Donderdag 24/06/2021

Koorknapen en revuemeisjes

Een opera op een festival dat aan de polyfonie is gewijd: dat is toch wel paradoxaal. Nochtans is zulks dit jaar het geval bij 'Laus Polyphoniae' in Antwerpen: een van de hoogtepunten is de opvoering van La Catena d'Adone van Domenico Mazzocchi, een mooi voorbeeld van wat men helemaal in het begin van het genre in het paapse Rome ermee aanving. Artistiek directeur Lieve Schaubroeck en dirigent Konrad Junghänel leggen uit waarom het kan en wij gingen in Innsbruck op de Festwochen der alten Musik kijken naar de opvoering. Het was de eerste keer sinds de zeventiende eeuw dat het stuk überhaupt op het toneel te zien was.

Stephan Moens

Het festival Laus Polyphoniae ziet er dit jaar een beetje anders uit. Zoals gepland zou Luca Marenzio, een van de laatste grote Italiaanse madrigalisten, worden herdacht, maar daarnaast werd het festival opgenomen in het Van Dyck-jaar, waardoor het wat moest uitbreiden naar de 17de eeuw. Lieve Schaubroeck: "In het begin leek dat niet vanzelfsprekend, maar bij nader toezien waren er toch heel wat interessante aanknopingspunten. Natuurlijk zitten beide kunstenaars generaties uit mekaar maar ze behoorden toch enigszins tot hetzelfde circuit. Men bleef ook toen muziek langer uitvoeren, men kende herdrukken. Marenzio werd in de Nederlanden, meer bepaald in Antwerpen, dikwijls herdrukt - onder meer het volledige madrigaaloeuvre. Ook in Engeland was hij heel populair. Het kan bijna niet anders of Van Dyck heeft daar ook wel eens stukken van gehoord."

De overgang van de 16de naar de 17de eeuw is een van de grote keerpunten in de muziekgeschiedenis. Volgens Konrad Junghänel, de dirigent 'in residence' van deze editie van Laus Polyphoniae, is de periode enkel vergelijkbaar met de grote muzikale revolutie bij het begin van onze eeuw, toen de tonaliteit als enig muzikaal ordeningsprincipe had afgedaan. Een van de grote vernieuwingen ten tijde van Marenzio en Mazzocchi was het ontstaan van de opera, en wel gedeeltelijk op de puinhoop van de Italiaanse polyfonie. In die zin is het niet helemaal vergezocht om zo'n vroege opera in het Antwerpse festival te presenteren. Schaubroeck: "Normaal gesproken hebben we daar de middelen niet voor en is het ook niet de taak van Laus Polyphoniae. Het idee is enerzijds gegroeid door de contacten met Konrad Junghänel en anderzijds door gesprekken met Bruno Verbergt, waaruit bleek dat er toch wel wat middelen waren om ook in muzikaal opzicht in het Van Dyck-jaar te investeren. Ik heb dan die twee met elkaar in contact gebracht en dat leek wel haalbaar, zeker toen ook de Vlaamse Opera meedeed." La Catena d'Adone werd voor de praktijk ontdekt door René Jacobs, die het stuk twintig jaar geleden concertant uitvoerde op het festival van Malmö in Zweden. Sindsdien heeft hij altijd de bedoeling gehad om het ook eens scenisch op te voeren. Uiteindelijk vroeg hij het - ook al een tijd geleden - aan Junghänel, maar die durfde het nog niet echt aan. Nu hij al meer dergelijke projecten heeft geleid, onder meer een scenische productie van uittreksels uit madrigaalboeken van Monteverdi onder de titel 'Combattimenti' vorig jaar, een operaproject in Keulen rond La Calisto van Cavalli en een Schütz-productie in Basel, met Herbert Wernicke als regisseur, leek dat probleem overwonnen. De opera ging enkele weken geleden in première op Jacobs' oude-muziekfestival in Innsbruck. La Catena d'Adone is in de vroege geschiedenis van de opera een buitenbeentje. Dat ligt vooral aan de opdrachtgever en zijn milieu. Domenico Mazzocchi schreef het stuk in opdracht van vorst Giovanni Giorgio Aldobrandini, een familielid van zijn broodheer, kardinaal Ippolito Aldobrandini. De Aldobrandini's, die nu vooral nog bekend zijn door hun prachtige villa in Frascati, behoorden toen tot de belangrijkste 'padroni' - werkgevers en mecenassen van kunstenaars - in Rome. Het is de tijd van de spilzieke en wereldlijke pausen; Urbanus VIII, in het ware leven Maffeo Barberini, zal de geschiedenis ingaan als de man die de pauselijke schatkist leeg achterliet, de prachtigste opdrachten gaf aan mensen als Bernini en het proces tegen zijn vriend Galilei in 'goede' banen moest leiden.

Met die eigenaardige symbiose van wereldse sensualiteit en devote hypocrisie heeft de regisseur van de voorstelling, Jakob Peters-Messer, willen spelen. Al bij het begin zitten er rechts vooraan op het toneel drie groteske prelaten, die achtereenvolgens ook de cyclopen en verschillende goden zullen blijken. Anderzijds loopt Amor (hier gezongen door een vrouw, al was dat in Rome wellicht een jongetje) rond in iets wat het midden houdt tussen een babydoll en een koorhemd en is ook Venus soms in haar ondergoed te bewonderen. Adonis is dan weer een mooie geblondeerde jongen met homomaniertjes, die bijzonder verlegen en gegeneerd de avances van de boze maar o zo vurige Falsirena ondergaat. Die laatste is het enige personage dat enige menselijke warmte, zij het van de kwaadaardige, sensuele soort uitstraalt, al vervalt zij in haar grote bezweringen ook in ietwat lachwekkende heksengebaren. Alle anderen zijn karikaturen van zichzelf. Dat laatste heeft wellicht ook te maken met de acteurskwaliteiten van de zangers en de personenregiekwaliteiten van de regisseur - het resultaat komt in elk geval soms wat amateuristisch over.

Ook het decor van Bettina Meyer speelt met de tegenstelling wereldlijk-geestelijk, vooral in de deuren die de halfronde toneelruimte afsluiten en herinneren aan biechtstoelen en door de balkons als preekstoelen vooraan. Voor het overige is het een veeleer abstract bouwwerk, dat meer beton dan graniet suggereert. Het is een mooie poging tot een zinvol, voldoende abstract eenheidsdecor voor een verhaal van goden en mensen, van priesters en hoeren, maar het is niet bijzonder vernieuwend, dwingend of beklijvend.

Op die manier is het belangrijkste aan deze opvoering het werk zelf - en dat is eigenlijk een verheugende vaststelling. La Catena d'Adone blijkt een interessant, origineel voorbeeld van vroege opera, met veel meer in de handeling ingewerkte koren dan gewoonlijk (die koren worden eveneens door de solisten gezongen), met een afwisselender dramatisch verloop dan gebruikelijk, met originele afwijkingen van de mythologie en met enkele bijzonder mooie voorbeelden van dramatische recitatieven en grote virtuoze aria's (een echte nieuwigheid in die tijd), vooral voor Adonis en Falsirena.

Dat zijn ook de twee beste zangers op het toneel. De Catalaanse contratenor Jordi Domènech heeft enkele heel mooie noten in zijn stem en is vooral in de treurige affecten erg ontroerend. De sopraan Eirean James is de enige echte operazangeres op het toneel en tilt meteen haar rol een trapje hoger. De anderen komen bijna allemaal uit Junghänels stal en zijn zonder twijfel uitmuntende ensemblezangers. Op het operatoneel is echter meer uitstraling vereist. Ook van een operadirigent mag je meer dramatische impact verwachten dan van Junghänel, al beschikt hij vooral in zijn continuogroep over enkele uitstekende mensen. La Catena d'Adone verdient zeker nog een grootschaliger, dramatischer enscenering. Inmiddels blijft het echter een verfrissende ontdekking voor al wie van Monteverdi en Cavalli houdt.

Voorstellingen van La Catena d'Adone in de Vlaamse Opera in Antwerpen op 30 augustus en 1 september, meteen de afsluiting van het festival Laus Polyphoniae.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234