Donderdag 22/08/2019

Geneeskunde

Kritiek op plan De Block: "Ik vind dat gewoonweg creepy”

Bert Aertgeerts (huisarts / professor KU Leuven): ‘Als ze moeten kiezen tussen sneller gaan werken of langer thuisblijven, zullen de meeste langdurig zieken niet lang twijfelen. Ziek zijn is financieel niet aantrekkelijk.’ Beeld Tine Schoemaker

Minister De Block (Open Vld) laat voor acht aandoeningen vastleggen wat de gewenste hersteltermijn is. Op vraag van de huisartsen, zegt de minister, maar velen van hen vermoeden dat langdurig zieken gesanctioneerd zullen worden. Die problematiek wordt steeds groter, geven huis- en controleartsen aan. Maar is dit de juiste aanpak?

“Wij zitten hier niet ver van de Antwerpse haven. Ik krijg regelmatig dokwerkers over de vloer met rugklachten en blokkades in de nek. In het begin vond ik het heel moeilijk om in te schatten wat de impact van hun werk op die klachten is. Ik ken hun jobs niet, heb die nog nooit gedaan. Daarom vraag ik ook vaak aan de patiënten zelf hoeveel tijd ze denken nodig te hebben om te herstellen. Ondertussen weet ik: als je met zo’n ‘olifant’ rondrijdt om containers te verplaatsen, dan zit je in feite constant half gedraaid en kijk je de hele tijd over je schouder. Dat is een ontzettend oncomfortabele positie. En natuurlijk speelt dat een grote rol in je herstel.” 

Wat voorafging

Minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld) heeft het Nationaal College voor Sociale Verzekeringskunde de opdracht gegeven om voor acht aandoeningen te bepalen wat de gewenste hersteltermijn is. 

Het gaat om borstkanker, lage rugpijn, burn-out, lichte angst en depressie, een knieprothese, een acuut hart­infarct, een aandoening in de schouder en een in de pols. Het College had al verkennende gesprekken met een reeks experts en zal nu per aandoening een werkgroep opstarten. De bedoeling is om per ziekte een waaier aan richtlijnen te formuleren, afhankelijk van onder meer leeftijd, beroep, sociale situatie, overige medische condities enzovoort. 

Volgens minister De Block waren de huisartsen hiervoor vragende partij. Maar velen onder hen delen de bezorgdheid van onder meer het Vlaams Patiëntenplatform: dat de richtlijnen zullen ingezet worden om langdurig zieken te sanctioneren en dat het om een besparingsoefening gaat.

Behalve voorzitter van beroepsvereniging Domus Medica is Roel Van Giel zelf ook huisarts met een praktijk in Kalmthout. Hij kijkt gemengd naar de plannen van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld) om termijnen te plakken op een aantal aandoeningen die langdurig ziekteverzuim veroorzaken. Hij ziet de waarde er wel van in, zegt hij. Zeker voor beginnende artsen. Maar of hij ze zelf nog zou kunnen toepassen? 

Hij aarzelt. “Ik kom ook nog wel voor moeilijke situaties te staan. Je verwacht een bepaalde evolutie bij je patiënt en die komt dan niet. Dan krab je weleens even in je haar: waarom is dat? Misschien zou opnieuw werken die patiënt wel goed doen? Maar wie zegt dat ik het zo niet net erger ga maken? Dat zijn telkens moeilijke afwegingen. Gaat zo’n richtlijn me daarbij helpen? Ik vrees van niet. Die situaties vergen een individuele aanpak, dat is niet in tabellen te gieten.”

Zo voorzichtig Van Giel is, zo categoriek is een jonge collega die liever niet met haar naam in de krant wil. “Ik heb dit gewoon niet nodig”, zegt de Vlaams-Brabantse ferm. “Misschien dat een stagiair zonder ervaring er iets aan heeft. We leren die ook aan dat keelpijn na een à twee dagen wel over gaat. Dat buikgriep doorgaans maximaal vijf dagen duurt en de patiënt wellicht pas op dag twee of drie voor je zit. Bijgevolg is de kans zeer reëel dat hij over twee à drie dagen weer zal kunnen werken.”

Roel Van Giel (huisarts / voorzitter Domus Medica): ‘Hoe vaak hoor je niet dat langdurig zieken wel zullen ‘profiteren’? Ik garandeer: de meesten zijn echt ziek.’ Beeld Tine Schoemaker

Volgens het Nationaal College voor Sociale Verzekeringsgeneeskunde dat nu in opdracht van De Block aan de richtlijnen werkt, zou nochtans iedere arts erbij gebaat zijn. “Zie het als het gebruik van een antibioticum: daarvoor bestaat ook een aangewezen gebruikstermijn”, zegt ondervoorzitter Jean-Pierre Schenkelaars. “Maar iedere arts kan daarvan afwijken, als hij een goede reden heeft. Dat is precies wat wij nu ook willen aanreiken: algemene handvatten. Want nu heeft niemand een houvast.”

De vrouwelijke huisarts betwist dat. “Natuurlijk hebben we die wel. Die zijn niet in steen gebeiteld, maar iedere huisarts weet bij benadering wat een verwachte hersteltermijn is. Duurt het langer, dan weet je andere wegen moet bewandelen met je patiënt. Een rouwproces is een mooi voorbeeld: doet je patiënt daar langer dan een jaar over, dan wordt het pathologisch en heeft hij gespecialiseerde hulp nodig.” 

Zelf dubt ze zelden over hoeveel tijd ze een patiënt moet gunnen om op krachten te komen. “Het enige wat ik zelf moeilijk vind om in te schatten zijn post-operatieve hersteltermijnen. Hoe lang moet je herstellen van een knieoperatie? Ik ben daar geen expert in, maar ik heb wel een telefoon en dus vraag ik dat dan aan de behandelende specialist. Depressies of burn-outs beoordelen vind ik niet moeilijk: je volgt die patiënten van zo nabij op dat je dat heel goed kan inschatten. Dat Maggie De Block daar een vaste termijn op wil plakken, eerlijk? Ik vind dat eigenlijk gewoonweg creepy.

Karottentrekkers

De angst voor stigmatisering, die komt bij alle gecontacteerde artsen terug. Veel meer nog dan de praktische bezwaren die het opstellen van zo’n lijst veroorzaakt – de ene borstkanker is de andere niet, de ene patiënt heeft niet de mentale draagkracht noch de financiële armslag van de andere en de invloed van het soort job en de steun die je krijgt vanuit je omgeving is zo bepalend – dat een lijn trekken haast onmogelijk is.

Maar als die lijn daar dan toch ligt, hoe voorwaardelijk ze ook bedoeld mag zijn door het Nationaal College, wie zegt dan dat die niet misbruikt zal worden? Wie garandeert dat werkgevers hun werknemers niet onder druk zullen zetten, de lijst met gemiddelde termijnen in de hand? Wie zegt dat controleartsen er niet naar zullen grijpen, bij gebrek aan veel kennis over de patiënt die nu eenmalig voor hen zit? “Ze bellen nu al nooit op”, zegt Reinier Hueting van het Algemeen Syndicaat van Geneeskundigen van België. “Nochtans staat op ieder attest van arbeidsongeschiktheid ons mailadres en telefoonnummer.”

Er rust nu al een stigma op langdurig zieken, is Van Giel bezorgd. “Ze hebben het maatschappelijke klimaat tegen. Ze kosten te veel. Hoe vaak hoor je niet dat die mensen wel zullen ‘profiteren’? Terwijl ik u garandeer: de meeste mensen die ziek zijn, zijn dat ook echt.” Zijn Vlaams-Brabantse collega bevestigt. “Karottentrekkers, ze bestaan, maar ze zijn met veel minder dan je zou denken. Bovendien vallen ze heel snel door de mand. Daar maak ik dadelijk korte metten mee.”

‘Deze maatregel zet werkgevers er niet toe aan om actief in te zetten op re-integratie’, zegt Bart Teuwen, directeur van Centimed (controleartsen). Beeld Tine Schoemaker

Certimed, de grootste verstrekker van medische controle, heeft er cijfers over. Jaarlijks verwerken zij 624.000 attesten van zieke Belgische werknemers. Vorig jaar stuurden ze op vraag van bedrijven 170.000 keer een controlearts langs. In ongeveer 93 procent van de gevallen bevestigde die het afgeleverde attest. “Dat wil nog steeds niet zeggen dat de overige 7 procent niet ziek was”, benadrukt algemeen directeur Bart Teuwen. “Wel dat de duur van arbeidsongeschiktheid die door de behandelende arts werd voorgeschreven volgens onze controlearts korter kon zijn.”

De rol van boeman is dus niet op zijn lijf geschreven, vindt hij. Al snapt hij waarom de richtlijnen nuttig kunnen zijn. “Wij zien attesten voor een depressie waarop één week staat, maar ook attesten van een jaar. Dus als je het ons vraagt is het niet verkeerd om de artsen een hulpmiddel aan te reiken, maar het is geen realistische tool om er hen ook op af te rekenen. Een medische aandoening komt zelden alleen, is onze ervaring. Sociale en persoonlijke factoren spelen een cruciale rol.”

Re-ïntegratie

Maar het grootste probleem, vindt de baas van de controleartsen, is dat deze maatregel de werkgevers niet zal aanzetten om actief in te zetten op re-integratie. “Willen we de problematiek van de langdurige arbeidsongeschiktheid echt aanpakken, dan knelt daar het schoentje”, benadrukt hij. Teuwen spreekt uit ervaring. De huisarts van opleiding is nog maar twee jaar terug in het land. Veertien jaar lang was hij bedrijfsarts in Nederland en daar maakte hij kennis met een volstrekt ander systeem.

“Het klopt dat Nederland een van de landen is waar al herstelrichtlijnen per ziekte gelden. Maar dat is niet het belangrijkste verschil. In België moet de werkgever maar één maand instaan voor het loon van een langdurig zieke. Vervolgens neemt de sociale zekerheid het over. In Nederland is dat pas na twee jaar. In het beste geval dan nog. Want blijkt na die twee jaar dat een werknemer nog steeds niet opnieuw aan de slag kan, dan wordt het bedrijf onderworpen aan een test. Heeft dat wel voldoende inspanningen gedaan om het werk van de werknemer werkbaar te maken? Is dat niet zo, dan moeten het bij wijze van boete ook het eventuele derde jaar loon voor hun rekening nemen.”

Niet dat we dat systeem per se moeten overnemen, zegt Teuwen, maar bedrijven nog veel meer bewust maken van hun verantwoordelijkheid zou geen kwaad kunnen. “We moeten veel meer beginnen denken vanuit mogelijkheden in plaats vanuit beperkingen.”

Bert Aertgeerts, huisarts in Wilsele en professor Huisartsengeneeskunde aan de KU Leuven klopt op dezelfde nagel. “Als we dit geld voor richtlijnen die toch nauwelijks te realiseren zijn, nu eens zouden inzetten voor andere lijsten”, stelt hij voor. Hij ziet wel brood in de manier waarop bijvoorbeeld baby’s worden opgevolgd. “We weten dat de meeste kinderen hun eerste tandje krijgen rond 6 maanden. Tegen dat ze 18 maanden zijn, heeft 98 procent van hen tanden. Zou het niet handig zijn om ook bij ziekten met zo’n vork te werken?”

Hij rekent een hypothetisch geval voor. “Stel: het herstel van een hernia blijkt te variëren tussen twee weken en een jaar. 80 procent van de patiënten is na vier maanden weer aan het werk. Maar jouw patiënt zit al vier maanden thuis en is daar nog lang niet aan toe. Dan kan je het gesprek aangaan: doen we zo voort, dan ben je wellicht tot een jaar thuis. Maar we kunnen ook met de adviserende geneesheer en je werkgever gaan overleggen of je geen aangepaste job kan doen. Of als dat geen optie is, misschien moet je dan ander werk zoeken?”

Aertgeerts maakt zich sterk dat het gros van de patiënten voorstander zou zijn. “Als ze moeten kiezen tussen sneller gaan werken of langer thuisblijven, zullen de meesten niet lang twijfelen. Financieel is ziek zijn allerminst aantrekkelijk. De jongste tien à vijftien jaar hoor ik steeds vaker: dokter, laat me weer gaan werken, want anders kom ik financieel in de problemen.” 

Zo’n gedeelde beslissing zou bovendien beter kunnen zijn voor de patiënt én voor de sociale zekerheid, merkt hij fijntjes op. “Maar laat ons ons alsjeblieft hoeden voor het opleggen van een norm. Een mensenleven is veel te ingewikkeld om in tabelletjes te gieten.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden