Dinsdag 24/11/2020

KOMIEK Bert Kruismans

Kruistocht in Walenland

Woensdagochtend 20 mei

Check, check, dubbelcheck. Outfit, ja, tandenborstel, ja, Vlaamse Leeuw vlaggewijs, ja, Vlaamse Leeuw op muzikale wijze, ja, in mp3- en cd-formaat, want gebruiken die Walen eigenlijk wel dezelfde technologie als wij? Een mens kan maar beter voorbereid zijn als hij naar den vreemde trekt. Go! De E411 naar Luxemburg: zijn vergezichten, zijn toeristische info, zijn wegenwerken. Dit is een snelweg zonder echte fundering, zo wordt gefluisterd. Aangelegd in de armlastige jaren zeventig en tachtig. We hadden nu eenmaal een snelweg nodig om ons zwart geld te versassen naar de bank van hier die ginder in Luxemburg floreerde. En zo was er geen wit geld meer om diezelfde snelweg nog van een beetje fundering te voorzien. Waarom hebben Vlamingen een 4X4 nodig? Voor hun trip naar Luxemburg. En de Walen hebben er ook één nodig, niet voor hun boswegels, maar om de E42 te overleven als ze het vliegtuig willen nemen in Charleroi. Daar zit een grap in. Ik stop even om het allemaal mooi op te schrijven. Het is geen goeie dag om de held te worden van de verkeersinformatie.Afrit 22, Rochefort/Givet. Het nieuwe asfalt in designzwart van de Route Nationale 911 mag gezien worden, dat wil zeggen, van de snelweg tot net aan de ingang van het koninklijk domein in Ciergnon. Honderd meter verder stopt de vernieuwing. Verder komen belangrijke mensen toch niet. De verkeerslichten aan de koninklijke voordeur knipperen eeuwig wanhopig oranje. Ciergnon: tweehonderd mensen, wat schapen en de trotse eigenaar van de meest nutteloze verkeerslichten in dit stervende koninkrijk. Daar zit een grap in, maar ik stop niet. Om halftwee moet ik mijn opwachting maken bij Vivacité, de Radio 2 van de RTBF, en op mijn eerste werkdag wil ik niet te laat komen.13.40 uur, Rochefort City. Ik ben te laat, loop en hoop dat Vivacité het hier niet rechtstreeks doet. In het Centre Culturel des Roches, het commandocentrum van het festival, word ik op een brede glimlach onthaald. ‘Ah, notre Flamand est arrivé.’ Sinds de uitzending door de RTBF van de gala-uitzending, twee weken geleden, ben ik geen onbekende meer. Het eerste wat ik in handen krijg, is een fles bier met bijbehorend glas, in geschenkverpakking. Een attentie van de sponsor, een grote Vlaamse brouwerij. ‘Een interview met Vivacité, tiens? On ne sait rien.’ De persattaché zeilt binnen en weet raad. Raymond Errera: hij is volslagen onbekend in Vlaanderen, maar zijn naam klinkt als een klok in de Franstalige cultuurwereld en is sinds het begin in 1981 persattaché van het festival. ‘Bonjour monsieur Errera, euh Vivacité?’ De man lacht me toe. ‘Bert, j’ai fait une erreur. Pour Vivacité, c’est demain, da’s toch geen probleem? ’s Kijken, je hebt repetitie om vijf uur, het is nu bijna twee, allez, tijd voor een koffie op het terras, en we kunnen elkaar toch tutoyeren, mag ik hopen?’ De zon schijnt en met deze man klikt het meteen. Ik drink zijn verhalen, hoe hij als milicien in de jaren vijftig zijn eerste spektakel organiseerde, voor Vlamingen en Walen in Duitsland. Hoofdact: megaster Bobbejaan Schoepen. Ze braken de tent af. Hoe hij in 1955 Bobbejaan in het Frans lanceerde in de Brusselse Ancienne Belgique. In het voorprogramma een beloftevolle Brusselaar die een jaar later in Frankrijk zou doorbreken met ‘Quand on n’a que l’amour’. Raymond Errera en Jacques Brel bleven vrienden voor het leven. Raymond werd de persattaché van Brel, organiseerde evenementen in het casino van Knokke, nam in 1960 een piepjonge Claude François onder zijn vleugels, werkte met Annie Cordy, Charles Aznavour, Will Ferdy en zelfs Johnny White! Ik luister, kijk door de ogen van deze man mee in het verleden en geniet. Dankzij Raymond ontdek ik ook dat ik eigenlijk niet in de halve finale zit maar meteen in de finale. Ah bon. Jullie zijn met zes, drie Fransen, een Zwitser, een Waals duo en een Vlaming. Jullie spelen tweemaal. Er zijn ook zes prijzen in de aanbieding. En die worden uitgedeeld door zes verschillende jury’s. Begrijp je? Niet helemaal Raymond, maar dat komt nog wel. 16.30 uur.Ik zeul met rekwisieten richting repetitie. Straks zal ik met een gigantische leeuwenvlag het podium bestormen, maar op straat houd ik die leeuw toch maar getemd en opgefrommeld tegen de vlaggenstok. Het is geen goeie dag om ruzie te zoeken. Want er is echt iets veranderd in dit land. Twintig jaar geleden liet elke Vlaamse scoutsgroep zonder problemen de Leeuw klauwen op de kampweide. Nu heet dat problemen zoeken. De ijverige vendelzwaaiers van N-VA en Vlaams Belang hebben het op het Waalse netvlies gebrand. Elke leeuwendrager is op zijn minst verdacht en waarschijnlijk een halve fascist. Zo eenvoudig is dat.Deel één van de finale van het concours vindt vanavond plaats in la Salle Raymond Devos. De cabaretier, geboren uit Franse ouders in het toen nog Vlaamse Moeskroen, stierf in 2006, maar is hier alom tegenwoordig. De zaal draagt zijn naam, zijn standbeeld staat aan de overkant en zijn handelsmerk, de strohoed, is niet uit het straatbeeld weg te denken. Alle medewerkers dragen de canotier met fierheid, hij verschijnt in winketalages, op affiches en zowat elke artiest speelt zijn laatste bisnummer met de strohoed. Ook ik krijg hem opgeplant en poseer ten bate van het fotoarchief op het bankje voor het standbeeld. “RAYMOND DEVOS, jongleur de mots. Que te spectacle continue.” Dat is het opschrift, mooi toch. Na de repetitie interview met de regionale televisiezender Matélé. Hun journalisten kamperen gewoon op dit humorfestival, het oudste en meest gerenommeerde van Franstalig België. Negentien dagen, vijfentwintig voorstellingen, vijfendertighét evenement van het jaar in deze streek en voor de regionale zender. De voorzitter van het festival, Philippe Halloy, is ook de directeur van Matélé. Dat helpt natuurlijk. De vragen van de journalisten kan ik ondertussen wel dromen. Waarom doet u dit, en wat is het verschil tussen Vlaanderen en Wallonië. Onze humor is scherper mevrouw, harder, en die pruiken en typetjes, en imitaties, dat komt bij ons een beetje passé over. ‘Quoi passé, maar enfin dat is toch leuk, rare jongens, die Vlamingen.’19.50 uur.In mijn kleedkamer twijfel ik plots heel sterk aan mijn grap over de echtgenote van José Happart. Heeft die eigenlijk wel een vrouw, was die mee op de beruchte Amerikareis? Het internet heeft me niks wijzer gemaakt. De paniek overvalt me, ik klamp een medewerker aan. Fernand, hoe zit dat met Happart? Fernand loodst me naar de burgemeester van Rochefort in de viptent. Burgemeester Bollet gaat het voor mij uitzoeken. Merde, hoe kon ik dat vergeten! Vijf minuten voor aanvang stormt de burgemeester mijn kleedkamer binnen. Hij heeft gebeld met zijn MR-partijgenoot die de reis heeft meegemaakt. Neen, Happart heeft officieel niemand. Maar Van Cauwenberghe had zijn echtgenote mee in Californië, ook goed? Dankuwel, meneer de burgemeester. U hebt mijn act gered. De burgemeester wordt met zachte dwang naar zijn vipplaats geleid, de voorstelling trapt af, Cécile Giroud, een jonge Française trotseert als eerste het wilde beest dat publiek heet. Ze vliegt er stevig in, maar de zaal blijft stil. Vent, dit wordt moeilijk. Cécile werkt met de bekende Florence Foresti en dat merk je heel duidelijk aan de stijl. De Franse humor kampt met hetzelfde fenomeen als de Nederlanders. Heel veel aanbod, een bloeiende humorscène maar veel imitaties en doorslagjes van de grote namen. Dan is bibi aan de beurt. Start muziek, de nationale hymne van Vlaanderen schalt door de zaal. Een gemengd koor zingt manmoedig over de Vlaamse Leeuw, die men nimmer temmen zal. De zaal reageert niet. Ze kennen het lied helemaal niet, en van die tekst verstaan ze toch geen woord. Lucky them. Ik zwaai mijn vaandel voorzichtig vanuit de coulissen de scène op. Zelfs de vlaggenstok, in een vorig leven de vishengel van mijn zoon, is geel-zwart. Die vlag herkennen ze wel. Gelach, hier en daar gejoel en gefluit. Ik neem een schep adem, zet een stap, we zijn vertrokken. Vijftien minuten krijg ik om publiek en jury te overtuigen. Eerst vier grappen over mezelf, ééntje over Bart De Wever en dan trekken we het blik Waalse schandalen open. Minister annex zakenmens Didier Donfut, de reis van de Waalse politici, de echtgenotes, Michel Daerden, ze oogsten groot succes. Ik lanceer ook enkele zinnen in het Waals. Mijn copain, de Henegouwse humorist Dominique Watrin heeft mijn tekst fonetisch vertaald. Het was nodig. Het Waals is geen dialect maar een neefje van het Frans, zoals het Fries verwant is aan het Nederlands. Het is eraan te horen ook. Bloed en zweet heeft het me gekost om dat in mijn hoofd te rammen, maar het werkt. Het publiek is even verbaasd en reageert dan zeer enthousiast. Een Vlaming die Waals spreekt. C’est du jamais vu! Maar de voltreffer van de avond is toch de oneliner over Yves Leterme. De arme man heeft het bij onze Waalse landgenoten echt verkorven, hij is het zwarte beest, de antichrist. Als je hen zou vertellen dat de opwarming van de aarde eigenlijk de fout is van den Yves, ze zouden het nog geloven ook.Na de act, de ontlading. Producent Peter zag dat het goed was, regisseur Bruno krijgt een sms’je. Het publiek wordt intussen vakkundig ingepakt door Okidok, een Waals duo dat excelleert in humoristische acrobatie en clownerie. Ze doen hun ding, louter en alleen gehuld in tien oude witte onderbroeken... Per persoon. Ik ken het, want met het gala van de RTBF deelden wij een kleedkamer. Hun grote finale is een sprong van de ene Okidok van op de schouders van de andere Okidok in een wijd opengesperde witte onderbroek. Je moet het zien om te geloven. Maar de reactie van de zaal liegt niet. De publieksprijs hebben ze al in hun zak.23.00 uur.De hele ploeg neemt het avondmaal. Tweehonderdveertig mensen aan lange tafels, pers, medewerkers, artiesten, vipgasten en de burgemeester. Ook wie twintig jaar geleden de persprijs won, blijft welkom. Langs alle kanten wordt er gezoend en driftig op schouders geklopt. Oude bekenden vergelijken buik en grijze haren, de lach zweeft in een wolk boven de tafels. In de belendende tent schiet de karaoke uit de startblokken. Dit wordt een lange nacht. Ik probeer nog wat reacties te sprokkelen bij de bekende gezichten. De tamtam fluistert dat de Franse en Zwitserse delegaties in de jury mij wel een leuk personage vonden, maar geen snars begrepen van het onderwerp. Tuurlijk niet, het thema Vlaanderen-Wallonië is voor een Fransman zoiets als Erpe versus Mere. De Fransen begrijpen ook helemaal niet dat ik een voorstelling schrijf die enkel voor België is bestemd. Hoe kun je nu un spectacle maken in het Frans dat je niet in Frankrijk wilt brengen, ça c’est vraiment du jamais vu! Freddy, voorzitter van het humorfestival van Bierges, wil me ver voorbij middernacht per se nog een populair, ietwat schunnig Waals liedje aanleren: ‘Elle m’avait toudi promis.’ Wie interesse heeft, moet maar eens Didier Reynders en karaoke intikken op YouTube. Ik doe mijn best, maar het Waals vlot niet meer en ik vlucht uiteindelijk naar mijn hotel. En dit was nog maar dag één.

Donderdag 21 mei

9 uur.Bij het ontbijt in de grote tent word ik op applaus onthaald en moet meteen bewijzen dat ik het Waalse liedje van de kanarie en het meisje nog ken. Euh, is er ook koffie? Na het ontbijt zoek ik de stilte op van de Ravelfietsroute op de oude spoorlijn. Leopold II moest in alle comfort naar zijn buitenverblijfje kunnen sporen en dus werd er op de lijn Brussel-Luxemburg een aftakking aangelegd via Rochefort naar het kasteel van Ciergnon. Nu is het er rustig fietsen, ook op een feestdag. Een hagedis flitst een muurtje in, aan de Vlaamse kust liggen ze weer zij aan zij sardientje te spelen. 12.30 uur.Lunch in het restaurant en face, eigendom van de voorzitter van het festival, inderdaad, de directeur van de regionale televisie. Zeg nu nog dat Walen niet ondernemend zijn. Tijdens de lunch komt meer dan één festivalmedewerker bezorgd vragen of er geen probleem is, je zit hier zo alleen, Bert. Neen, neen, dank u. Anderen, trots op hun kennis van de Nederlandse taal, wensen me ‘smakelijk eten’. Eentje lanceert met een glimlach choeten appetijt. Bij de medewerkers zit de sfeer er in elk geval goed in. Met dertig eten ze aan een lange tafel op het voetpad. Als een jazzorkestje hun kant opwandelt, barst het feest meteen los. Er wordt gezongen en gedanst in het midden van de straat. Patricia, een van de onvermoeibare krachten, vertelt achteraf: “Na twee weken festival zaten we er een beetje door, dus zijn we samen eens lekker gaan eten en nu kunnen we er weer tegen.” De inzet van deze mensen is grenzeloos, het respect voor hen is dat ook. Elke artiest vraagt aan het einde van zijn voorstelling steevast een groot applaus voor de vrijwilligers, tweehonderd man sterk, die de boel drie weken lang draaiend houden. Er is een speciale avond van de medewerkers, in het festivalkrantje dat driemaal per week verschijnt, schitteren ze met hun foto, ze hebben zelfs hun eigen lied gekregen, ‘à tous les bénévoles du monde entier’. Elke artiest krijgt de cd cadeau. En het wederzijdse respect werkt. Nergens hoor je een snauw of het begin van een ruzie, stress is een onbekend woord, je mag alles vragen aan iedereen, niemand zegt ‘dat is mijn functie niet’, en alles werkt perfect, 24 uur per dag. En dat zijn die luie Walen, meneer!! 13.30 uur.Interview met Vivacité. De presentatoren stellen vragen tegen 120 per uur. Hun radde Frans is soms te hoog gegrepen voor mij. Als ik het niet begrijp, zeg ik gewoon wat ik toch al wou zeggen. Ik zie de verbijstering in hun ogen, maar ze sparen mij, laten we het gezellig houden. Na het interview concentreer ik me in de eenzaamheid van mijn hotelkamer op de grote opgave van deel twee van de finale: veertig minuten lollig zijn in het Frans. Vanavond spelen we voor de prijs van de jongeren en van de cafés-théâtres, zeg maar het kleine circuit. Ik maak een nieuwe versie van het Waalse volksliedje. Bij mij wordt het een Waalse politicus die zijn vrouw een reisje naar de Verenigde Staten belooft. On verra bien.21.00 uur.In de Cabaret Duvel Vedett heeft Okidok de lach weer ’s aan de onderbroek hangen. Ik zoek een rustig plekje voor de laatste tekstlezing. Niet vanzelfsprekend. Recht tegenover onze Cabarettent staat een groot scherm opgesteld, Anderlecht-Standard woedt, de meerderheid van de luidruchtige supporters is voor Anderlecht. Een Standardsupporter houdt me staande op straat en ik merk nu pas dat ik een paars hemd draag. ça alors. Maar hij ontdooit. C’est toi, le salaud, euh, le seul Flamand qui vient jouer ici?Hey, super, dit! We schudden handen en zijn vrienden voor het leven. Okidok is intussen met succes in de onderbroek gedoken, ik moet op. De leeuwenvlag wordt op oorverdovend gejoel onthaald. Dit is duidelijk een ander publiek dan gisteren, c’est la Wallonie profonde, drie bejaarde vriendinnen op een avondje uit, jonge gezinnen, Jean avec la casquette, quoi. Ik vertel maar meteen dat ik in deze cabaret niet de Vedett ben, meer de Duvel. Ze vinden het leuk. Mijn Waals vinden ze evident, het liedje zingen ze mee en Leterme is weer de grote boeman. De voorstelling wordt tweemaal overstemd door het gejoel van de voetbalmatch aan de overkant van de straat. En aan het einde geven de Walen minutenlang applaus. Dat hoort zo in deze cultuur, met snel even groeten en weer weg kom je er niet vanaf. Gerard van het Internationaal Lachfestival van Houthalen en één van de weinige Vlamingen hier aanwezig heeft in deze tent ooit een applaus meegemaakt dat welgeteld een kwartier duurde. Walen hebben een diep respect voor artiesten.23.45 uur.Vannacht staat er waterzooi van kip op het menu. Tot diep in de nacht praat ik met Isabelle, Philippe en de burgemeester over Vlamingen, Walen, de erbarmelijke staat van het onderwijs in Franstalig België, de Vlamingen en hun streektaaltje, de strapatsen van Maingain, B-H-V. De burgemeester benadrukt dat zij in de eerste plaats Ardennezen zijn, die weinig op hebben met de praktijken in Charleroi. In heel Rochefort hangt ook geen enkele affiche van de PS. Ik vertel dat Franstaligen in Affligem eisen dat vergaderingen op school ook in het Frans plaatsvinden. Het wordt stil rond de tafel. Maar Franstalige kinderen mogen zelfs op de speelplaats van hun Nederlandstalige school in Brussel geen Frans spreken met hun mama, werpt een ander op. Ik heb de fut niet meer om de goeie bedoelingen van al die regeltjes uit te leggen. Mijn Frans begint te stokken, het is bedtijd.

Vrijdag 22 mei

9 uur.Tijdens het ontbijt staat alweer een zangstonde op het programma. Het liedje blijkt meer dan één strofe te tellen, ik moet ze allemaal proberen. Er is ook een probleem met mijn Waalse zinnetjes. Mais enfin, Bert, je klinkt als een vent uit Henegouwen, dat is voor ons Ardennezen onverstaanbaar, leer toch een deftig accent, eentje uit Namen of dat van Luik. En je Frans wordt ook veel te goed, je Vlaamse accent verdwijnt op het podium. Straks denken de mensen nog dat je een Fransman bent! Het is ook nooit goed. Na het ontbijt wip ik even over naar Vlaanderen voor familiale verplichtingen en mis zo de afvaart van de Lesse, de traditionele excursie voor de buitenlandse gasten. Op de Brusselse ring zijn de zelfmoord-BMW’s weer in goede doen. In Ternat is een ongeval gebeurd, de linkerrijstrook is versperd. Welkom thuis. Franse woorden sluipen binnen in mijn Vlaamse conversatie. Die verfransing gaat wel snel.19.30 uur.Ik sta weer in Rochefort. Fernand heeft het nieuws gevolgd en is ongerust over de verkiezingsrelletjes in Halle, waar Franstalige kandidaten zich de weg versperd zagen door Vlaams-nationalisten. ‘Daar gaan nog ’s dojen vallen. Want gij zijt ne goeie zenne Bert, mor d’er zen der anderen.’ De anderen weten niet waar het over gaat. In Rochefort is de Vlaamse rand ver weg. Niet zo voor Fernand. Hij is een echte Belg, woont in het Luikse Esneux, is geboren in de schaduw van de mijn van Beringen, heeft altijd in Brussel gewerkt en iedereen mag het horen dat hij met mij enkel Vlaams spreekt.20.30 uur.Mijn Franse collega Florent Peyre geeft zich helemaal in de tent. Ik hoor wat bekende teksten voorbijkomen. Florent heeft ook een grapje over een fictief optreden in Amsterdam en braakt iets uit dat volgens hem Nederlands is, maar mij klinkt het nogal Fins in de oren. Het publiek verroert geen vin. Deze mensen weten, dankzij de toeristen, wat echt Nederlands is, maar dat besef is echt te veel gevraagd van een wereldvreemde Fransman.23.50 uur.Na het stomende optreden van Pierre Theunis maken jury en kandidaten, strohoed op het hoofd, zich klaar voor de prijsuitreiking. De grote prijs, de pers- en de cultuurprijs zijn voor de timide Gaspard Proust, de Zwitserse neef van Philippe Geubels. Ik mag naar huis met de prijs van de cafés-théâtres, santé. Publiekslieveling Okidok klimt nog eens op de schouders, maar de onderste helft van het duo, François heeft de voorbije uren iets te veel kennis gemaakt met het rijke bierenpalet van Rochefort. Zijn collega, Benoit, dondert naar beneden en belandt net niet in het drumstel. Ambiance! We gaan de nacht in op de tonen van ‘Alexendrie, Alexendra’ van Claude François.

Zaterdag 23 mei

10.30 uur. Vandaag is de grote dag. Straks word ik tot ridder geslagen in de Confrérie de la Grusalle et de la Trappiste de Rochefort. De culinaire ordes boeren goed in de Ardennen. Een vijftiental zijn hier verzameld, uitgedost met lange, kleurrijke mantels, vreemde hoofddeksels en pluimen. Processiegewijs gaat het richting Square Crépin. Ik moet op kop, samen met mijn Waalse collega, de volkse humorist Albert Roulive. Vlaamse toeristen weten niet wat ze zien. Ik weet niet wat komen gaat. Naast mij loopt de wapenmeester van de confrérie. Met forse tred en fiere snor draagt hij de degen die me straks tot ridder zal slaan. De man komt me bekend voor, maar mijn geheugen is met vakantie. Op de Square geeft de grootmeester van de confrérie een plechtige toespraak, daarna is het de beurt aan de eregasten. Ik probeer enkele woorden in het Waals, die op luid gejuich worden onthaald. En dan het grote moment. Albert en ik mogen allebei onze eigen bessenstruik planten. U leest het goed, in het centrum van Rochefort staat nu de bessenstruik van Bert Kruismans, naast die van grote namen als Laurent Chandemerle, Jean Vallée en André Gaillard. Straks komt er nog een gouden plaatje met mijn naam op, voorlopig doen we het met een kaartje in plastic. De bessen van deze Ribes Uva Crispa, zeg maar kruisbes, worden volgend jaar verwerkt in de plaatselijke pittige likeur, de grusalle. Ik ben nu al uitgenodigd voor de degustatie. Na de boomplanting gaat het richting tent, waar ik en zevenentwintig andere gasten uit België, Zwitserland en Frankrijk tot ridder worden geslagen. In de tent herken ik in de wapenmeester plots mijn eigen hotelbaas! Thuis is hij een ingeslapen, oude man met een bazige vrouw. Hier is hij de manhaftige chevalier, dit is zijn dag. De ridderwijding wordt met enkele glazen gevierd. En ik moet natuurlijk nog eens het liedje zingen. Zij krijgen er maar niet genoeg van, maar ik ben oververzadigd, door de hartelijkheid, de warmte, de schouderklopjes van tientallen mensen, de vrienden voor het leven. En straks volgt nog de poëtische voorstelling van de Canadees Xavier Mortimer en dan de ultieme feestnacht met de hele bende.ça alors! La Wallonie, terre d’accueil? Wees gerust.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234