Maandag 15/07/2019

Kon uit de dood ik die éne doen keren

Leuven, 26 oktober 2011

Er wordt ter kennis van het publiek gebracht dat de bloempotten, die ter gelegenheid van Allerheiligen op de graven worden geplaatst, door de belanghebbende best weggehaald worden voor 1 december 2011. Daarna blijven ze ter beschikking van de stad.

Op het bord aan Parkbegraafplaats Diestseveld hangt de mededeling die, gedaan ten stadhuize, oproept tot orde en netheid. Het is hier bijzonder stil, zes dagen voor Allerheiligen. En aan netheid geen gebrek. De begraafplaats is nog nieuw, je vindt er niet de aandoenlijke wanorde van het kerkhof bij Abdij van Park, er is architecturaal over nagedacht, met zorg en versteende verzen. Op een rijtje de stenen van Leo Degreef, Jean D'Haen, Geert Theuwis, Bieke Schaumont, Simon Renders, Julia Myten en Firmin Blanchaert. Je kent het verdriet achter één naam, maar vergis je niet. Een bundel die uitgeverij Sun ooit uitbracht, verwoordde dat treffend: Kon uit de dood ik die éne doen keren, was de titel, een lijntje uit een gedicht van Ida Gerhardt. Die bloemen bij elk graf tonen veel leegte.

Wegstruinend uit die rij loop ik even langs veld U, met graven die schuin lijken te liggen en dat ook doen. Ergens in die richting moet Mekka georiënteerd zijn. Bij een begrafenis van een oude Turkse man in Istanbul zag ik de kist met het ingewikkelde lichaam waggelend van schouder op schouder gaan, schouders van mannen die zich struikelend een weg baanden over andere graven. Hier liggen mensen die niet gerepatrieerd werden. Niet zoveel nog. Het zijn uitzonderingen. Mohammed Wali Moustamandi rust, misschien uit veiligheid, niet in Kaboel maar in Kessel-Lo. De verse aarde op het kleine grafje van Ibrahim Diallo wijst erop dat zijn ouders hier voor zijn grafje willen zorgen. Bij Onür Cankaya wiebelt een wiegenmolentje in de wind. Als een perpetuum mobile van de liefde, schreef Renate Dorrestein.

Père-Lachaise, Parijs

Wie iemand verliest, herkent het gevoel van Ida Gerhardt. Het cliché dat er elke dag mensen in het verkeer sterven, maar dat die vier regels in de krant je alleen pijn doen als het om je broer gaat. Of je beste vriend. Het gevoel ook dat die ene datum je eigen leven bepaalt: er is een tijd voor en een tijd na. Soms meer dan een keer.

Nathalie Donnadieu, de weduwe van de Franse fotograaf Lucas Mabrouk Dolega die in januari in Tunesië overleed, vertelde me daar in juni dit over: "Het verlies van Lucas, kort nadat ik vorig jaar ook mijn vader verloor, was verpletterend. Daar stond ik: mond open, lege blik, gechoqueerd. Maar zodra we Tunis verlieten, voelde ik een enorme kracht naar boven komen. (...) Als ik iets nodig heb, gaat het vanzelf." Haar leven is nu vooral de gedachtenis aan Lucas in leven houden, via een stichting en via de Prix Lucas Dolega. Voor en na is een ander leven. En af en toe zie je op Facebook: Nathalie Donnadieu was bij Cimetière du Père-Lachaise. Verder geen commentaar, geen publieke rouw of om compassie smekende halfzachte commentaar. Ze is er, want daar ligt Lucas, niet alleen op Allerheiligen.

Père-Lachaise is een van de bekendste begraafplaatsen ter wereld. Maar dat de dood er leeft, toonde niemand beter dan de Nederlandse documentairemaakster Heddy Honigmann in Forever. Traag filmde ze er dagenlang en praatte er met mensen die er trouw iemands graf kwamen bezoeken. Grappig is de weduwe van de man die dood de buurman is van Jim Morrison: "Toen hij nog leefde, zei hij: ik zal veel bezoek krijgen, ik zal nooit alleen zijn." Er is een Japanse pianiste die er troost vindt in het feit dat Chopin er begraven ligt, de favoriete componist van haar overleden vader.

En er is een Iraanse man, bij het graf van de Iraanse schrijver Sadegh Hedayat. Hij vertelt hoe Hedayat alle mensen om zich heen zo moe was en dat hij dat herkent. "Ook daarom ben ik uit mijn land vertrokken", glimlacht hij. In Parijs is hij nu taxichauffeur en sinds hij hier aangekomen is, komt hij af en toe Hedayat bezoeken. Onder zijn arm zit een boekje met gedichten en op vraag van Honigmann zingt hij een gedicht van de Perzische dichter Hafez. Op het kerkhof.

Een tijd voor en een tijd na. Ik kan me niet herinneren als kind graag op een kerkhof te hebben rondgelopen. Het Gemeentelijk Kerkhof van Drongen reed je voorbij. Tot 31 oktober 1984, mijn beste vriend verongelukte en die avond de allerlaatste van mijn leven was waarop ik troost zocht op de schoot van mijn moeder. Bijna gênant om het te schrijven, wie doet dat nu als hij 17 is? Het antwoord kan alleen in de ontreddering te vinden zijn. Veertien jaar later is het mijn dochter die me knuffelt na de dood van mijn broer. Taal en gebaren als een zakdoek. Stotterend en zoekend naar verse moed.

Maar vanaf die dag in '84 kende dat Gemeentelijk Kerkhof geen geheimen meer en ook al woon je al jaren elders, je kent de namen nog. Hier ligt die vriend, nu samen met zijn vader. Draai je je om: mijnheer Decoeyer. Aan het einde van dezelfde rij oma en opa. Schoonvader ook. Suske. Daar de man van Annie, en kijk: een jongen uit de chiro. Nog een jongen uit de chiro. En zijn vader. Sinds vorig jaar tante R.Het hele dorp.

Drongen is sindsdien overal. In Arlington, Washington, bij het vlammetje voor de vermoorde president John F. Kennedy. Tijdens de paasvakantie lag Drongen in de Franse Lotstreek, 100 meter voor het huurhuis in St-Matré, zijn de graven ons stilaan bekend. Want al voor de derde keer daar en de familie Lalla moet er ooit gewoond hebben. Ook hier ligt het hele dorp. Zoals dat in Edon was, in Poitou-Charentes, veel meer doden dan de 239 inwoners van het dorp. Of in Veix, dieper in Frankrijk, een serretje voor de familie Segurel.

Elders: de typische Italiaanse begraafplaatsen waarin de doden bijna huisjes krijgen en een uitgespaard kruis in de kerkhofmuur uitzicht geeft op de wassende mais. Je kunt er niet voorbijrijden, je stopt en loopt even rond. Een paar dagen later brengt de vaporetto vanuit Venetië je naar Isola di San Michele, waar natuurlijk Brodsky ligt, maar ook Stravinsky en Christian Doppler (van het effect). En in een nis van een muur op deze immense begraafplaats ook een eenvoudig naamplaatje: Nadine Van den Hoven. Een lint met namen rouwt om haar. En slaat in je buik: ook hier denk je toch vooral aan wie je zelf bent kwijtgeraakt.

Drongen lag ook even in Molokai. Meer dan 24 uur was ik onderweg. Een tussenlanding in Newark, een nacht in Honululu. En dan zette een klein vliegtuigje me samen met de piloot en één andere passagier (een kloosterzuster) me af op Kalaupapa. Bezwaarde landtong van Molokai, dat deeltje waar de melaatsen werden verbannen. Vanaf het landingsbaantje leidde één weg naar het dorp, een weg die werd afgezoomd door de dood. Schattingen spraken van achtduizend graven. In 2006 woonden nog zo'n 35 bejaarde melaatsen op het eiland. Ze mochten er blijven en werden er verzorgd tot de dood ook hen er ergens een plekje zou bezorgen. Dan wordt Kalaupapa een schiereiland van rust en alleen bewoond door doden.

Het is warm, heet, en in Lourmarin zit ik bij het graf van Albert Camus. Er staat veel lavendel op en er ligt een briefje van een Zuid-Afrikaanse mevrouw. Ze dankt Camus voor de rust in een wereld die doldraait. Aan het begin van het kerkhof staat er een wijzertje naar het graf van de overleden schrijver, dat zie je wel vaker. In Ploegsteert word je automatisch naar het graf van Frank Vandenbroucke geleid en als je het dan nog niet zou zien, dan trekt een draaiend koerswiel wel je aandacht. Op de Diewegbegraafplaats in Ukkel leiden ze je tot bij Hergé. In Amiens naar Jules Verne. Alleen in Villers-Cotterêts was het tot eind november 2002 even zoeken naar Alexandre Dumas, nu hoeft dat zelfs niet meer: de toenmalige Franse president Jacques Chirac liet hem overbrengen naar het Parijse Panthéon. Zoals Pater Damiaan van Kalaupapa naar Leuven verhuisde. Toch heeft hij nog altijd twee graven: in Leuven, maar zijn rechterhand werd in 1985 opnieuw naar Hawaï gebracht.

Maar terug naar Camus: op de kaart heb ik gezien dat Lourmarin niet zo ver van een klein dorpje voorbij Apt ligt. Een dorpje waar de beroemde Franse fotograaf Henri Cartier-Bresson zich op het einde van zijn leven had teruggetrokken. Daar wordt het stil op de baan, toeristen komen er amper nog en in een dorpje tegen een uitloper van de Lubéron vraag ik de weg naar het kerkhof. Het is een klein houten bordje dat uiteindelijk de cimetière aanduidt. Via onverharde weg, brokkelig, naar beneden, door een veldje en een klein bosje kom je aan twee poortjes. Voorbij het hoogste vier stenen en op één ervan: Henri Cartier-Bresson 1908-2004. Een olijfboom ervoor en een erachter. Drie appels op zijn steen en wat droge roosjes. Geen foto. Hij hoort op Père-Lachaise of in het Panthéon, maar je hoopt dat niemand hem hier ooit terugvindt.

Graven worden druk gepoetst nu. Voor Pierre en zijn vader is de periode voor Allerheiligen elk jaar het moment om dat te doen. Samen trekken ze naar het graf van Pierres verongelukte broer, met emmer en borstel en als dat gedaan is, blijven ze zitten: pratend over die broer. Pratend over zijn leven. Dus over hun leven.

Marianne en Will Krist vertelden in maart van dit jaar over hun zoon Tom, een Nederlandse militair die in Afghanistan sneuvelde. Hun huis in Udenhout bleek geen kapel of altaar te zijn, al was Tom er wel in een paar foto's en in een quilt die gemaakt werd met stukken van zijn kleren. Aan hem denken doen ze altijd en overal, maar zeker op het kerkhof van Berkel-Enschot, waar ze toen woonden en Tom nu rust. Een witte steen ter ere van de soldaat, een altijd brandend kaarsje en Will die het gras errond regelmatig komt maaien. "Ons leven is in twee stukken gedeeld", zei Marianne die avond. "Een leven voor 10 juli 2007 en een leven erna. Al begon dat erna eerst met overleven. Maar steeds meer lukt leven opnieuw en kunnen we op een gewone manier aan Tom denken."

En voor een reportage met een begrafenisondernemer uit Waarschoot volgen we de teraardebestelling van Piet. Dat gebeurt in een familiekelder en op de zerk staat al de naam van zijn broer. Piets moeder neemt afscheid van haar tweede kind en daar zijn geen woorden voor.

Je kijkt weg en in het kleine grafje van ene Willy, een jongen van elf die in de jaren zestig overleden is, zie je 'BETREURD' gebeiteld. Er staan ook nog bloemen op dat graf. Concessies zijn niet meer eeuwig, maar leven lijkt zolang te duren: tot het laatste bloemetje dat ooit op je graf wordt gezet. En in betreurd zitten alle andere grafspreuken. 'His sun set while it was yet day' bij ene John Edwin Grattidge in Venetië. 'Hij ging henen in zijn beloftevollen dageraad' bij Julius Sabbe in Assebroek. Bij een jonge vrouw in Leuven diepsnijdend: 'prachtvrouw - megamama - fantastische dochter - knappe zus - lieve kleindochter - sterke schoondochter/zus.'

Voor en na: sinds 1984 heeft de kast zich gevuld met boeken en bundels erover. Het werk ook. Een reportage over een asverstrooiing op zee, een verhaal over vergeten kerkhoven, over beroemde doden in Veltem-Beisem, Ukkel en op het Schoonselhof. Over de Commonwealth War Graves Commission in de Westhoek en over de Last Post, die elke avond onder de Menenpoort in Ieper wordt geblazen. Een boek met getuigenissen van weduwen nog. Maar vooral heel vaak gestopt op begraafplaatsen.

Omdat het triest is? Ik denk omdat het troostend is.

Bij Davidsfonds verscheen zopas Hier Rust. Bijzondere graven en begraafplaatsen, van Campo Santo tot Schoonselhof, van Staf Schoeters. 238 p., 29,95 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden