Zaterdag 18/09/2021

Koloniaal tegen wil en dank

Schrijver Auke Hulst reisde door vergeten land Birma

Van de regio's die onlangs in het nieuws zaten, is Birma het land waarover we het minst weten. De Nederlandse schrijver Auke Hulst trok door het voormalige Britse rijksdeel en stelde vast dat je het kolonialisme wel uit het land kunt halen, maar niet uit de mensen. 'No, no. You first.'

Door Auke Hulst Foto's James nachtwey

Een oprijlaan knarst en opeens waan je je in Engeland. Met de iPod op ben ik verzeild in de wereld van George Orwell, de schrijver die ooit in Mandalay de Britse Kroon diende. Birma's tweede stad had indertijd een magische klank, al was het er vies en warm. Tegenwoordig maken Chinezen er de dienst uit. Ze bouwen flats, rijden rond in moderne auto's en beginnen winkels in elektronica. Trucks vol rotzooi rijden af en aan vanuit het Chinese achterland. Dwars door de bergen, waar het voormalige Britse heuvelstation Maymyo zich verzet tegen de tijd.

Je komt er via een kronkelweg opstijgend uit dampende hitte, richting verkoeling, bloemen en fruit. In een mistig bos zie ik een markt, langs de weg staan kraampjes met groente, wijn en honing. Uiteindelijk doemen de koloniale villa's op; ze staan langs slingerende lanen. Paarden trekken koetsen voort, wachtend op gentlemen die al lang overleden zijn.

Het Candacraig, het oudste hotel van Opper-Birma, is afgeschermd door bomen. Chauffeur Myo wil ons eigenlijk ergens anders stallen, vanwege geheime dealtjes die hij heeft. Breng ons een westerling en jij mag gratis slapen. Ooit was hij laborant aan een universiteit, later had hij een pornobioscoop. Nu is de vijftiger steun en toeverlaat van blanke avonturiers. Het Candacraig, zegt hij, is een "government hotel". Elke gespendeerde dollar vloeit in de zakken van de generaals. Wij zijn zeker geen fans van de junta, met haar golfbanen, repressie en wanbeleid. Aan de andere kant hebben we het regime al flink dwarsgezeten. We hebben geld geritseld op de zwarte markt, kritische stukken geschreven en iemand aan een paspoort en een vluchtweg geholpen.

"Just one night", zeg ik. "Promised." Myo knikt. Hij stuurt het grind op en parkeert de gammele Nissan. De westerse wil is wet. Dat was het toen, dat is het nu.

Wat de Birmese versie van volluk is, weet ik niet. Myo roept mingalaba, hallo. Zijn slippers flipfloppen onder zijn longyi. Ramen staan wagenwijd open en klimop overwoekert de façade. Geen valet om de auto te parkeren, geen bell boy om onze tassen aan te nemen. Op een teakhouten desk staat een bakelieten telefoon die nooit rinkelt. Er is een ontbijtzaal vol ongedekte tafels en een veranda waar niemand zit. Een spookhuis. Mijn hart klopt van opwinding en onbehagen. In de hoek van de ontvangstruimte staat een klein teeveetje te mompelen. Vaag schemert Birmese propaganda door de deklaag van ruis: generaals kauwen het volk de wil van het volk voor.

De majordomus, een lange Indiër, lijkt verbaasd dat iemand zijn hotel wil beklanten. Hij komt tevoorschijn uit het washok. "Dit is niet het toeristenseizoen", zegt hij, al zie je in de militaire dictatuur zelden een toerist. Myo slaat aan het onderhandelen en komt tot 48 dollar voor de kamer die ik met Hans delen zal. Voor Myo en Aung Khin wordt een zacht prijsje gemaakt. Zevenduizend kyat: een euro of vier. Rechtvaardige ongelijkheid.

Voorzichtig komt het hotel tot leven. De huishoudster wordt opgetrommeld, de bejaarde tuinman komt kijken wat er aan de hand is. Voetstappen klinken hard en hol. Hier lopen blanke reuzen die met hun schoeisel de geschiedenis wakker maken. Via een gepolijste trap en een gaanderij bereik je de kamers. Het gebouw telt zeven vertrekken en zelfs het kleinste is enorm. Een tafel, twee bedden, een badkamer met bad, een open haard - alles van degelijke kwaliteit. En toch, hoewel minder dan in het laagland valt het vocht hier niet te weerstaan. In hoeken en gaten schimmelen de muren, en mieren komen binnen langs de buizen van het toilet.

Beneden probeer ik een gesprek aan te knopen over Orwell. Ja, de huismeester kent de schrijver. Had hij als officier hier geen ervaringen opgedaan voor zijn debuutroman Burmese Days? Ik zeg dat ik gehoord heb dat Birmezen hem een profeet noemen, een ziener. De Indiër glimlacht, zoals oosterlingen kunnen lachen zonder iets bloot te geven. Ik krijg het gevoel dat hij wacht tot ik mijn opruiende inborst verraad. Zijn hand lijkt onbewust al naar de bakelieten telefoon te reiken. Ik knik en zeg gedag. Beter te zwijgen over Animal Farm en 1984, de blauwdrukken voor dit vergeten land. Ook hier die socialistische weg van een kliekje rijken versus de lijdende massa. Ook hier een politiestaat waarin niemand iets durft te zeggen omdat Grote Broer alles ziet en hoort - de bloedig neergeslagen protesten liggen nog maanden in de toekomst. "Who controls the past controls the future"' schreef Orwell, "who controls the present controls the past." Tot op zekere hoogte klopt dat. Niettemin bestaan er ook clandestiene theehuizen, waar stiekeme clubs samenkomen. Er wordt gesproken over literatuur, over Orwell en over politiek. Maximale controle bestaat niet. De vrijheid triomfeert, al was het maar binnen de muren van het hoofd.

Mijn ontmoeting met Grote Broer. Ik heb een vriend die thuis zit en modelbouwtanks bouwt. Hij rookt, hij blowt en msn't met schandknapen, maar geen van die bezigheden vat hij zo serieus op als de modelbouw. Een tank moet tot op de laatste klinknagel kloppen, wat straight out of the box zelden lukt. Setjes moeten worden bijgekocht, geschuttorens bijgevijld, stukken verlijmd of opnieuw gegoten. Internet kent een levendige modelbouwgemeenschap, waar technische informatie wordt uitgewisseld. Maar Birma blijft een blinde vlek. "Als je daar bent", gaf hij me mee, "kijk of je wat foto's kunt maken. Het zou me een stuk verder helpen."

Militair materieel is er genoeg. Legertrucks denderen over landelijke hobbelwegen, volgeladen met murw gebeukte soldaten. Nabij Bago zien we een pantserwagen op rails, een uniek stukje zelfbouw. Er staan soldaten rond en ik durf niet te fotograferen.

De suggestie om naar het militaire museum te gaan kwam van Aung Khin, een vriend van reisgenoot Wim, die Birma kent als zijn broekzak. We zaten in een theehuis in Yangon, een stad in de greep van malaise. Onder gebarsten stoepen zie je open riolen lopen, gebouwen in verval zijn door onkruid overwoekerd. We bestelden Star Cola, dat door een Birmese firma gebotteld was in oude flesjes Pepsi. Een ventje van negen dirigeerde een leger van even oude obers. Oude mannen dromden rond onze tafel en probeerden ons lotjes in een loterij aan te smeren, of de voetbaltoto van de Premiership, waarvan ze meer bij geruchte vernamen dan dat ze er werkelijk iets van zagen. Aung Khin wuifde hen weg. "Er komt nooit iemand in het museum", zei hij. 'Het is een beetje een government-ding. Maar er is vast wel te zien wat je zoekt."

Na een fikse wandeling kwamen we op Shwedagon Paya Road. Wapperende vlaggen verraadden vanuit de verte de locatie van het museum. Eerder dan een museum zag het eruit als een hoofdkwartier van het leger. De regen kwam met bakken uit de hemel. Het was weer dat seizoen.

Onder een overkapping bleek een achttal soldaten met machinegeweren te zitten. Zij verkochten de kaartjes en boekwerken over de glorie van de Birmese strijdkrachten. Ze zagen onze kleinbeeldcamera's en verstarden. Aung Khin vertaalde het daaropvolgende geblaf. "Jullie moeten jullie fototoestellen hier inleveren. Ze mogen absoluut niet mee naar binnen."

Wim protesteerde en met enige tegenzin legde Aung Khin onze bedoeling uit. Een vriend, modelbouwer, graag wat foto's van materieel. De soldaten gingen in conclaaf; in Birma wordt alles traag en in commissies besloten. Ik mompelde tegen Wim dat we misschien moesten aftaaien om Aung Khin niet in problemen te brengen. Hij gebaarde me geduld te hebben. Aung Khin draaide zich om. "We have to talk to the general."

Nadat we onze toestellen hadden ingeleverd werden we het gebouw binnengeleid. Via gangen en trappen kwamen we bij een grote ruimte, met een scheidingswand van archiefkasten. Ervoor zaten lagere officieren aan schrijftafels. Erachter bleek de generaal te zitten die voor het museum verantwoordelijk was. Aan het plafond hingen immense ventilatoren, waarvan er een defect was. Onze begeleider gebaarde. We wachtten en hij kondigde ons aan.

Ongewild boezemde de generaal me angst in. Het was een streng kijkende man van een jaar of vijftig, strak in uniform. Een gevangenisstraf voelde niet ver weg. Naast hem zat een dikzak met ziekenfondsbril. Hij droeg een longyi in theedoekkleuren en slurpte zijn laatste hap soep uit een diep bord. De generaal zei streng iets tegen Aung Khin, die verschrompelde, maar dapper antwoord gaf. De dikke man richtte zich tot Wim en mij. "Where you from?" "Holland", zei Wim. Meteen gooide ik er mijn vriend de modelbouwer achteraan. "For him this is fascinating stuff."

De dikke man knikte en de generaal overdacht ons lot. Dat rekte hij net zo lang als de uitslag bij een bepaald soort tv-programma's. Toen kwam zijn onbegrijpelijke verdict. Twee foto's per toestel - niet meer! - op voorwaarde dat één van ons in beeld zou zijn.

Bij de toegang tot de toonzalen werden we opgewacht door een klein, onooglijk mannetje in legergroen. Ongevraagd volgde hij ons langs oude pantservoertuigen, radar, artillerie, vliegtuigen, en helikopters. Tanks en nog meer pantservoertuigen stonden buiten. Eén voertuig had een lekke band. Het onooglijke mannetje had er weinig aandacht voor: hij liep achterdochtig naar mij te loensen.

Zo'n minder schudt je af door hem stierlijk te vervelen. Bij elke foto, elk object, overstelpte ik de man met vragen. Hij begreep ze maar half en mompelde een enkel woordje Engels. Zijn vriendelijke grijns kreeg een getormenteerd randje. Mijn honger naar kennis leek hem te verzwelgen. Uiteindelijk zei hij gedag en taaide af. Daarna schoten we zo veel foto's als we wilden. Op slechts weinigen waren onze gezichten te zien.

's Avonds daalt een ongekende rust over Maymyo. Bezwerend roffelt regen op de overkapping van de veranda. Ik heb damson wine gekocht en maak die met Aung Khin soldaat. De jonge knul is van beroep goudspeculant. Van zijn sjacherende baas heeft hij zowaar een mobieltje gekregen. Helaas heeft hij bijna nergens bereik - hij is zijn tijd te ver vooruit. Hij neemt een slok en glimlacht ondeugend. Als boeddhist mag hij niet drinken, maar liever nog is hij een westerling. Nadat ik hem een keer gin-tonic had voorgezet kon hij bijna nergens anders meer over praten, en hij draagt geen longyi maar een spijkerbroek. Soms is dat aandoenlijk, vaak ook ergerlijk. Ik wil met hem omgaan als gelijke, maar hij verkiest tegen me op te kijken. Ook vist hij onophoudelijk naar manieren om met onze hulp aan het land te ontkomen. Wim zou garanties kunnen tekenen, maar mag dat niet van zijn vrouw. Hij heeft beloofd bij de Duitse ambassade kansloze uitnodigingsformulieren in te vullen.

Geen koloniale ervaring is compleet zonder sport en spel tussen heren. Met Wim wil ik een balletje slaan op de tennisbaan, maar dat is buiten de regen gerekend. Twee lokale tandartsen, samen de plaatselijke tennisclub, zijn eveneens vergeefs komen aanrijden op een brommer. De ene arts achterop bij de andere. Nu staan ze te smoezen in een hoek. Uiteindelijk vragen ze ons via Myo voor een dubbelspel, morgenvroeg. We stemmen in en zij brommeren zwaaiend huiswaarts.

Met Aung Khin heb ik het over de liefde. Zijn vrouw wordt dik, vindt hij. Ik ken haar. Ze is niet dik, wel verlegen. "Je moet je vrouw respecteren", zeg ik. "Vrouwen zijn minder dan mannen." "Hoezo?" "Ze zijn viezer." Ik kan het nauwelijks geloven: veel mannen hebben hier bloedrode gebitten door het kauwen van betelbladeren. Ook lopen ze, in tegenstelling tot hun wederhelften, in voddige hemdjes. "Viezer?" "Ze stinken."

Ik zwijg. De regen neemt af en een oorverdovend knerpen van krekels vult de nacht. Nederland is onbestaanbaar ver weg. Is er eigenlijk nog wel een land dat zo heet? Natuurlijk niet. Nadat ik ben opgestegen is het gedemonteerd, opgevouwen en ingepakt. Elke Kruidvat en elke HEMA. Alle snelwegen, opgerold als cilinderdrop. Hoe ver moet thuis niet weg hebben geleken voor de kolonialen die hier zaten en zich wanhopig vastklampten aan de suggestie van thuis? Honderd jaren ver en evenveel lichtjaren.

Bij het ontbijt maakt Myo toverdrank voor me. Ik heb de dunne, de vlavariant. Myo perst limoenen uit en vermengt het sap met honing en warm water. "Here sir, good for you. Makes a little bit better." Het is acht uur 's ochtends, maar Myo is al uren in touw. Met de auto is hij naar het centrum gereden, om ontbijt te kopen. Daarna nam hij een zwabber ter hand en poetste de tennisbaan droog. Zijn eigen ontbijt gebruikt hij aan een tafeltje apart. Maar niet nadat wij, de blanken, bediend zijn. Wij gaan altijd voor, ook voor Aung Khin. "No, no. You first", zegt hij dan. Gek word je er van.

Bij Wim en mij heeft hun gedrag corrumperende gevolgen. Steeds verder dalen ze in onze achting. We betrappen ons op een koloniale houding die ons tegen onze zin is opgedrongen. We maken er grappen over. ("Waar zijn onze bedienden?") Ook worden we wantrouwig. Al die onderdanigheid heeft een bedoeling. Aung Khin wil naar Nederland, om te werken in een hotel en rijk te worden. Myo hoopt op de vette fooi, die we hem ook zullen geven. Het is niet uitgesloten dat hij een informant is voor de overheid. Vriendelijkheid krijgt steeds meer een cynische bijklank. We doen onze best om onze reisgenoten als gelijken te behandelen, maar ze verzetten zich er actief tegen. Steeds minder proberen we het. Een vriend wordt een vreemde.

De tandartsen staan al in te slaan op de baan. We schudden ze de hand en tossen. Myo staat klaar om ongevraagd de ballenjongen uit te hangen, de tuinman heeft zijn heggenschaar neergelegd, op de veranda zit Aung Khin, de Indiër en de huishoudster werpen een blik door de ramen van de eetkamer. Onder druk presteren is nooit mijn kracht geweest en in de tiebreak gaan we ten onder. De tandartsen lijken zich voor hun overwinning te schamen. Dat stoort me, maar minder dan het gedrag van Myo. Een man die mijn vader had kunnen zijn, bukkend naar ballen en roepend: "I've got it, sir, I've got it." Ik probeer hem te snel af te zijn, zodat hij het op zeker moment zal opgeven. Ik denk aan Henry.

In het Grand Park Plaza Royal in Yangon, de verarmde voormalige hoofdstad, hadden ze een eigen tenniscoach. Zijn naam was Henry en hij was in de zeventig. De hele dag zat hij te wachten in een hok, tot er iemand kwam. Uiteindelijk kwamen wij, met ballen en rackets en opgeblazen verwachtingen.

Henry was een krom, knokig mannetje, met een beperkte collectie tanden. Op zijn hoofd had hij een Pokémonpetje. Hij draafde rond als ballenjongen en bestreed met een zeemlap waterplassen in het oneffen beton. Later kwam hij bij ons zitten en toonde trots zijn visitekaartje. Henry Kyaw Zan Hla bleek in de jaren zestig meervoudig nationaal tenniskampioen te zijn geweest. Hij had in heel Zuidoost-Azië gespeeld en was later internationaal scheidsrechter geworden. Nu gaf hij ongevraagd technische tips aan hotelgasten. "Tennis maakt het bloed schoon", beweerde hij, "en de nieren, vooral de nieren." We knikten en Henry putte zich uit in anekdotes over Conners, McEnroe en Lendl. Pas later begrepen we dat hij zat te azen op een paar duizend kyat.

Na het dubbelspel neem ik het nog een set lang op tegen de beste van de tandartsen, maar het resultaat is als tevoren. Gelukkig heeft Myo verkoelende blikjes Coca-Cola paraat. Ze zijn versierd met de beeltenis van Ruud van Nistelrooij, wiens marktpenetratie waarlijk indrukwekkend is.

Op de terugweg naar Yangon probeer ik nog één keer Aung Khin het gelijkheidsbeginsel bij te brengen. In Bago, na uren door elkaar te zijn gehutseld, vraagt hij of we honger hebben. "Dat is onbelangrijk", zeg ik. "Heb jij soms honger?" "Alleen als jullie honger hebben." "Dat is onzin. Je hebt honger of je hebt geen honger." "Hebben júllie honger?" "Luister, het is ook van belang wat jij vindt. Als jij honger hebt, stoppen we om wat te eten." "Niet als jullie niet ook wat willen eten." "Zeg nou gewoon of je honger hebt. Dan stoppen we."

Met een heel moeilijke blik geeft hij toe dat hij, ja, inderdaad, wel een beetje trek heeft. In een verlaten restaurantje eten we soep en gebakken rijst. Ik blijf zoveel mogelijk van het vlees af en beperk me tot het goed doorwarmde vocht. Wim is minder voorzichtig. De reis loopt op zijn eind, overmoed ligt op de loer.

In Yangon blijkt hij de dunne te hebben, categorie spuitwater. Gelukkig heeft hij een adresje: een dokter die thuis bijbeunt en je voor drieduizend kyat, ongeveer twee euro, een handvol pillen in de maag splitst. "Ik had in Bago van die Thaise vleesschotel moeten blijven", mort hij. Aung Khin kijkt pijnlijk getroffen. Onze pogingen tot emancipatie hebben averechts gewerkt. Het heeft onze jonge vriend klauwen vol karma gekost. Nooit meer zal hij ons tegenspreken.

Sommige namen in dit verhaal zijn

om veiligheidsredenen gefingeerd.

We doen ons best om onze Birmese reisgenoten als gelijken te behandelen, maar ze verzetten zich er actief tegen. Dat heeft corrumperende gevolgen. Steeds verder dalen ze in onze achting

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234