeft gestald, ze kennen elkaar allemaal bij de voornaam. De Robert komt binnen. Hij is waterklerk van beroep, zegt hij, maar dat wil niet zeggen dat hij ook water drinkt. Quod erat demonstrandum, zoals ze in Antwerpen zeggen. Twee mannen klinken op het feit dat ze hun ochtendshift met een half uur hebben kunnen inkorten. De boot was af, dus konden ze eerder naar het café, waar ze een collega plagen die zich moed komt indrinken voor zijn late shift. Ze werken alledrie voor de Fruitnatie. Vast, al moeten we daar meteen een kanttekening bij maken. Havenarbeiders vallen onder een uniek statuut, vastgelegd in de wet-Major uit 1972. Niet eender wie mag schepen laden en lossen in Antwerpen, dat monopolie is toevertrouwd aan een pool van erkende havenarbeiders. De zowat zesduizendvijfhonderd aangesloten dagloners kunnen alleen per shift worden ingehuurd door naties, expeditiebedrijven en andere shiphandlers. Erkenning en betaling verlopen via de zogenaamde Cepa, de Centrale der Werkgevers aan de Haven van Antwerpen, een organisme waarin zowel werkgevers, vakbonden als havenautoriteiten zitten. Het inhuren per shift is vaak theorie, want heel wat dokwerkers, kraanmannen en chauffeurs worden dag na dag door dezelfde werkgever geboekt, soms jarenlang. 'Vaste mannen' heten die in het jargon. De voordelen van het systeem liggen voor de hand. Dankzij de pool kunnen de shiphandlers hun personeelsbestand haarfijn afstemmen op de wisselende haventrafiek. De grootste voorstanders van het systeem zijn echter de havenarbeiders zelf, die dankzij het statuut aan de ijzeren greep van de markteconomie ontsnappen. Ze werken tegen vaste loonbarema's, en bij technische werkloosheid betaalt Cepa een forse premie bovenop hun uitkering. Maar vooral: als dagloners met gewaarborgd inkomen genieten ze een gevoel van vrijheid waaraan geen enkele patroon kan tornen. Het hele systeem staat echter onder zware druk van de Europese Commissie, vraag het maar aan Jantje Van Heulen. "Die Spaanse trut van de Europese Commissie wil ons kapotmaken", foetert de dokwerker terwijl hij zijn bierglas met een klap op de toog zet. "Als het aan haar ligt, worden de schepen in Antwerpen binnenkort door Chinezen en Filippino's gelost. Goedkoper, denken ze, maar daar vergissen ze zich in. Vertragingen en ongevallen, dat zullen ze krijgen." Loyola de Palacio heet de Spaanse trut volgens de burgerlijke stand. Als Europees commissaris voor Transport en Energie heeft ze inderdaad gezworen de laatste restanten van het gildensysteem uit de Europese havens te zullen verbannen. Het dossier is niet alleen hot aan de toog van Den 142. Op 7 juni ging de Antwerpse haven al eens 24 uur plat uit protest tegen de Europese plannen. Misschien komen er binnenkort nog hardere acties. In het Europees Parlement wordt momenteel over de kwestie momenteel zwaar gelobbyd. De tijd dringt, want in maart volgend jaar moet de beslissing over de liberalisering van de havendiensten vallen.

Filippino's, die komen hier af en toe wel over de vloer. "Om teleponkaarten te kopen", meesmuilt Josephine. "Die mannen kunnen de f niet uitspreken. Drinken kunnen ze trouwens ook niet. Meestal stappen ze direct weer buiten, want wij verkopen hier geen teleponkaarten."

Josephine en Gène, ze zijn in de haven al even beroemd als het café dat ze samen uitbaten. Zij rookt de ene Marlboro na de andere, hij zweert bij Johnson zonder filter. Roken kan uw gezondheid schaden? Met die boodschap moet je bij Gène niet aankomen. Wie maalde er om zijn lijf en leden toen hij in 1962 aan de dokken begon? "Het was een hondenstiel", zegt hij. "De cokeszakken waren het ergste. Vette varkens, werden die genoemd, ze wogen wel 120 kilo. Die droegen we in ons eentje op onze rug aan wal. Ja ja, ze noemden ons niet voor niets bultenaars." Zoals hij daar achter de toog staat. Mager en pezig, hij weegt niet eens de helft van de vette varkens die hij destijds versjouwde. "Maar het was geen kwestie van groot of sterk", verklaart Josephine het raadsel. "Je moest gewoon handig zijn. Onze Gène, die had de pak wel beet." Ze kijkt haast vertederd naar haar halve trouwboek. Toen hij aan de haven begon, naaide Josephine eigenhandig de kap waarmee Gène tijdens het zakwerk hoofd en schouders beschermde. "Maar dat hielp niet altijd", zegt ze. "Als hij bij Solvay in de soda had gewerkt, kwam hij altijd met verbrande schouders thuis. Dan moest ik zijn hemd losmaken, heel voorzichtig om de wonden niet open te trekken. Maar verbrande schouders waren geen reden om thuis te blijven. 's Anderendaags stond hij alweer op een koelschip met diepgevroren karkassen te sjouwen."

Aan de toog hangen uitsluitend havenhabitués, allemaal mannen met twintig, dertig jaar dienst aan de dokken. Hoe vaak hebben ze de verhalen over vette varkens en verbrande schouders al niet gehoord? Toch missen de opgerakelde bravourestukjes nooit hun effect. Dokwerkers zoals vroeger, stellen ze met onverholen heimwee vast, die maken ze niet meer, dat waren pas mannen uit een stuk. "Tegenwoordig is alles veel gemakkelijker", zegt iemand alsof de vaststelling hem spijt. "Drie mannen hijsen in een kwartier tien containers uit een schip. Vroeger was een ploeg van veertien dokkers daar een hele dag zoet mee."

De kadenummers lopen op, we dringen steeds dieper de haven binnen. Loodsen, petroleumtanks, hijskranen, er lijkt geen einde aan te komen. Alles is hier buitenmaats, van de hijskranen tot de graansilo's die de Antwerpse kathedraal doen vergeten. De weg slingert langs muren van containers, zes hoog gestapeld tot uitgestrekte legosteden. Wat zou er toch schuilen in de containers die uit alle hoeken van de wereld zijn aangespoeld? Als er vandaag maar zesduizendvijfhonderd dokwerkers meer zijn in de Antwerpse haven, dan is dat te danken aan de modernisering waarvan deze raadselachtige kisten het symbool vormen. De evolutie is spectaculair: in de tijd van Gène waren nog meer dan twintigduizend havenarbeiders bij de Cepa aangesloten. Terwijl de werkgelegenheid verschrompelde, beleefde de haven zelf een nooit geziene expansie. Gevolg: almaar minder dokwerkers zwermen dagelijks uit over een almaar groter gebied, waar de kroegen even schaars zijn als haarspelden in een hooiberg. "Maar geen nood", zou een ancien me geruststellen. "Een dokwerker komt altijd terecht. Drop hem in het midden van de woestijn, en hij vindt er prompt een café."

Het is drie uur als we ter hoogte van kade 340 de volgende haarspeld ontdekken. Is de Marinus Club wel een café? Het lijkt verdacht veel op een parochiezaal, een eerste indruk die niet ver naast de waarheid is. Tot zeer onlangs was dit een onthaalcentrum voor Britse zeelui, compleet met ontspanningsruimte, leeszaal en anglicaanse kapel. Ik snuister rond in de bibliotheek, waar de bezoekers boeken achterlieten in ruil voor nieuw leesvoer. Sciencefiction, thrillers, horror en bijbels in zevenentwintig talen, het zeemansbestaan is nog saaier dan ik al vermoedde. Britse matrozen worden schaarser, en zo komt het dat de Marinus Club onlangs haar Angelsaksische cachet heeft verloren. Nu is het een gewone havenkroeg, met een biljart en een collectie reddingsboeien als maritiem accent. We zetten na een kort oponthoud onze kroegentocht voort, nakaartend over de huiveringwekkende anekdote die Marcel Huysmans aan de toog van de Marinus Club had opgedist. Uit de eerste hand, want de tragische hoofdrol wordt gespeeld door niemand minder dan zijn schoonvader. Vraag maar naar den Tap, die zijn ze aan de dokken nog lang niet vergeten.

Op een keer hing den Tap als dekman over het luik toen een slecht verankerde hijs pardoes op zijn hoofd viel. De Tap viel met zijn hals op de rand van het luik, een ongeval waarvan de gevolgen door Marcel plastisch werden omschreven. Dat zijn hoofd er bijna af was, dat zijn kaaksbeen honderd meter verder op het dek lag, dat hij tot overmaat van ramp in het ruim viel, alwaar een haak zich dwars door zijn dijbeen boorde. Het zijn gruwelijke details die als opmaat dienen voor een verrassend frivole ontknoping. Gesneden uit het hout van de echte dokwerker spartelde Den Tap erdoor, tot verbijstering van vrienden en medici. Hij lag maandenlang in het Middelheim, met een hoofd vol zwachtels, zo groot als een basketbal. Dokters hadden alle spiegels in zijn kamer laten verwijderen, ademen deed hij via een gat in zijn keel. Na zes weken vertrouwde hij Marcel al reutelend zijn innigste wens toe. 'Breng mij in vredesnaam een paar Stella's.' "Dat was natuurlijk streng verboden", vertelde Marcel. "Maar ja, we wisten dat we mijn schoonvader nergens meer plezier mee konden doen. Bij het volgende bezoek hebben we twee Stella's binnengesmokkeld, en die heeft hij een na een door het gat in zijn keel gejaagd."

Kerk en horeca gaan in de haven wel vaker hand in hand. Zo exploiteert de provinciale aalmoezenier van de binnenscheepvaart twee parochiale centra met kapel en cafetaria. Over de Mira Bari aan kade 470 kunnen we kort zijn. Ondanks zijn exotische naam heeft het café evenveel karakter als de kantine van een gemeentelijke sporthal. Een heel ander verhaal is dat van het Kerkschip, aangemeerd in het insteekdok voor binnenschepen vlak bij de Lillobrug. Vanaf de Noordlaan zie je het liggen, honderd meter lang en veertien meter breed. Binnenschippers uit heel Europa kunnen er terecht voor spirituele bijstand en sociaal advies. Maar op veel bezoekers sorteert het neonverlichte kruis een ander effect. Hier bier, denken havenarbeiders als ze de loopbrug betreden. Aalmoezenier Machar Verhaeghe doet er niet schijnheilig over. De opbrengsten van de twee cafetaria's zijn broodnodig om zijn apostolaat drijvende te houden. Ook toeristen weten het Kerkschip te vinden, vanwege zijn weergaloze uitzicht op de haven en zijn unieke geschiedenis. Het schip werd door de Duitsers gebouwd als bunkerschip voor de Slag om Engeland. Scheepsbouwtechnisch was het een primeur. Magnetische zeemijnen hadden een ravage aan de Duitse Noordzeevloot aangericht. Om daaraan te verhelpen lieten de nazi's het nieuwe tankschip volledig uit gewapend beton optrekken. Op eigen kracht varen heeft het nooit gedaan. Het lag in Antwerpen op verdere afwerking te wachten toen de oorlog afliep. Om een lang verhaal kort te maken: het betonschip werd door de Belgische staat aangeslagen en belandde na een korte carrière als kolenschip in handen van het bisdom Mechelen. "Hitler moest het weten", bedenkt de aalmoezenier wellicht voor de honderdste keer. "Het schip dat hij voor zijn oorlog liet bouwen, is nu een symbool van vrede en verzoening. Hier komen schippers uit het hele verenigde Europa, daar zou den Dolf niet goed van geweest zijn."

Een etmaal later. We zijn teruggekeerd naar de bakermat van de Antwerpse haven, het Eilandje. Goed, het is allang geleden dat hier nog vrachtschepen aanmeerden. Maar, zo hadden we gisteren meermaals vernomen, je kunt niet meespreken over havencafés als je de kroegen rond het Kot in de Cadixstraat niet hebt bezocht. Het is zes uur 's morgens, het aanwervingslokaal ligt er nog behoorlijk verlaten bij. Straks, over een uurtje, begint hier de 'afzet' voor de dagshift. Alle havenarbeiders die vandaag nog geen werk hebben, zijn verplicht aanwezig, ten minste degenen die bij de dagshift zijn ingedeeld. Op een verhoging, de brug genaamd, zullen de foremannen ofte ploegbazen van de naties en andere werkgevers staan wachten tot alle ploegen volledig zijn. Het is een subtiel spel met strakke tijdslimieten en allerhande voorrangsregels, gespeeld onder toezicht van vakbonden en patroons. Pas als alle vacatures zijn ingevuld, krijgen de overtallige havenarbeiders de stempel die recht geeft op een uitkering. De slappe tijden blijken later uit de resultaten van de afzet. Werk voor elf van de honderdvijfenzeventig aanwezigen, alle anderen mogen stempelen. Dergelijke cijfers zeggen natuurlijk niet alles. Vele dokwerkers hoeven niet naar 't Kot voor werk. Zij zitten 'vast' bij een bedrijf of worden door de foreman per gsm geboekt. Hoe dan ook, het ritueel van de afzet herhaalt zich viermaal daags, telkens voor een andere shift. Log en bureaucratisch? De cafébazen uit de omgeving hoor je niet klagen over de werkbeurs. Bij iedere afzet lopen de cafés een uur op voorhand vol. Dat heeft niet alleen met grote dorst te maken. De combinatie kroegbaas-foreman mag dan wel verboden zijn, aan de toog worden nog altijd heel wat postjes verdeeld. Waar beginnen? De Vlaey, de Stork, de Breughel, de Kosmopoliet, een klein dozijn cafés teert op het Kot. Vroeger waren er nog veel meer kroegen op het Eilandje. Destijds moest iedere werkloze dokwerker meermaals per dag zijn diensten in het Kot aanbieden. Veel arbeiders, vooral die van over 't water, kampeerden dag en nacht in de Cadixstraat, die uren in de wind naar bier en jenever stonk.

We zijn voor 't Naïef Kieken gevallen. Of was het voor Brigitte? Venetiaans blond, overvloedige mascara, donkergelakte nagels, ze windt het mansvolk aan haar toog zo om haar vinger. Op een tafeltje staan nog de bloemen van de openingsreceptie van vorige week. Niet dat Brigitte zelf een groen blaadje is. Twintig jaar lang hield ze de kantine van het Kot open, leer haar de dokwerkers kennen. Ze was vijf jaar uit de haven weg toen ze kans zag de Kleine John over te nemen. Het raam kreeg een nieuw logo, het gerucht van haar comeback verspreidde zich als een strovuur. Aan haar ijver zal het zeker niet liggen. Vanmorgen heeft ze de zaak al om vier uur geopend, voor de vroegste vogels van de ochtendshift die graag een koffie of een borrel hijsen voor het werk. 'Voulez-vous coucher avec moi?', zingt Patti LaBelle. Het is intussen kwart over zeven, de afzet is voorbij. Klanten keren terug van het Kot en klimmen opnieuw op hun barkruk. Tijd zat vandaag, want ze hebben allemaal een dopstempel in hun boek. Ronny en Sus Antigoon weten er weg mee. Vijf, zes pinten op de nuchtere maag? "Dat is nog niks", zegt Sus Antigoon, een magere, opgeschoten man met Eburonensnor. "Twintig pinten op een voormiddag, daar draaien wij onze hand niet voor om. Dronken? Bah nee, ons lichaam is dat gewoon. Alleen als ik ga pissen, dan moet je geduld oefenen, want dat kan een tijdje duren." Ronny wil niet achterblijven in deze prestigewedstrijd. "Wij hebben veel vocht nodig", zegt hij, "Als we zakwerken deden, dronken we tijdens de schoft gemakkelijk zes drieëndertigers. En zonder pissen hé, wij werkten dat er allemaal af. De laatste jaren moeten we oppassen, want er wordt streng gecontroleerd. De politie, de Cepa, de naties: overal staan ze met het zakje klaar. Het feest is voorbij in de haven."

Dat er beduidend minder wordt gedronken, daarover is iedereen het eens. Niet alleen is de tolerantie van politie en werkgevers fel verminderd, de nieuwste lichting dokwerkers zoekt haar vertier buiten de kroeg. De voorbije jaren zijn dan ook heel wat havencafés op de fles gegaan, sommigen na een doodstrijd met spectaculaire stuiptrekkingen. Zo probeerden vorig jaar enkele cafés het tij te keren door hun cliënteel op bloteborstenshows te trakteren. "Klanten werden topless bediend", vertelt Brigitte. "Dat gebeurde met de oudemannekesdag, de voorlaatste dag van de maand, wanneer arbeidsonbekwame dokwerkers hun stempel komen halen. Het heeft niet lang geduurd, de cafés liepen vol scholieren en gelegenheidsklanten die hun ogen uitkeken voor één pintje per uur."

Voor een afzakkertje moeten we alweer het labyrint in. Naar Café International op de 113, een nummer dat we na een odyssee langs sluizen en bruggen bereiken. Het café van Thea ligt op een eiland, gekneld tussen het Albertdok en het Amerikadok. In de hele haven kennen ze haar als 'die Hollandse'. Toen ze twintig jaar geleden als jong meisje in de haven kwam werken, snapte ze van het Antwaarps geen jota. Maar de Belgische mentaliteit leerde ze gauw genoeg kennen. "Ik werkte in de Texaco aan de Noorderlaan", zegt ze. "Dat was toen het beste café van de hele haven. Tijdens de schoft liep het storm. Soms zaten er meer dan honderd dokwerkers die een half uur de tijd hadden om te eten en drinken. Dat was keihard werken, het zweet liep van mijn billen en het bloed stond in mijn schoenen. Maar goed verdienen, ohlala. Dokwerkers werden toen nog cash uitbetaald, de overuren in het zwart. Na zo'n betaaldag was het feest. De ene tournee na de andere, er werd niet op 20 frank fooi gekeken. Het was toen allemaal anders. Schepen werden gelost door ploegen van veertien dokwerkers. Het was de gewoonte dat er van hen een stuk of vier na de schoft in het café bleven plakken. De bazen keken zo nauw niet, als het werk maar af was. In de Texaco kwamen lang niet alleen havenarbeiders maar ook zeelieden, truckers en bureaumannen. Het was een vrolijke bende, er werd meer dan eens op de tafels gedanst."

De gouden tijden zijn voorbij, maar klagen doet Thea niet. Haar café, ook al ontstaan uit een voormalige gaarkeuken, kon niet beter gelegen zijn. Concurrentie is er niet, wie op het eiland werkt of passeert, komt vanzelf in Café International terecht. Je kunt er uitsmijters bestellen, of verse soep en spek met eieren. Maar let wel op de etiquette. "Dit is de haven", zegt Thea, "hier is iedereen gelijk voor de wet. Dokwerkers en havendirecteurs staan samen aan de toog, iedereen noemt elkaar bij de voornaam. Soms krijgen we wel eens een verdwaalde klant die het niet snapt. Klagen over een glas dat niet genoeg blinkt of over de tafel waar nog een veeg op zit. Is het niet goed, bijt ik hem dan toe, ga dan naar de Hilton. Het is toch waar zeker. Dit is een havencafé, hier moeten we geen aanstellers."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234