Zaterdag 24/08/2019

Kom eens uit uw koterij

“Daar kan ik niet over beslissen. Ik woon hier niet, mijn zoon woont hier. Ik kan dat niet zomaar laten zien. Op de buiten is dat gevaarlijk. Moest er daar iets van komen.”De gepensioneerde man, bloot bovenlijf, donkerblauwe tennisshort, is resoluut. Hij is de eerste persoon aan wie we vragen om zijn achterbouw te mogen zien. Ik begrijp zijn reactie niet. Gevaarlijk? Dat het gênant kan zijn, begrijp ik. Of dat je vindt dat we daar geen zaken mee hebben, dat dit te privé is om te tonen aan een krant en haar lezerspubliek, dat begrijp ik ook. Maar gevaarlijk? Is hij bang dat er inbrekers meelezen, herbergen deze weliswaar propere maar toch veeleer schamele kotjes dan zulke rijkdommen? Met de schilderkwast waarmee de man de garagepoort van zijn zoon aan het oliën is, wijst hij naar de achterbouw.“Misschien dat niet alles op het plan staat, dat weet ik niet, natuurlijk.”Aha! Deze achterbouw zou wel eens het resultaat kunnen zijn van bouwdeugnieterij. Je broer had nog wat stenen over van zijn bouw en je komt goed overeen met je buren, dus waarom zou je de moeite doen om die vergunning aan te vragen... En voor je het weet, staat het er. En voor je het weet, staat het er dertig jaar. Fotograaf Jonas staat verliefd omhoog te kijken in een bijbouw waar achter een groot glazen venster de was staat te drogen. Hij kijkt naar het plafond, naar de nog zichtbaar aanwezige afvoergoot van de vroegere, kleinere bijbouw.Archeologen zullen het over tweeduizend jaar heel makkelijk hebben. Als ze onze huizen opgraven, moeten ze gewoon de valse plafonds uitbreken, en ze zullen alle uitbreidingsfases van huizen sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw kunnen reconstrueren. “Ja, daar moet het vals plafond nog gestoken worden”, zegt de man, terwijl hij opnieuw begint te oliën, ten teken dat de audiëntie afgelopen is.Achterdocht. Al na één bezoekje voelen we dat dat de grootste hinderpaal zal zijn in de zoektocht naar koterij en de verhalen erover. Zien we eruit als controleurs dan? Wij? We overwegen ons in te schrijven voor Extreme Makeover.Of hebben we de vraag fout gesteld? “Mogen wij uw achterbouw eens zien?” Sommige vrouwen zouden u een klets rond uw oren draaien als ge de vraag zo stelt. “Mogen wij uw koterij eens zien?” Iedereen zal beter weten wat we bedoelen met ‘koterij’ dan met ‘achterbouw’, maar het klinkt te oneerbiedig. Hoe krijgen we mensen zover dat ze ons een inkijk gunnen in misschien wel het intiemste deel van hun huis: de koterij?

“Wij zijn alletwee zot van achterbouwen en koterijen. We zagen van op straat dat u een prachtig duivenkot hebt staan.”Roger Demeyer, bijna tachtig, heeft de deur een beetje geopend. Weer loert er achterdocht van onder de borstelige wenkbrauwen. “Een duivenkot, ja. Maar laat dat prachtig daar maar van af. Dat is een duivenkot. Niets meer en niets min.”We hadden voor de eerlijkheid gekozen als strategie. Wij vinden het duivenkot van Roger écht prachtig. Roger vindt onze esthetische waardering eigenaardig, doch we mogen achterom zijn duivenkot gaan bekijken. Verder op zijn eigendom staan nog drie grote stallen die vanaf de straat niet zichtbaar waren. Roger moet beesten gehad hebben, en veel.“Ge moet wel niet te veel reclame meer maken voor mijn duiven, want ik heb al aftrok genoeg met die beestjes. Ze komen van vér om ze te kopen. Kijk, ze zijn aan het vallen, sie.”De duiven vliegen het hok binnen via een schuin raam op het eerste verdiep van het kot. Het gelijkvloers van het bouwsel is gemaakt van snelbouwstenen, stukken glas en groen geschilderde staldeuren.“Dat kot, dat is zo’n beetje met een keer gebeurd. Dat was een oude stal die op instuiken stond. Ik heb die wat opgekalefaterd en wat hoger gemaakt. Het tweede verdiep, dat is een houten cadrement met een eternietplaat voor.“Dat middelste raam was een raam uit een afbraak, maar dat voorste en dat achterste raam heeft er een timmerman voor mij gemaakt. Ziet ge dat schuin raam, waar ze landen? Daar ligt een plaat op, de duiven hebben een chip aan hun poten, en die tekent daar. Dat is veel werk gespaard. Kijk, mijn klein blauwke is juist geland, sie. Wacht!”Een kot dat elektronische chips registreert, wie durft er nog zeggen dat de koterij niet met zijn tijd mee evolueert? Roger duikt het duivenkot in. Het spijt mij, Roger, maar ik kan niet anders dan het kot graag zien. Het groen van deuren en vensters, de klimop tegen de zijmuur, de elektriciteit die via een zwarte kabel vanuit het huis het kot binnensluipt. Roger komt terug buiten met zijn Klein Blauwke.

exotisme

“Kijk, dat is mijn beste, sie. Een kleintje, maar het kan sjarse geven! Het heeft al de eerste en de tweede gevlogen, de zevende en de tiende. Een tijdje geleden dacht ik, zou ik hem lossen, hij zat niet te goed in zijn pluimen, een pen verloren ook, maar hij vloog toch weer goed, zulle. Demeyer. Met kleine m en alles aan elkaar. Ik heb dat in het lokaal al dikwijls moeten zeggen. Het moet hetzelfde zijn als op uw paspoort, anders zoudt ge uw prijzengeld niet krijgen. Ge moet dat nekske nu toch eens zien!”Roger kijkt naar zijn Klein Blauwke, ik zie dat hij de duif prachtig vindt. De duif wel, het kot niet. Een kot moet praktisch zijn, en een goed kot voor zijn geliefd Klein Blauwke, en meer moet dat niet zijn. Waarom maakt het bij ons meer gevoelens los dan bij de generatie die de koten bouwde? Is het exotisme? Vinden we de koten mooi en boeiend omdat het eigenlijk onze wereld niet meer is?

“Niet te veel zeggen, dat komt hier in De Morgen, hé. En de soep is al gereed, ook.” Raïs probeert haar echtgenoot Julien te overtuigen om niet te vertellen over zijn kot achter de tuin, waarin zijn twee tractors geparkeerd staan. Julien heeft ook al gezegd dat hij niet wreed zot is van in de belangstelling te komen.“Er daar staat toch alleen maar brol, in die lochting.”Fotograaf Jonas gaat niet akkoord. Hij heeft in die tuin bijeengebonden populierentakjes gezien, en hij gaat in discussie dat dat geen brol is, en dat dat boeiende en belangrijke dingen zijn. Is dat het, denk ik. Behoort koterij, net zoals de bijeengebonden populieren- of wilgentakjes om de broodoven mee in gang te duwen, tot de teloorgaande tradities, en vinden wij het daarom mooi? Julien beslist om ons toch zijn garage te laten zien, ondanks de koud wordende soep.“Ik heb dat dus zelf gefabriceerd. In ’93. Met boogijzers. Wij hebben nog eerdbezen gekweekt. Dat was onder zulke ijzers, maar met klare plastiek. Van bij Coppens, in Nevele. Aan de voor- en de achterkant heb ik daar een soort eternietplaten opgelegd, met vijzen. Alles met overschotjes en restjes. En het staat er toch ook al vijftien jaar, hé.“Och, die tractoren, dat is een hobby. Ik ben tachtig jaar, en ik heb een maagbloeding gehad. Veel doe ik daar niet meer mee. Ik hang die bak daaraan. Ook zelf gemaakt. Ge kunt die opheffen. Dat is om de takken of gelijk wat afval dat ge hebt mee te verslepen.”Julien poseert gewillig voor de garage. Raïs wil er na wat tegenpruttelen bij, maar niet zonder te proberen nog wat orde te scheppen in de chaos van haar man.“Kom, zet nog snel die emmer weg! En die gieter! Ge gaat dat toch niet op de foto zetten?”Terwijl Raïs in allerijl probeert een in haar ogen wanhopige situatie nog recht te trekken, denk ik dat dit nu net is waarom ik van een kot houd. Een kot is ruw, onopgesmukt, wild, en dat vaak in tegenstelling met een bijna maniakaal opgeruimd en georganiseerd huis. In huis zwaait de vrouw de scepter, in het kot mag de man de man zijn. De vrouw haalt haar schouders op, en laat de man daar in zijn wanorde ploeteren.

“Lucien. Ik woon hier alleen.”Dit is waarschijnlijk de zuiverste vorm van koterij. Een lange sliert kotjes, zoals een konijn een steeds diepere konijnenpijp graaft.“Het was origineel tot hier. Dat was het konijnenkot. Nu zit daar een badkamer. Vroeger was het wassen in de keuken. Die deur kwam aldaar buiten. Hebben we daar een badkamer van gemaakt, hé.”De pomp in de keuken, tegen een achtergrond van exuberante en prachtige blauwe tegels, doet het nog. De Leuvense stoof staat ook nog werkensklaar. Lucien toont ons de plejade van achterbouwtjes.“Dat was hier een zwijnskot. Twee zwijns. Nu zitten er duiven in. Mannetjesduiven. Voor het moment heb ik er niet veel. En dat is hier een beetje van een vuil kot. Hier staat van alles. Rommel. Briel. Verve.”Het vuil kot is opgebouwd uit grijze assestenen, met een asbestplaatje erbovenop. Tussen de grijze stenen heeft Lucien de voegjes wit geschilderd. Het wit contrasteert aandoenlijk met het sombere steengrijs. Helemaal achteraan, achter de slijpsteen, staat het laatste kot.“Die andere koten zijn gezet door mijn grootouders. Dat achterste kot hier is door mijn vader gezet. Ik was dertien, veertien jaar toen. Ik moest de stenen aanbrengen. Hier waren er ook konijnenkoten. Daar zat den buk, al boven. We hadden hier veel konijnen, ik denk wel honderd. Mijn pa heeft dat gedaan tot hij niet meer kon.”Lucien trekt de laatste deur open, het licht valt overvloedig binnen in het helwit geschilderde hok waarin de felwitte duivinnen fladderen. Dit zijn visuele sensaties die je in huis nooit meemaakt! Aan een roeste punaise hangt een geplastificeerd briefje met tabelletjes en namen van steden.“Dat is de snelheid. Als ze 800 meters per minuut vliegen, vliegen ze een uur en 58 op Arras. Dat is Clermont, dat is Dourdans, en dat is Orléans. Ik heb goede duifkes gehad. Maar vandejare is flauw.”Bij het buitengaan van het kotje valt mijn oog op een inscriptie in het cement boven de deur.“Jules Vanhauwaert, 1954.”

lichte pretentie

De pa van Lucien heeft zijn creatie gesigneerd. Ik vind het ontroerend. Soms, als je behang afstoomt in een oud huis, vind je in potlood opschriften van de schrijnwerker of van de plakker. Maar die signeren omdat ze weten dat het toch onder het behang verdwijnt. Hier is de inscriptie duidelijk zichtbaar, zodat Jules, telkens als hij zijn duiven ging doen, kon zien en denken: ik, Jules Vanhauwaert, heb dit kot gezet. Is dat ook wat ik fijn vind aan koterij? Koterij wordt altijd geroemd om de pretentieloosheid, de bescheidenheid. Ik vind koterij net niet bescheiden. De koterijen zijn vaak illegaal gebouwd. Dat is al een daad van verzet en anarchie. Uw misdaadje signeren is een beetje arrogant. Ik denk net dat koterij getuigt van een lichte pretentie, dat ze een creatieve uitbarsting vormde van een ego dat op het werk en in het huis noodzakelijkerwijze Vlaams klein werd gehouden, en dat zich in de achterbouw kon laten gaan. Dat de koterijen met gekregen en weinig hoogwaardig materiaal zijn gebouwd, geeft die pretentie het nodige tegenwicht.“Kijk, al die grond is nog van mij”, wijst Julien naar een stuk wei achter de koterij, waarop twee elegante paarden staan te grazen. “Van mijn gebuur, ik laat ze daarop grazen. Goeie paarden! De moeder heeft nog een grote prijs gewonnen op Waregem Koerse.”

“Oh, dat is na het huis gezet geweest. Kijk, het staat er hier nog op, zie. Van ’67 staat die garage hier.”In Bavikhove wrijft Jef een beetje stof van de vensterbank, net als bij Lucien is ook hier de garage annex het werkhok gesigneerd. Vrouw Tine arriveert.“Oh, het is hier geen luxe-achterbouw, hoor. Toen wij hier bouwden, had ik nooit gedacht dat wij ooit met de auto zouden rijden. Ons soort mensen? Wij zijn hier komen wonen voor de goedkope grond. Dat was hier een sintelbaantje, ons afvalwater liep hier gewoon weg tot aan de teerput.”Eigenlijk is de achterbouw van Jef en Tine veel te netjes gebouwd om tot koterij te kunnen worden gerekend. Maar toch zijn er een aantal dingen waardoor het dichte familie is van het kot. Het heeft verschillende functies: garage, werkhok, rijpingsplaats voor de pompoenen. Het is de garage van Jef, die ze op zijn manier organiseert. Op een plankje staan twintig confituurpotjes op een rij, gevuld met vijzen en nagels. De werkbank is een oude tafel. Boven de tafel hangt een kastje met pastelroze, pastelgroene en pastelgele schuifjes. “Dat is nog van het keukentje van de kinders en de kleinkinders geweest. En nu heeft opa het gerecupereerd.”Aan het plafond hangen extra latjes, om planken te kunnen stockeren, een lange snoeischaar, deksels voor op de groentebedden. Aan een nagel boven ons hoofd hangt een koperen keteltje.“Eigenlijk mochten we die achterbouw niet zo groot zetten. Maar we hadden geïnformeerd hoeveel die boete was, en dat was nog niet te veel, dus we dachten, we betalen die boete dan, als hij komt controleren, het is het ons waard. En de controleur is komen kijken, maar het was koud, en hij was rap weg. En we hadden alleen in de breedte een beetje gezeurd. We hebben niets moeten betalen.”Oh, wat moet dat een heerlijk beroep geweest zijn toen, controleur. Je werd goed gesoigneerd omdat je mensen kon beboeten, en je kon oogluikend één en ander toestaan, omdat je werkgever eigenlijk ook niet echt van je verlangde dat je de wetgeving liet naleven. Wat een fijn stukje absurd theater moeten die controleurs dag in dag uit toch uitgevoerd hebben!

Maandagavond in café het Doornhammeke in Zevergem. Tegen het café leunt een bijbouw die volledig het koterijgevoel oproept. Rondomrond betonplaten, geschilderd in een kleur in het schemergebied tussen blauw, grijs en wit. Op de boldeine binnen in de bijbouw wordt elke maandagavond gekrulbold, voornamelijk door grijsharige mannen. Zes mannen spelen het krulbolspel, op een chape met wat kleigrond over die na elk spel wordt geharkt. De spelers staan in een kooi van kiekendraad, om te voorkomen dat een wegschietende bol het gebit van een toeschouwer vermassacreert. Raampjes aan de zijkant, met verschoten gordijnen. Rode, zelfgeknutselde, metalen sigarettenbakjes. Romantiek verknallende tl-lampen schenken gulzig wit licht. Er hangt een bel om de bediening te roepen. De streekbieren staan achter een beschermlat. De dynamiek is de dynamiek van mannenspelen over de hele wereld. De pleziermaker? Aanwezig. De stille kracht? Aanwezig. De strever die niet tegen zijn verlies kan, en dat probeert te verbergen? Aanwezig.Hier is het kot zeker puur functioneel. Het is de kortste weg naar het bollen. Onderdak hebben, licht, bescherming tegen rondvliegende bollen. Ik moet denken aan de fluorescerende omgeving van de discobowling op donderdagavond. Strike! Pling Pling! Ik word een beetje misselijk van het oproepen van die sensaties.Is dat het? Roept het kot vooral de tegenstelling met nu op? Is mijn voorliefde voor de scheve, rare, gammele, kleurige, wilde bouwsels te verklaren uit een tegenstelling met veel zaken nu? Is het uit onvrede met het feit dat we een kapsalon voorbijkwamen dat niet langer ‘kapsalon’ heet, maar ‘haaratelier’? Is het uit protest tegen de ultra-afgewerkte nieuwbouwhuizen waarin het leven al volledig uitgestippeld is: alles wat we nog moeten doen, is de twee kinderen maken en de twee auto’s kopen, de slaapkamers, de garage en de carport staan al klaar.Onze relaties springen na vier à vijf jaar af, maar we bouwen voor het leven. De relaties van onze grootouders duurden tot ze stierven, maar ze moesten telkens uitbreiden omdat ze klein hadden gebouwd. Is mijn appreciatie van de koterij een waardering voor een soort voorzichtigheid, een soort ‘we zien wel hoe het loopt, en als het nodig is, zetten we wel een kotje bij’-mentaliteit? Of idealiseer ik dat ook weer? Was die voorzichtigheid eigenlijk angst, gebrek aan durf?

In de volkstuintjes van Merksem steekt Hubert binnen zijn tanden in, om ons beter te kunnen vertellen over zijn kot. Van achterdocht is bij Hubert geen sprake. Hij praat honderduit. Is dat het verschil tussen de plattelandsbewoner en de stedeling? Of is het omdat zijn huis op twee kilometer afstand van zijn kot staat, zodat zijn kot sowieso zichtbaar is?“Ik heb het tuinhuis zelf gebouwd. Dju, ik heb het foto-album nu niet bij, anders kon ik het u tonen. Ik heb dat hout gekregen van een winkel die stopte, in mijn buurt. Ik heb dat dan in de garage op maat gezaagd. Kijk, hiernaast is een wc’tje. Dat heb ik gekregen. Daar zit de generator, die heb ik in Kontich gehaald, via de Koopjeskrant. Daar zit de beerput. En hier vang ik mijn regenwater op.”Achter het kot staat een wonderbaarlijk systeem van vier imposante, met elkaar verbonden blauwe vaten.“Die vaten heb ik gekregen van een maat die bij Candico werkte, die heeft dat kunnen regelen voor mij. Die tegels? Heb ik gekregen. Mijn serre heb ik ook gekregen van mijn kozijn. Hij had een huis gekocht met een grotere serre op. De betonplaten om de beddekes te maken? Heb ik ook gekregen. En de tuinkabouters hebben we ook gekregen. Dat is mijn vrouw die dat regelt.”Als het de bedoeling is dat koterij zoveel mogelijk opgetrokken is uit recuperatiemateriaal, dan scoort Hubert 100 procent! Als een lichte bouwovertreding de voorwaarde is, dan scoort Hubert slecht. Zijn huisje en zijn serre beantwoorden volledig aan de goedgekeurde plannen die hij uit een lade opdiept. Hier en daar staan er in de volkstuintjes nochtans flink uit de kluiten gewassen tuinhuisjes die voorzien lijken van alle elementaire luxe.“Dat wordt nu meer wat meer gereglementeerd door de provincie. Vanaf nu mag het nog maximaal vijftien vierkante meter groot zijn.”Reglementering. Het grote woord is eruit. Reglementering. Bijna elke interpretatie van het fenomeen ‘koterij’ vertrekt vanuit het feit dat de Belg achter zijn huis zit te foefelen en zijn goesting zit te doen omdat hij de staat niet vertrouwt. Die staat heeft ons immers eeuwenlang nooit kunnen beschermen tegen bezetters, en verdient ons vertrouwen daarom niet. Het merendeel van de koterij is volgens mij eerder vanuit laksheid van de overheid te verklaren. Als de overheid de ouders van de bevolking zijn, dan hebben de ouders de kinderen rotverwend opgevoed op het vlak van ruimtelijke ordening. In de Besluitwet van 1946 op de Stedenbouw moeten gemeenten voortaan een algemeen plan van aanleg opmaken, maar er worden geen sancties voorzien bij niet-naleving. En in 1948 geeft de katholieke wet-De Taeye een premie voor de bouw of aankoop van een woning. De combinatie van die twee wetten vlak na de oorlog vormt het startschot van een ongebreidelde bouwwoede. Is koterij dan de opgestoken middelvinger van de kleine man naar de overheid? Of is koterij het logische gevolg van een ouder die zelf niet volwassen genoeg was om zijn kind beperkingen op te leggen en te leren aanvaarden? De mentaliteitswijziging is langzaam en pijnlijk, zoveel is zeker. Of verdwijnt het kot vanzelf?

Lieven en de papa van Annelies zitten op het dak ferm te wrochten aan een forse dakkamer, als Annelies ons de achterbouw toont.“Dat was hier normaal open, maar mijn vader heeft dat toegemaakt voor de katten. Hier is de keuken. Hier is ons saske. En hier is eigenlijk onze opbergplaats voor zogoed als alles. Ja, grof hé, hoe vol het hier staat. Het is de bedoeling dat we na de verbouwing onze slordigheid kunnen wegsteken, alles achter wandkasten tot aan het plafond. Het wordt hier allemaal open, en hier komt een kookeiland. En de achterbouw gaat volledig plat. We gaan het rechttrekken.”Als alles klaar is, zullen Lieven en Annelies elke beschikbare vierkante centimeter uit hun bescheiden rijhuisje gepuurd hebben. Het is een benadering die diametraal tegenover de invalshoek van de koterij staat. Een architect, een masterplan, grote werken ineens durven en moeten doen. En dat zorgt al eens voor een beetje spanning bij de papa als we Lieven op het dak nog een vraag willen stellen.“Laat hem nu toch eens werken. Met al ulder ne zjiever!”

Langs de spoorweg is er een absurd wegje achter de tuintjes door, naar een garage tweehonderd meter verderop die iemand daar heeft neergeploft. Het is ongetwijfeld een bouwovertreding, maar het wegje heeft tot praktisch gevolg dat Tina haar mobyletje langs achter in het tuinkot kan zetten.“Wij hebben al een beetje veranderd in de achterbouw. We hebben er een stuk van onze living ingezet, en een keuken ingestoken, en het verste kotje is het chauffagekotje geworden. En in het kot hier achteraan stockeert mijn man zijn gerief. Hij doet in vintage gerief, de jaren vijftig, zestig, zeventig, tachtig.”De hippe, strakke, kunststoffen spullen contrasteren met de chaletstijl die de optrekker van het gebouwtje in gedachten moet hebben gehad. Ik verwacht elk moment ergens in een hoekje een Zwitser mit Lederhosen en een koebel rond zijn nek te zien schommelen in een Eames Rocking Chair.“We zijn nu aan het denken of om iets anders te kopen als we ons kunnen verbeteren, of om het chauffagekotje uit te smijten, en de keuken uit te breiden, te verdubbelen in feite.”Zie ik het goed, en krimpt het chauffagekotje (vier verschillende glassoorten op twee vierkante meter glas) van angst een beetje ineen? Zijn de kotjes zich bewust van de verloren strijd die ze aan het voeren zijn? Ik denk er ’s avonds over na terwijl ik bij een vriend in een migrantenbuurt op het dakterras sta. De stadstuintjes staan vol met doorzichtige golfplaten die met PU-schuim tot een rommelkotje bij elkaar gekleefd zijn. Op de roofing van een achterbouw staan een partij tegels, een paar zakken cement, een kinderfietsje. En een rolstoel. Een rolstoel?? Hoe gehandicapt ben je als je je eigen rolstoel nog tot op het dak van de achterbouw kunt tillen? Ik kijk uit over de daken, de roofing, de golfplaten, de lichtkoepels, en ik hoor opnieuw de nuchtere woorden van Tine, de vrouw van Jef.“Och, als wij weg zullen zijn, dan zullen ze van ons huis alles in tweeën slaan. Dat is toch zo? Dat is ook niet erg. Dat was en dat is hier allemaal hoe Jef en ik het goed vinden. Jonge mensen willen andere dingen en vinden het anders goed. Zo gaat het altijd.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden