Dinsdag 13/04/2021

'Koersen deedbij mij geen zeer'

Rik Van Steenbergen legt zijn reuzenhart bloot

Morgen begint in het Gentse Kuipke het pisteseizoen, helaas zonder veel ophef of vertier. De piste is op sterven na dood, alleen de geboorte van een grote vedette zou de ooit zo populaire tak van de wielersport nog kunnen reanimeren. Rik Van Steenbergen was zo'n vedette, in de ware betekenis van het woord. Veel geld, blitse sportkarren, 'schoon mokskes', een goddelijk lichaam en een heuse heldenstatus... Grote Rik had het allemaal en heeft ook niet nagelaten er met volle teugen van te genieten. 'Het was alsof ik van de ene dag op de andere in de hemel was beland.'

Jeroen de Preter en Tony Landuyt / Foto Stephan vanfleteren

Achtenzeventig is hij nu, maar zijn bonkige postuur en massieve kop dwingen nog altijd het nodige ontzag af. Als hij in de late ochtend café De Trappisten in het Kempische Westmalle binnenstapt, kijkt het handvol aanwezige klanten als vanzelf zijn richting uit. Zoals ook ooit duizenden blikken dezelfde richting uitgingen als Grote Rik de piste van een letterlijk tot de nok gevuld Antwerps Sportpaleis opreed. De oude god is, vijfendertig jaar nadat hij zijn fiets voorgoed aan de haak gehangen heeft, nog altijd razend populair, zeker in café De Trappisten, een afspanning waar men zijn klassiekers nog kent.

Maar dat is niet de enige reden waarom Van Steenbergen alleen hier nog geïnterviewd wil worden. "Het zou niet slecht zijn als dit café in het stuk wordt vermeld", stelt hij aan het begin van het gesprek samenzweerderig voor. "Het moet natuurlijk geen stuk worden over het café hier, maar toch... Schrijf gerust dat het hier het beste café van België is of zoiets." En zo raken we al meteen betrokken in een heus Van Steenbergiaans complot. Onze trappisten drinken we vandaag tegen vooroorlogse prijzen.

Van Steenbergen is behalve een groot coureur ook altijd een groot zakenman geweest. Een belangrijk voordeel, zeker in een tijd waarin het 'kopen' van een koers nog schering en inslag was. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat er aan een mooie zege vaak een prijskaartje hing. Wat zou hij ook? Nog meer dan nu was het wielrennen in zijn tijd een individuele sport. Het systeem van een negenkoppige ploeg die volledig in dienst rijdt van een kopman bestond nog niet. Wie hulp van een andere renner wilde krijgen, moest met centen over de brug komen. "Daarom is het voor een kampioen zoveel gemakkelijker nu", weet Van Steenbergen. "Ik zou vandaag een hele ploeg achter mij hebben. Terwijl ik in mijn tijd al blij mocht zijn als ik een of twee ploegmaats had kunnen kopen onderweg." De wielerliefhebber van toen zag daar allemaal geen been in, al waren er natuurlijk grenzen aan zijn tolerantie. Zo veranderde zijn kijk op de zaken nogal drastisch als de betaalde renner een landgenoot was en de betalende renner een buitenlander. En dat was volgens de wielerliefhebbers precies wat zich had afgespeeld in Zürich, 1946, het eerste wereldkampioenschap op de weg waar Van Steenbergen aan deelnam.

Thuisfietser Hans Knecht won toen de wedstrijd, voor de Belgische titelhouder Marcel Kint, zilver, en de jonge Van Steenbergen, brons. Tot grote verbazing van de Belgische supporters, die uit het merkwaardige verloop van de finale de niet eens zo onlogische conclusie trokken dat Van Steenbergen zich door de Zwitser had laten betalen. "Kint reed in de finale alleen voorop", vertelt Van Steenbergen meer dan vijftig jaar later. "Ik voelde me die dag heel sterk en sprong weg uit de achtervolgende groep. Knecht ging met mij mee, maar hij wou niet overpakken, de smeerlap. 'Du bist der schnellste, Rik', zei hij altijd maar. 'Fahren Sie doch, du gewinnst sicher im Sprint.' Zo kwamen wij uiteindelijk bij Kint. Ik heb nog geprobeerd iets af te spreken met hem, maar net op dat moment demarreert Knecht. Ik denk: Kint zal er wel achteraan gaan, maar hij bleef zitten. Marcel heeft het me achteraf trouwens niet kwalijk genomen. 'Ik had net hetzelfde gedaan in uw plaats', zei hij."

De Belgische supporters dachten er echter anders over. "Er moest iets gedaan worden om het volk in toom te houden", weet Van Steenbergen nog. "Ze wilden stenen naar mij gooien. Na dat wereldkampioenschap heb ik me dan maar tien dagen in Italië verstopt." Heel erg lang hield de volkswoede trouwens niet aan. "Als je weer een paar koersen wint, zien ze je opnieuw graag. De wielermanager Van Buggenhout heeft het toen zelfs gepresteerd om van Kint en mij nog datzelfde jaar een koppel te maken op de piste."

DE REUS VAN VOSSELAAR

Van Steenbergen begon zijn carrière op de piste aan de zijde van Karel Kaers, alias de Reus van Vosselaar, de wereldkampioen op de weg in 1934. "Aan Charel heb ik alles te danken", zegt Van Steenbergen. "Toen ik een jaar of veertien was, werkte ik als beenhouwersgast in Turnhout. Charels vader had daar een slachterij. Zo heb ik hem leren kennen. Toen hij hoorde dat ik coureur wou worden, zei hij: 'Dat is goed, ventje, ik heb hier nog wat liggen, hier zie, een gidon en een paar wielen.' Daarmee kon ik dan gaan koersen in het Sportpaleis. Vanaf dat moment reed ik alle dagen van Arendonk (zijn geboortedorp, JdP/TL) naar het Sportpaleis om er te trainen. Dat was elke dag 120 kilometer, niemand anders deed dat."

De harde trainingsarbeid wierp bijzonder snel vruchten af. Van Steenbergen was nog geen achttien toen hij zich bij het profpeloton vervoegde, en hij won direct 14 wedstrijden op de weg en 27 wedstrijden op de piste. Grote Rik was nog geen negentien toen hij in 1943 het Belgisch kampioenschap op de weg won. "Het ging allemaal zo snel dat ik er geen besef van had. Ik vormde ploeg met Charel, mijn grote voorbeeld. Hij heeft me in die tijd echt vooruitgeholpen. Toen ik met hem begon samen te rijden, wilden ze mij een contract van 400 frank geven, maar daar wilde Charel niet van weten. 'Rik moet er 3.000 krijgen', zei hij. Ik wist weeral niet waar ik stond. Ons vader verdiende in die tijd 200 frank. Het was alsof ik van de ene dag op de andere in de hemel was beland."

Van Steenbergen bleek zijn 'dure' contract meer dan waard. De neoprof was zelfs zo snel dat hij soms ongewild een bedreiging was voor zijn leermeester. "Ik had vooral een heel goede laatste bocht. Zo heb ik Kaers eens per ongeluk geklopt. (lacht) Het ging zo rap dat ik niet op de foto stond."

Aan de bijzonder vruchtbare samenwerking tussen Van Steenbergen en Kaers kwam echter abrupt een einde. Een dispuut na het Belgische kampioenschap Omnium, een wedstrijd die uit de disciplines sprint, puntenkoers, achtervolging, derny en 500 meter bestond, dreef de twee uit elkaar.

"Na het Omnium-kampioenschap had Kaers geld getoucheerd van Cools om hem te laten winnen. Ik reed toen nog volledig in dienst van Kaers en wist niet dat er een afspraak was gemaakt. Dat ben ik pas maanden later te weten gekomen, toen Cools me vroeg hoeveel ik had ontvangen. Cools vertelde me dat hij Kaers 20.000 frank had moeten betalen. Ik ben toen naar Kaers gestapt om mijn deel te krijgen, maar hij loste niks. Het was direct gedaan tussen ons. Vanaf dat ogenblik stond ik op mijn eigen benen."

Een onbesproken figuur was Van Steenbergen dus zeker niet, maar anders dan zijn latere rivaal Rik Van Looy slaagde hij er wel in het overgrote deel van het peloton te vriend te houden. "Je had vrienden nodig", zo weet Van Steenbergen. "Het kwam eropaan te pakken zoveel als je kon en daarnaast af en toe eens een geste te doen. Van Looy kon dat niet. Hij flikte de anderen constant. Ik herinner me zijn eerste koers als prof nog goed. Dat was bij ons in Arendonk. Wij rijden met twaalf man op kop, iedereen pakt om beurten over, behalve Van Looy. Ik laat me uitzakken en zeg: 'Luister, Van Looy, misschien rijden ze zo bij de junioren, maar bij de profs werkt het anders. Ofwel rijdt ge mee op kop, ofwel stapt ge af.' En weet je wat Van Looy deed? Hij trok zijn remmen dicht en stapte uit de koers. Wij hebben altijd een beetje in onmin geleefd, maar alleen in de koers. Na de koers waren we kameraden en durfden we zelfs samen een pint te gaan pakken."

IL VAN STEENBERGEN MODERNO

Van Steenbergen deed voor het eerst van zich spreken in volle oorlogstijd. "Veel last van de oorlog heb ik niet gehad", vertelt hij. "Voor iemand als Briek Schotte kwam de oorlog in het midden van zijn carrière, terwijl ik nog maar net begonnen was. Ik werd ook niet onder de wapens geroepen. Ik had in de krant gelezen dat je niet naar het leger moest als je getrouwd was. Dus ben ik vlug getrouwd. (lacht) Achteraf gezien was ik misschien beter gaan vechten, maar bon, dan had ik natuurlijk niet zoveel kunnen koersen."

Het vele koersen rendeerde. In 1946 won Van Steenbergen maar liefst 31 wedstrijden op de piste, en op de weg won hij, voor de tweede keer in zijn nog prille carrière, de Ronde van Vlaanderen. "Ik denk dat ik in mijn tweede Ronde mijn sterkste prestatie ooit heb neergezet. Ik was voorop geraakt met Schotte en Thiétard, een Fransman. Die gasten vroegen mij om hen mee op sleeptouw te nemen en zo uit de greep van de achtervolgende groep te blijven. Ik heb gedaan wat ze me vroegen en hen er 5 kilometer van de meet afgereden. Ik geloof dat ik nog meer dan een minuut voorsprong bij elkaar heb gereden. Hoe ik dat gedaan heb, weet ik niet meer. Het was alsof ik die dag vanzelf reed."

Hoewel Van Steenbergen zowel de Ronde als Parijs-Roubaix (1948 en 1952) op zijn palmares schreef, staat hij niet als een flandrien te boek. Zijn - ook letterlijk - legendarisch grote hart ging uit naar Italië, het land van la dolce vita, het land ook waar zijn lievelingskoersen Milaan-Sanremo en de Giro werden verreden. "De ontvangst was er altijd schitterend", zegt Van Steenbergen. "Het materiaal, de hotels, het eten, het was er allemaal zoveel beter dan hier. Je moest er maar iets vragen en het was in orde. Ik reed ontzettend graag in Italië. Misschien ben ik wel een Italiaan, wie weet."

Van Steenbergens liefde voor Italië was en is bovendien wederzijds. Twee weken geleden nog reisde een journalist van Gazzetta dello Sport naar Westmalle voor een audiëntie bij Grote Rik. Van Steenbergens naam leeft er overigens nog voort in die van Mario Cipollini, die door dezelfde krant ooit 'Il Van Steenbergen moderno' werd gedoopt. Een vergelijking die zeker niet uit de lucht is gegrepen, want net als Cipollini wist Van Steenbergen hoe je een show moet verzorgen, en net als Cipollini had Van Steenbergen een verschroeiende eindjump in de benen. En dat zijn kwaliteiten die in Italië nog altijd naar waarde worden geschat.

Van Steenbergen won in totaal zestien ritten in de Giro. Zijn beste klassement behaalde hij in 1951, toen hij slechts op het nippertje van de eindzege werd afgehouden door Fiorenzo Magni. "Magni kon ongelooflijk goed sturen. Ik heb de Giro toen verloren in een afdaling. Ik reed twintig meter achter hem en zag Magni een haarspeldbocht missen. Ik dacht: die ligt er, en ik trek mijn remmen dicht. Niet dus. De hele bocht reed hij tegen een houten afsluiting. Ik heb hem niet meer teruggezien.

"Ik denk dat Magni de compleetste coureur van mijn generatie was. Hier is het misschien geen grote naam meer, maar hij is bij ons wel drie keer de Ronde van Vlaanderen komen winnen. In Italië was hij trouwens ook niet zo populair. Hij moest het opnemen tegen mannen als Bartali en Coppi en had zich bovendien verbrand tijdens de oorlog. Daar werd niet mee gelachen in die tijd."

In Italië was er uiteraard ook Milaan-Sanremo, de openingsklassieker die Van Steenbergen tot zijn spijt maar één keer kon winnen. "Milaan-Sanremo was de schoonste klassieker", zegt Van Steenbergen stellig. "Als je die koers gewonnen had, kon je voor de rest van het seizoen gerust zijn. Mijn filosofie is altijd geweest: zo vroeg mogelijk een belangrijke koers winnen, zodat ik zoveel mogelijk interessante contracten kon afsluiten voor de rest van het jaar."

De koers der koersen was volgens Van Steenbergen evenwel het wereldkampioenschap, een wedstrijd die hij net als Merckx en Alfredo Binda drie keer won. "Ik denk dat ik op de wereld ben gezet om wereldkampioen te worden", aldus Van Steenbergen. "Dat was mijn koers. Maar na de affaire-Zürich wilde de wielerbond mij verdomme alleen nog selecteren als ik de Tour de France reed en met een paar ritzeges naar huis kwam. Dik tegen mijn goesting ben ik dan maar naar Parijs gegaan. Ik wou zo snel mogelijk een rit winnen, maar dat lukte niet onmiddellijk. 'Van Steenbergen blijft ritten verkopen', stond er na de veertiende etappe in de Gazet van Antwerpen. Terwijl ik gewoon veel tegenslag had. Gelukkig heb ik de zestiende en ook nog de laatste rit kunnen winnen."

Aan de Tour de France had Van Steenbergen duidelijk een broertje dood. Nochtans had hij volgens velen de capaciteiten om ook een gele trui in zijn prijzenkast te hebben. "Als hij alles op de grote rondes had gezet", zei zijn rivaal Fausto Coppi ooit, "dan had hij de Tour en de Giro kunnen winnen." Van Steenbergen haalt er nog altijd de schouders bij op. "Ach, de Tour... Die koers was toen lang niet zo belangrijk als nu. Eén klassieker winnen was in die dagen even belangrijk als de hele Tour. Er viel daar ook bij lange nog niet zoveel geld te rapen als toen."

SPORTMAN VAN DE EEUW

Geld viel er wel te rapen op de piste, de arena die hem niet alleen rijk maar ook zowat onsterfelijk maakte. Toen aan de lezers van Gazet van Antwerpen eind 1999 gevraagd werd de 'Antwerpse sporter van de eeuw' aan te duiden, liet Van Steenbergen twee jongere naamgenoten, Van Looy en Coppens, met een comfortabele voorsprong achter zich. Behalve allicht over de leeftijd van de Gazet van Antwerpen-lezers zegt het ongetwijfeld ook iets over de populariteit die het wielrennen op de piste hier ooit kende. Niet zonder nostalgie denkt Van Steenbergen terug aan de gloriedagen van het Sportpaleis, het mekka der sportliefhebbers waar hij ooit op vraag van het publiek drie ererondes mocht rijden na een afvallingskoers waarin de Antwerpse pistiers het moesten opnemen tegen de Brusselse. De herinnering is zoet. "Alle Antwerpenaars werden eruit gereden, behalve ik. De overgebleven Brusselaars deden alles om me eruit te rijden, zonder succes. Uiteindelijk bleef alleen Nest Thyssen nog over en die klopte ik in de sprint. Het volk was zo enthousiast dat ik ererondes moest blijven rijden. Dat was niet niks, want het Antwerpse publiek liet zich zeker niet gemakkelijk imponeren. Het Brusselse publiek was veel gemakkelijker. In Brussel was ik merkwaardig genoeg ook veel populairder. Daar reed ik eigenlijk nog het liefst."

Veertig keer sloot Van Steenbergen een zesdaagse als winnaar af, toentertijd een absoluut record. Nog unieker was het dat zijn prestaties op de weg er nauwelijks onder leden. Van 1 januari tot 31 december zat Van Steenbergen op de fiets, behoefte aan recuperatie had hij niet. "Ik hield te veel van de fiets om er een paar maanden mee te stoppen. Koersen deed bij mij geen zeer. Ik kon de zesdaagse van Berlijn rijden en daags erna al goed voor de dag komen in Milaan-Sanremo."

Naast de koers was er blijkbaar nog tijd genoeg voor wat vertier. "Wij pakten al eens een mokske mee", aldus Van Steenbergen. "Pas op, vogelen voor de koers mocht toen absoluut niet. Ze vertelden ons dat dat slecht was voor de prestaties. Verder dan een beetje spelen ging het nooit. Alleen de Miel (Severeyns, de renner met wie Van Steenbergen achttien jaar lang een team vormde, JdP/TL) veegde daar allemaal zijn kloten aan." Ook "voor het amusement" speelde Van Steenbergen op het eind van zijn carrière nog een rol in de schimmige Duitse film met de fraaie titel Millionär auf zwei Rädern. "Een geestige ervaring", vertelt hij. "Ik kreeg er 80.000 frank voor en er was ook een schoon meisje bij. Een plezierige vakantie was dat, maar het is bij die ene keer gebleven."

HET ZWARTE GAT

Minder openhartig en zelfs een weinig geïrriteerd is Van Steenbergen als het onderwerp doping wordt aangesneden. Een omertà is een omertà, al laat hij er - zonder namen te noemen - niet veel twijfel over bestaan. "Het onderwerp is de moeite niet waard om over te spreken", vindt Van Steenbergen. "Doping heeft altijd bestaan. En zijn niet alle sportmannen gedrogeerd? Daar spreken ze eigenaardig genoeg nooit over. Het zijn altijd de coureurs die het gedaan hebben. Natuurlijk werd er ook in mijn tijd van alles gepakt. Je ging naar de apotheek en ging je gerief kopen. Je had daar toen niet eens een briefje voor nodig. Of het ook hielp, is natuurlijk een andere vraag. Volgens mij was het vooral het gedacht."

Van Steenbergen was tweeënveertig toen hij in 1966 de fiets definitief aan de haak hing, naar wielernormen is dat hoogbejaard. "Ik kon niet stoppen", vertelt hij. "Koersen was mijn leven. Bovendien begon ik pas in mijn laatste jaren echt goed te verdienen. In 1966 verdiende ik zeker tien keer meer dan in 1946, al was dat natuurlijk nog altijd niets in vergelijking met wat de renners nu verdienen. Ik las net in de krant wat Van Peteghem en Axel Merckx tegenwoordig opstrijken. Niet te schatten! En wees maar gerust dat ze er nog wat zwart geld bovenop krijgen. Die gasten zijn miljonairs, terwijl je ze een heel jaar niet ziet.

"Misschien is Van Steenbergen wel vijftig jaar te vroeg geboren, ja. Maar ik trek me dat toch niet te erg aan. Uiteindelijk is dat een normaal verschijnsel. Ik herinner me dat ik in Antwerpen 5.000 frank prijzengeld kreeg. Tot ik zag dat Coppi voor dezelfde prestaties 20 zakken opstreek. (lacht) Mijn contract was snel aangepast."

De eerste jaren na zijn carrière waren zeker niet de mooiste uit zijn leven. Het zwarte gat is Van Steenbergen welbekend. "Vroeg of laat zal wel iedereen in zijn leven ooit in een zwart gat terechtkomen. Ik heb bewust radicaal afscheid genomen van de wielersport. Aanbiedingen om ploegen te leiden heb ik altijd afgeslagen en mijn fiets heb ik sindsdien nauwelijks nog aangeraakt. De dokter raadde me wel aan om nog wat te rijden om mijn hart kleiner te laten worden, maar daar heb ik me niets van aangetrokken. Ik was voldaan."

'Natuurlijk werd er ook in mijn tijd van alles gepakt. Je ging naar de apotheek en ging je gerief kopen. Je had daar toen niet eens een briefje voor nodig. Of het hielp, is natuurlijk een andere vraag'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234