Zaterdag 11/07/2020

Kort Frans

In de roman Zeven jongens schetst Anne Wiazemsky een subtiel groepsportret van adolescenten, tijdens schijnbaar zorgeloze zomers. Christian Gailly levert met De nacht een uitmuntende jazz-roman af. Essayist Dominique Noguez licht onheilsprofeet Michel Houellebecq door in een prismatische portretstudie.

Zeven donderstenen

Anne Wiazemsky

Zeven jongens

Oorspronkelijke titel: Sept garçons

Vertaald door Irene Beckers

De Arbeiderspers, Amsterdam, 203 p.,

16,95 euro.

Als schrijfster is Anne Wiazemsky (1947) een late roeping. Toch is ze goed op weg om haar grootvader, de Franse schrijfvorst en Nobelprijswinnaar François Mauriac, naar de kroon te steken. De ex-fetisjactrice van Jean-Luc Godard en Robert Bresson heeft sinds 1988 de pellicule vaarwel gezegd en legt zich nu toe op het schrijven van galant herinneringsproza, waarin het kosmopolitische verleden van haar blauwbloedige familie met weemoedige toetsen tot leven wordt gewekt. Sinds Welopgevoede meisjes is elk boek van Wiazemsky met een haast ontroerende eenstemmigheid door de Franse critici en lezers in het hart gesloten. Delicate maar instapklare romans als Canines (over haar carrière als comédienne) of Liefdesliederen (over Wiazemsky's jeugdige omzwervingen langs Caracas, Montevideo, Genève en Zuid-Frankrijk) bezorgden Franse bourgeoisdametjes, die zonder hun portie Madame Figaro of Marie-Claire de week niet doorkomen, steevast gloeiende konen van nostalgie. Wiazemsky schaaft geduldig aan de atmosfeer van haar romans. Dat kwam fraai tot zijn recht in het bekroonde Een handvol mensen, waarin ze de tragische geschiedenis van haar Russische voorouders uitspitte. Wiazemsky schetste een schijnbaar onbezorgd groepsportret van een beschermde elite ten tijde van de Russische revolutie, wier selectieve blindheid voor de roerige maatschappelijke ontwikkelingen uiteindelijk zwaar werd afgestraft.

In het autobiografische Zeven jongens vertoeven we opnieuw in semi-mondaine milieus en in het hier en nu van een wolkenloze vakantie tussen de cipressen van de Midi. En alweer zal de tragiek het geluk in één klap van de kaart vegen.

Het is juli 1960. Zonder haar man, die voor zaken in Venezuela achterblijft, brengt de eigengereide Pauline met haar twee kinderen Roséliane en Dimitri de zomer in Frankrijk door. Dit jaar zijn ze voor één week uitgenodigd bij twee flamboyante bevriende koppels op een buitenhuis in Mirmer. De timide elfjarige Roséliane en de negenjarige Dimitri zijn danig op hun hoede voor het onbekende, dat zich in de vorm van verplichte nieuwe kennismakingen aankondigt: "Wat hen vooral bleef bezighouden was het vooruitzicht dat ze zeven kinderen, plus vier volwassenen, in het totaal elf nieuwe personen gingen ontmoeten." De angstige argwaan is terecht. Van bij hun aankomst is hen geen minuut rust gegund en worden ze belaagd door zeven jongens. Het zijn kwikzilveren "donderstenen" en woelwaters, waarbij vooral de drie oudste, Guillaume, Justin en de driftkop Simon, een niet-aflatende geldingsdrang vertonen. Dimitri en Roséliane, wier hechte broer-zusrelatie algauw onder druk komt te staan, belanden in een draaikolk van woeste spelletjes, vermetele zwemwedstrijden en wederzijdse rivaliteiten.

Net als hun kettingrokende en ietwat dromerige moeder verbazen Roséliane en Dimitri zich over de kieskeurige codes en rituelen waarmee het leven op het landgoed geritmeerd wordt: de strakke uurregelingen voor de maaltijden, de stijve tennislessen, het traditionele baduurtje en de strenge scheiding tussen de leefwereld van kinderen en volwassenen. Maar na een onhandige periode van aftasten ontstaat tussen jong en oud een onbekommerde, warmhartige toenadering. Het lezen van Zeven jongens lijkt dan op flaneren langs een gracieuze fotogalerij van Jacques-Henri Lartigue, waarin etherische juffrouwen met bobkapsels in gladwitte badpakken een bain de soleil nemen en zwemlustige jongens gestileerd de golven van de Middellandse Zee doorklieven. Ja zeker, dit verblijf is voor herhaling vatbaar. En het jaar nadien is het zover: "Toen ze elkaar terugzagen, begrepen ze dat ze altijd aan elkaar waren blijven denken, maar dat ze dat om mysterieuze redenen allemaal hadden genegeerd."

Al is er steeds een ondefinieerbare dreiging voelbaar, in Zeven jongens vlakken de zomergenoegens de wrijvingen geleidelijk uit. Wiazemsky schrijft bijna als een impressioniste, alsof ze taferelen van Seurat of Manet minutieus weer naar het papier omzet. Maar niet alle personages komen even goed uit de verf. In het tweede deel van het boek (waarin de tweede zomer op Mirmer wordt geëvoceerd) komt de klemtoon meer op Rosélianes gevoelsleven te liggen. Aarzelend ontdekt zij haar ontluikende meisjesachtigheid. De jongens dingen onverbloemd naar haar gunsten. Guillaume, de meest bedaarde, wint het pleit en de eerste verwarrende kussen en aanrakingen volgen. In deze evocatie van de scharniermomenten tussen kind en adolescentie scheert Wiazemsky rakelings langs de clichés. De zomer van 1961 komt abrupt tot stilstand, wanneer de onbezonnen Simon bij een auto-ongeval het leven laat. Dan gaat Wiazemsky zelf mee uit de bocht en mikt ze te frontaal op onze traanzakjes.

Coup de foudre

Christian Gailly

De nacht

Oorspronkelijke titel: Un soir au club

Vertaald door Théo Buckinx

Bert Bakker, Amsterdam, 143 p., 16 euro.

Als je één gezichtsbepalende naoorlogse Franse uitgeverij kunt noemen, dan wel Les Editions de Minuit. Lange tijd stond Minuit bekend als het onfeilbare zenuwcentrum van de nouveau roman. Alain Robbe-Grillet, Claude Simon en Robert Pinget fungeerden in de jaren vijftig als echte paradepaarden. Toen deze stroming uit de mode raakte verzette de legendarische uitgever Jérôme Lindon in de jaren tachtig en negentig de bakens en ontdekte hij onder anderen Jean Echenoz, Christian Oster, Marie N'Diaye, Jean-Philippe Toussaint, Laurent Mauvignier en Christian Gailly, stuk voor stuk auteurs bij wie een bepaald soort afstandelijk en ironisch minimalisme in het geding was. Meestal braken ze pas na een aantal boeken ten volle door, waarmee Lindon (die een hekel had aan marktovervoering en zijn schrijvers liever losweg de tijd gaf) zijn gelijk haalde.

De huidige lichting Minuit-auteurs is weleens omschreven als nouveau-nouveauromanciers, maar heeft feitelijk nog weinig raakpunten met de generatie Robbe-Grillet en Simon. Ze pingpongt erop los met korte zinnen, in veelal flinterdunne, soms detective-achtige intriges. Aan onderhuidse ironie is er geen gebrek, terwijl de latente gevoeligheid bepleisterd is met onderkoelde humor. En heel typerend: zelden zal zo'n in smetteloos wit gehulde Minuit-roman de honderdvijftig pagina's overschrijden.

Bij Christian Gailly (1943) liet het succes tergend lang op zich wachten. Na een loopbaan als saxofonist, loodgieter en psychoanalyticus, stortte hij zich rond zijn vijfenveertigste enigszins wanhopig op de schrijverij. Pas met zijn elfde boek, Un soir au club, vielen lezers en jury's als één blok. De nacht is een droom van een boekje, waarin de auteur op een hoogst originele manier het verlangen naar teugelloos maar integer leven vormgeeft. Na de intrigerende beginpagina's, kun je De nacht niet meer opzij leggen, vooral door de virtuoze en wendbare cadansen waarmee Gailly zijn tragikomische geschiedenis aan de man brengt. Wanneer de vroegere jazzpianist Simon Nardis, die aan de kost komt als chauffagereparateur, na een late klus zijn trein mist en een tweetal uur zoekmaakt tot de volgende, belandt hij willens nillens in de Dolphin Vert, de kleine jazzclub van een provinciestadje aan zee. De muziek van John Coltrane vertolkt er de lokroep van weleer en Simon tuimelt in een delirium van onderdrukte verlangens. Kwansuis valt zijn façade van in het gareel lopende huisvader aan diggelen en raakt hij "ondergedoken in die dodelijke melange, dodelijk voor hem en voor een paar anderen zoals hij: de nacht, de jazz, alcohol, drugs, vrouwen, jazz, de nacht". Op de vrijgekomen piano improviseert hij een paar standards, maakt kennis met de door het leven gelooide clubeigenares Debbie Parker en begeleidt haar bij een paar smoothy nummers.

Natuurlijk mist Simon ook de laatste trein. Zonder voorbehoud slaat de vonk tussen de oudere Debbie en Simon over. De nacht eindigt in algehele dronkenschap en in het plaatselijke hotel: "Er overkwamen hem allerlei prettige dingen die hem al heel lang niet meer waren overkomen", noteert Gailly. 's Ochtends voelt Simon zich "na vijf botercroissants" - bedrieglijk licht en voldaan ("Terwijl ik haar zag zingen, begreep ik dat het verkeken was. Ik ga beslist voor de bijl, ik zal me nog een beetje verzetten, maar ik gá van haar houden"). Het missen van treinen gaat de gehele dag onverminderd door. De wegtikkende tijd is de aartsvijand van Simon en Debbie, die op het strand hun romance bezegelen. Niet dat Simon zijn vrouw niet op de hoogte brengt. De ongerust geworden Suzanne zal ten slotte de onverlaat komen ophalen. Mét de auto, wat het (nood)lot een finaal duwtje in de rug geeft.

Houdt Gailly een onorthodox pleidooi voor het volle leven met alle risico's van dien? De dilemma's van de liefde zijn enkel in taalkundige paradoxen te vatten: "Nee, zei hij, we gaan niet uit elkaar, ik ga ongetwijfeld met haar terug, maar wij gaan niet meer uit elkaar, nooit, nooit meer." Of is zijn coup de foudre een puur jazz-fantoom? "De schoonheid, dacht hij, daarvoor heb ik het gedaan: om te bewonderen, ervan te houden en zo mogelijk zelf schoonheid te maken, te creëren. Maar de jazz heeft geen schoonheid. Wel swing, emotie, vreugde en dans in het lichaam, en zelfs razernij, droefheid of vrolijkheid, maar geen schoonheid, het spijt me." De nacht puilt uit van de onverwachte wendingen en woordspelige curiosa (let op het geniale be-bop getiktak tussen Debbie en Simon) die ter vrijwaring van het leesplezier maar beter niet verklapt worden. Gailly schrijft prototypisch Minuit-proza, maar voegt er een ongekende muzikale dimensie aan toe, van de eerste tot de laatste zin te koesteren als een zeldzame partituur. Des te betreurenswaardiger zijn daarom die paar storende haperingen in de Nederlandse vertaling.

Houellebecq, een zacht eitje?

Dominique Noguez

Houellebecq, en fait

Fayard, Parijs, 268 p., 18 euro.

Het is vervaarlijk stil rond Michel Houellebecq, het aartspessimistische Franse schandaalorakel dat de mensheid Elementaire deeltjes en Platform schonk. Zou de auteur zich eindelijk weer aan zijn Ierse schrijftafel uitsloven of houdt hij zich op in de zoveelste Zuid-Franse club changiste? Welingelichte bronnen achterhaalden dat Houellebecq tegenwoordig hot is in IJsland, waar de vertaling van Platform elke gezinsbibliotheek optuigt.

Wie gebrand is op literaire small talk, mag zich beslist Dominique Noguez' onlangs verschenen Houellebecq, en fait niet ontzeggen. Voor de Houellebecq-watcher is het boek uiterst multifunctioneel. Het bevat een uitputtende analyse van Houellebecqs stijl ("een depressieveling die vergeet asthenisch te zijn, een lyrische realist, een onverschillige gemenerik, een zacht eitje dat erop los slaat"), aangevuld met pamflettaire verdedigingsredes tegen "al diegenen die Houellebecq catalogeren als 'nouveau réactionnaire', pedofiel, crypto-fascist of islamhater". Ook de heisa rond Elementaire deeltjes en Platform wordt gedetailleerd behandeld. Kriskras tussen de bijeengesprokkelde essays staan dagboekfragmenten van Noguez over Houellebecq, wat leidt tot een pittig prismatisch portret van de Franse depri-provocateur.

De foto op het voorplat is welhaast ontwapenend. Michel Houellebecq staat van de hand Gods geslagen op een landweggetje. Het touwtje van zijn aftandse parka bengelt lodderig tot op de grond. De zoom van zijn goedkope Monoprix-trui is omgekruld. Vanachter de slappe rechterhand van de schrijver (waarin een sigarettenpeuk) piept zijn trouwhartige hond Clément. Houellebecq, ten voeten uit. Je moet denken aan een aantekening van Noguez op 18 oktober 1994: "Michel Houellebecq, met de uitstraling van Tex Avery's Droopy, zegt sloom en droevig: 'I am happy'". En aan een uitspraak van Houellebecq zelf: "Niets heeft me in het leven meer wellust gegeven dan roken." Zijn boezemvriend Beigbeder liet zich tijdens de Elementaire deeltjes-controverse ooit ontvallen: "Eigenlijk formidabel dat zo'n fysiek onaantrekkelijk persoon, die zo lang in de seksuele penarie heeft gezeten, een dergelijke stampei weet te veroorzaken."

Essayist Noguez beoogt een Houellebecq-portret zonder maskers, maar in zijn eerbiedige dagboekfragmenten ontpopt hij zich soms als een overijverige groupie. De schrijver tegen zichzelf in bescherming nemen, is echter onbegonnen werk: "Ik heb echt zin om de mensen te beledigen", sist Houellebecq regelmatig. De grillige, onvatbare kwajongen kent het klappen van de mediazweep en laat zich door niets of niemand van de wijs brengen. Behalve misschien door de Nederlandse media. Na een promotiereis door de Lage Landen, noteert Noguez: "Hij zegt me dat Nederland hem volledig heeft uitgeput, en dat Hollanders 'overactief' zijn, dat ze hem een buitensporige hoeveelheid interviews hebben gevraagd, zelfs op zondag, en dat hij besloten heeft zich terug te trekken uit la vie médiatique."

Typisch Houellebecq is zijn eerste reactie op de aanslagen van 11 september 2001, samenvallend met de verschijning van Platform: "Weinig discrete en nogal luidruchtige promotiemethoden. Osama bin Laden heeft in ieder geval gedaan wat hij kon doen! Wat moeten we de volgende keer verzinnen?" Een paar dagen later verbaast hij er zich tegen Noguez over "dat de islam nog altijd niet buiten de rechtsorde is gesteld". Noguez heeft de stemmingswisselingen van zijn copain goed gedocumenteerd. Aan de telefoon, vanuit Cuba, Santo Domingo of Thailand, voelt de schrijver zich acht op tien keer "gedeprimeerd".

Zijn manmoedige bestrijdingsstrategieën (meestal de fles) zijn zelden succesvol. Minder drinken lukt slechts als hij zo vroeg mogelijk gaat slapen. Enkel Prozac brengt sinds kort soelaas (Houellebecq: "Ik ga nu ook Viagra uitproberen"). Wanneer schrijft Houellebecq eigenlijk? Je komt het niet te weten. Lezen lukt wel nog: Novalis, Schopenhauer, Auguste Comte en stapels damestijdschriften, waarin hij de sociologische polsslag van de vrouwelijke psyche neemt. Toch vormt de vaak ondoorgrondelijke indolentie van Houellebecq het tegengewicht voor zijn lucide momenten van activiteit, zo verzekert Noguez.

Dirk Leyman

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234