Zondag 18/04/2021

Kop vet

Wordt ons gedrag, onze moraal, onze cultuur bepaald door onze genen? Jazeker, in principe zelfs voor honderd procent - zij het alleen in principe. Niettemin moet duidelijk zijn dat al die Quatsch van filosofen rijp is voor de vuilnisbelt. Alleen de wetenschap zal onze vragen vermogen te beantwoorden, voorzover ze überhaupt te beantwoorden zijn. Aldus de sociobioloog Edward O. Wilson in zijn op z'n minst prikkelende boek Het fundament. Marnix Verplancke

Voor Mao er aan de macht kwam was het in China gebruik dat rijke ouders voor hun zoons nog tijdens hun kindertijd een echtgenote kochten. Het kleine meisje kwam bij het gezin inwonen en groeide samen met haar toekomstige man op - zo konden de ouders er een oogje op houden dat het kind zich tot een trouwe en goed opgevoede echtgenote ontwikkelde. De Amerikaan Thomas P. Woolfe bestudeerde tussen 1957 en 1995 op Taiwan 14.200 van deze 'kleine huwelijken'. Hij kwam tot een verrassende ontdekking. Was het meisje jonger dan dertig maanden geweest toen ze bij haar nieuwe gezin introk, dan weigerde ze later steevast met haar verloofde te trouwen. Tussen beiden leek een biologische familieband ontstaan die veel weg had van een broer-zusrelatie, waardoor ze seks als incest ervaren zouden hebben.

In Het fundament haalt Edward O. Wilson dit voorbeeld aan als argument tegen het Freudiaanse idee dat het praktisch in alle culturen voorkomende incestverbod zuiver cultureel bepaald zou zijn. Het is ook een aangeboren, biologische eigenschap van de mens, wat voor Wilson gelijk staat aan stellen dat we genetisch geprogrammeerd zijn tegen incest. En, zo voegt hij er in één adem aan toe, hetzelfde geldt voor zowat alle culturele fenomenen. Als het Human Genome Project eenmaal voltooid is, wat maximaal nog een paar decennia kan duren, zal de mens zichzelf niet langer een raadsel zijn.

Wilson is het enfant terrible van de Amerikaanse wetenschap, briljant en gevierd - hij won tweemaal de Pulitzerprijs en schreef met The Ants hèt standaardwerk over mieren. Maar in de jaren zeventig ontwikkelde hij ook de sociobiologie, en stelde hij onomwonden dat de mens een dier is als de andere en dat zijn gedrag feilloos omschreven kan worden met de criteria die biologen voor het dierenrijk hanteren: reproductiedwang, territoriumdrift en statusverwerving.

Ook in Het fundament blijkt Wilson weer geen uitspraak politiek incorrect genoeg te zijn: de wetenschap beschrijft hij als een koloniale bezigheid, gericht op verovering, en tegen alle marxisten en psychoanalytici in blijft hij antropologie, economie, sociologie en politicologie tot de exacte wetenschappen rekenen. Over Kants categorische imperatief schrijft hij: "Soms is een concept schokkend, niet omdat het diepzinnig is, maar omdat het verkeerd is." Door al dit koppige no-nonsense-denken heen bewijst Wilson echter ook de maatschappelijke relevantie van de wetenschap goed te beseffen en daarbij meermaals spijkers met koppen te slaan. Zijn eis dat politici een natuurwetenschappelijke opleiding zouden krijgen is echt niet zo extreem. KWesties als etnische conflicten, bewapening, overbevolking, abortus, genetische manipulatie, milieu en armoede hebben allemaal een exact-wetenschappelijke kant. Enig inzicht daarin is dus zeker niet overbodig.

Waar gaat Het fundament over? Dat blijkt meteen uit de ondertitel: over de eenheid van kennis en cultuur. Het centrale begrip daarin (ook de oorspronkelijke Engelse titel trouwens) is consiliëntie, wat letterlijk 'samenspringen, samenvallen' betekent. Deze term werd voor het eerst gebruikt in 1840, door William Whewell in zijn The Philosophy of the Inductive Sciences. We hebben hier dus van doen met een oude droom, die nog verder terug getraceerd kan worden tot bij een illustere figuur als Francis Bacon, die zei: "Alle wetenschap is poëzie en alle poëzie wetenschap." Consiliëntie wil zeggen dat alle fenomenen, zowel de fysische als de psychische, op een zelfde stelsel van natuurwetten terug te voeren zijn.

Deze consiliëntie beschrijft Wilson als de essentie van het Verlichtingsdenken dat bij Condorcet, Descartes en Newton vorm kreeg. De wereld werd gereduceerd tot zijn componenten, die wetenschappelijk onderzocht konden worden. En de wiskunde bleek vervolgens de modellen te kunnen leveren die deze geanalyseerde wereld opnieuw tot een geheel kon synthetiseren. Met de op deze wetenschap gebaseerde techniek kreeg de Verlichtingsmens bovendien vat op zijn wereld.

Maar deze aanpak had ook een schaduwzijde: de zuivere rede ging gauw vervelen omdat ze de fantasie nog maar weinig speelruimte liet. Vooral in tijden van tragiek en gevaar bleken irrationele, archaïsche rituelen meer aantrekkingskracht op de mens uit te oefenen dan droge argumenten. En hoezeer sommige randfiguren van de wetenschap ook hun best deden, over ethiek kon ze geen zinnig woord uitbrengen, een bijkomende handicap.

Het is dan ook niet toevallig dat net in de periode dat Europa tragische tijden doormaakte die om een ethisch standpunt vroegen, namelijk ten tijde van de Franse revolutie en de terreur, het Verlichtingsdenken meer dan één veer moest laten. Jean-Jacques Rousseau bijvoorbeeld, iemand die in dit opzicht voorliep op zijn tijd, beschreef de rationele wetenschap als een degeneratie van de menselijke geest. En daarmee was de toon gezet. In Europa volgden denkers als Goethe en Schelling, in de Verenigde Staten Emerson en Thoreau. Voor Wilson betekende de aanbrekende romantiek het einde van de unificatiegedachte van wetenschap en cultuur. Juist onder het mom de wetenschap rotsvast in de cultuur te vergrendelen, maakte bijvoorbeeld Hegel er een duister, metafysisch potje van. Van dat moment af groeiden de exacte en de menswetenschappen zo sterk uit elkaar dat C.P. Snow in de jaren vijftig van onze eeuw zelfs van twee verschillende culturen kon spreken, die nog maar weinig met elkaar te maken hadden. Maar ook binnen de exacte wetenschappen greep het sektarisme wild om zich heen. Specialisatie was al wat de klok sloeg - met als schrijnend gevolg dat er nu natuurkundigen zijn die niet weten wat een gen is en biologen die de snaartheorie in de muziekwetenschap situeren.

Uit de liefde voor complexiteit zonder reductionisme ontstaat kunst," schrijft Wilson. "En uit de liefde voor complexiteit mét reductionisme ontstaat wetenschap." Beide disciplines hebben dus heel wat gemeen. En wie wil weten wat precies moet bereid zijn de wetenschappelijke blik zijn gang te laten gaan: reductionisme dus. Als we nu weten dat Wilson een bioloog is, hoeft het niet te verbazen dat hij het unifiërende principe van wetenschap en kunst in de genetica en de evolutieleer vindt. De geest, stelt hij uitdagend, is geen zaak van oedipuscomplexen en archetypes, maar een van neuronen, neurotransmitters en hormonen.

Met andere woorden, wij worden in principe volledig bepaald door onze genen. Zolang het over het louter lichamelijke gaat zullen de meesten Wilson hierin wel volgen, maar het is slechts zijn uitgangspunt. Waar het in Het fundament om draait is aan te tonen dat ook het culturele genetisch bepaald is.

Neem nu het ontstaan van de eerste samenlevingen, geeft Wilson als voorbeeld. Jagers die bereid waren hun buit met anderen te delen en er samen op uittrokken, hadden meer kans om te overleven dan zij die koppig in hun eentje te werk gingen en moesten vaststellen dat je met vijf man toch gemakkelijker een springbok verschalkt dan alleen. De eenzame jager liep dus meer risico uit te sterven dan de sociaal geaarde. We hebben het hier over aangeleerd gedrag, maar dat laat ook zijn sporen na in ons erfelijk materiaal.

Dat culturele eigenschappen erfelijk zijn toont Wilson aan door te verwijzen naar het al genoemde incestverbod. Dit biologische principe - kinderen verwekt bij bloedverwanten hebben een kleinere overlevingskans en zijn dus al die energie niet waard - is in China en in de Israëlische kibboetsen, waar ook de dertig-maandengrens gevonden werd, proefondervindelijk aangetoond. Maar dit biologische principe is ondertussen ook een cultureel principe geworden. Een andere fascinerende bevinding is dat alle baby's van zoet houden, wat biologisch te verklaren is doordat suiker energie levert. Maar wat biologisch niet sluitend gemaakt kan worden, is waarom ze eerst sucrose, en dan in volgorde fructose, lactose en glucose prefereren. Net zoals de 'aangeboren' afkeer van valse tonen zou dit best eens cultureel bepaald èn erfelijk kunnen zijn.

Wilson is echter geen simplist. Je zult hem nooit triomfantelijk horen verklaren dat de wetenschap het gen voor homoseksualiteit ontdekt heeft. Er bestaat namelijk geen eenduidige relatie tussen een bepaalde eigenschap en een bepaald gen. Menselijk gedrag, stelt Wilson bovendien, is nooit een louter genetische zaak. Het is altijd een samengaan van erfelijkheid en cultuur. Hoe groot de invloed van het milieu kan zijn blijkt uit de situatie die onvolledige penetrantie wordt genoemd. Wanneer bijvoorbeeld één helft van een eeneiige tweeling schizofreen wordt, is de kans dat de andere helft dat ook wordt slechts 50 procent, ondanks het feit dat beiden exact dezelfde genen hebben.

Of het incestverbod louter culturele dan wel ook biologische wortels heeft, is niet alleen voor de wetenschap van belang. Ook filosofisch - maar Wilson zou zeggen dat dat in de toekomst toch op hetzelfde neer zal komen als wetenschappelijk - heeft het verstrekkende implicaties. Freud bijvoorbeeld beweerde dat de natuur er juist op gericht was incest zoveel mogelijk te stimuleren. Het was pas met het ontstaan van de cultuur dat er een verbod ontstond. De moraal is bij Freud dus duidelijk een onnatuurlijke zaak, een gevecht tegen de biologie. Maar voor wie aanneemt dat in de op succesvolle procreatie gerichte natuur incest een anomalie is en dus voorkomen moet worden, blijkt de moraal helemaal niet in strijd te zijn met de natuur. Integendeel, het is juist de natuur die ons van incest doet afzien. Onze ethiek is dus van biologische oorsprong en evengoed als de omvang van onze hersenpan geëvolueerd.

Wat Wilsons boek bij momenten ronduit irritant maakt is zijn geschimp op de continentale filosofie. Net zoals Sokal en Bricmont rekent hij het tot een van zijn taken met veel hoerageroep de dood van deze denkrichting te vieren. Alleen is wat hij als alternatief voorstelt vandaag even speculatief is als die filosofie. Meermaals moet Wilson immers bekennen dat de menselijke genetica nog grotendeels onbekend en wat hij poneert dus niet te verifiëren is. Hij kan wel zeggen dat er twee soorten oorspronkelijke denkers zijn: "Zij die bij het zien van wanorde trachten orde te scheppen, en zij die bij het zien van orde zich ertegen trachten te verzetten door wanorde te scheppen. De spanning tussen beiden stuwt onze wetenschapsbeoefening voort en voert ons langs een kronkelend pad van vooruitgang. En in de darwinistische strijd van de ideeën onderling wint altijd de orde omdat dat nu eenmaal de manier is waarop de echte wereld in elkaar zit." Veel meer dan een optimistisch geloof is dit echter niet. Onze feitenkennis zal altijd beperkt blijven, en daar zit het addertje onder het gras.

Maar stel dat Het fundament het bij het rechte eind heeft, en dat ook kunst bijvoorbeeld herleid zou kunnen worden tot chemische en elektrische reacties in de hersenen. Niet alleen de kunst zou daarmee haar mysterie verliezen, het lijstje met ontluisteraars van de mensheid zou er een nieuwe naam bij hebben: na Friedrich Nietzsche, Charles Darwin en Sigmund Freud nu ook Edward Wilson.

Edward O. Wilson (vertaald door Jan Tazelaar), Het fundament. Over de eenheid van kennis en cultuur, Contact, Amsterdam, 352 p., 1.400 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234