Zaterdag 28/01/2023

Koeien gaan altijd voor

e Nederlandse lezer loopt de laatste jaren storm voor ‘plattelandsromans’ en dorpsgeschiedenissen. Boeken die zich afspelen in een besloten boerengemeenschap, waar geborneerd geloof de scepter zwaait, kunnen zich boven de Moerdijk verheugen in onverwacht hoge verkoopcijfers en zorgden er zelfs voor pittig maatschappelijk debat. De trend werd misschien wel gezet met Hoe God verdween uit Jorwerd (1996), een non-fictiewerk van Geert Mak, waarin hij demonstreerde hoe een onwrikbaar Fries boerendorp tussen 1945 en 1995 plots door een golf van verandering werd overspoeld. In de romanliteratuur is het bekendste recente voorbeeld natuurlijk Jan Siebelink en Knielen op een bed violen (2005). Daarin schetst de auteur een hallucinant portret van zijn vader, een bloemenkweker die er steeds radicalere religieuze opinies op na begint te houden. Het leverde Siebelink een AKO Literatuurprijs en vijftig herdrukken op. Met Knielen op een bed violen sloot hij zich bovendien aan bij een illustere rij auteurs als Jan Wolkers, Maarten Biesheuvel en Maarten ’t Hart. Zij rekenden eerder al in geuren en kleuren af met het streng-gereformeerde geloof. Daarbovenop had je nog het merkwaardige succes van Boven is het stil (2006), het debuut van Gerbrand Bakker, het kale relaas van de 55-jarige boer Helmer, of de geloofswaanzin in Arjan Vissers De laatste dagen (2003).Vlaanderen keek met openvallende mond naar deze oer-Hollandse plattelandsrevival vol mestdampen, loeiende koeien en knoestige, godvrezende karakters. Echt grote gensters sloegen Visser, Siebelink en Bakker hier niet, wellicht omdat de streng-gereformeerde geloofsovertuiging toch grotendeels een ver-van-mijn-bedshow bleek te zijn.

Gortdroge humor

En kijk, intussen is er met Franca Treur en Dorsvloer vol confetti alweer een nieuwe loot aan dezelfde stam. De 30-jarige debutante werd eind 2009 door zowel Jan Siebelink als Maarten ’t Hart de hemel (!) in geprezen. Treur komt met een autobiografisch getinte roman waarin ze uitermate gedetailleerd de geplogenheden beschrijft in een Zeeuwse streng-orthodoxe boerenfamilie op het eiland Walcheren, vanuit het perspectief van een 12-jarig meisje. Eens de lichte aandrang overwonnen om het boek achteloos terzijde te leggen - uit vrees voor een ‘boerenindigestie’ - merk je meteen dat deze taferelenroman iets bijzonders is. Franca Treur koppelt een groot beeldend vermogen aan een laconieke manier van observeren. In netjes gedoseerde en zeer raak getroffen scènes weet ze monkelend zeloterij, dagelijkse gezinsrituelen en een krampachtige gehechtheid aan tradities met elkaar te verbinden. Haar stijl vertoont raakpunten met die van Maarten ’t Hart, zeker in het gretig en pompeus-ironisch hanteren van staande geloofsuitdrukkingen en Bijbelcitaten, maar Treur toont zich milder en tederder. Ze laat haar personages meer in hun waarde. Dorsvloer vol confetti is niet geconcipieerd als een partijtje natrappen naar geloofsijver. Toch valt het niet uit te sluiten dat nogal wat gereformeerde pilaarbijters zich door Treur in hun hemd gezet zullen voelen, omdat vooral haar gortdroge humor grossiert in dubbelzinnigheden. Centraal staat de 12-jarige Katelijne Minderhoud, een ingetogen, schrander en nieuwsgierig meisje dat zich staande moet zien te houden in een boerengezin met zes broers, onder wie een tweeling. De jaren tachtig zijn in volle gang, maar in deze Zeeuwse ‘bible belt’ sijpelt er amper iets van door. Modieuze drankjes als 7UP en Yogho!-yoghurt moeten het nog steeds afleggen tegen een vers getapt glas zuivel. De dagen en seizoenen verlopen volgens het rotsvaste stramien van koeien die kalveren en gemolken moeten worden of hooi dat dient binnengehaald. “Koeien gaan voor. Ze zijn eerder geschapen dan diegene die ze moet melken”, poneert de gestrenge vader. Het leven in het gezin staat voorts in het teken van zuinigheid en ascese, want ook verspilling is onbetamelijk. En bovenal is er de zondag, die met zijn drie kerkdiensten, preken en Bijbelanalyse volkomen gewijd is aan de here God. “Wie nat wil worden, moet in de regen lopen. Wie zalig wil worden, moet de middelen gebruiken: de Bijbel lezen, naar de kerk gaan en naar de catechismus. De zaligheid is er niet mee te verdienen, maar de Heere mocht er in zijn lankmoedigheid nog eens iets van komen te zegenen”, noteert Treur met uitgestreken gezicht. Zoveel is zeker: je kunt maar beter te veel dan te weinig bidden. Want bij de ‘bevindelijk-gereformeerden’, de diehards onder de refo’s, mag slechts een klein clubje uiteindelijk naar de hemel versassen.

Opgediste anekdotiek

Katelijne laveert ietwat beduusd door haar jonge bestaan en kan een gevoel van buitengeslotenheid zelden onderdrukken. Haar broers pesten haar veelvuldig. Ze lijkt zich enkel verdienstelijk te kunnen maken in het huishouden. Volgens vader heeft Katelijne de verantwoordelijkheid “om het hier allemaal draaiende te houden”. Het levert haar weinig dankbaarheid op van haar moeder, die zich liever als een bezetene toelegt op de bloementuin. Moeder is “iemand die bij elke zonneglitter naar buiten moet en geknield op een rubbermatje haar vereelte handen in de vette klei steekt”. Het meisje vlucht weg in haar fantasie en in de stukgelezen boeken uit de bibliotheek. Ze luistervinkt bij de grote mensen om het later allemaal neer te schrijven. Dat loont. Treur heeft een scherp gehoor ontwikkeld voor opgediste anekdotiek, en die kan zowel van de veeboer als van haar bekeerde oma komen. Niet enkel is ze kwistig met de archaïsche rijkdom van de ‘tale Kanaäns’ en de cadans van de Bijbel, ook in de dialogen toont ze zich een vakvrouw. Ze deinst er evenmin voor terug om smeuïge Zeeuwse dialectwoorden (‘schoeve beesten’) binnen te smokkelen. En wanneer haar moeder de opgroeiende Katelijne monstert, terwijl ze uit haar meisjestruitjes barst, klinkt het: “Ze vreet als een delver, en ze krijgt een kont waar je op mee kunt rijden.” Dorsvloer vol confetti wemelt van de onorthodoxe ‘boerenmetaforiek’ die aanvankelijk wat vergezocht lijkt, maar waarmee Treur de lezer moeiteloos inpalmt: “Intussen ziet de zon er steeds meer uit als een eierdooier van een kip die geen groenvoer krijgt en dat is geen goed teken.” In het zich traag ontvouwende Dorsvloer met confetti maakt Treur met veel finesse de tweespalt invoelbaar waar Katelijne voortdurend mee kampt. Enerzijds is er die vreemde bekoring die uitgaat van de geborgenheid van het gezin en de rituelen van haar geloofsgemeenschap (zoals de ‘samenzang’). Anderzijds overheerst het verlangen om eruit te breken, het anker te lichten en alles de rug toe te keren, op naar de volwassenheid. Treur weet dat lonken van het echte leven te vatten in een suggestieve, symboolrijke slotscène waarbij de zelfgemaakte confetti (“Een vitrage van uitgesneden klinkers en medeklinkers ontrolde zich in alle mogelijke combinaties”) uit de titel het laatste woord krijgt. “Ik heb geen veilig boek willen schrijven”, zo verklaarde Treur in een interview met het Reformatorisch Dagblad. “Het is niet eenvoudig om zekerheden kwijt te raken en op eigen benen te staan.” Met Dorsvloer vol confetti is ze toch glansrijk in deze heikele onderneming geslaagd.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234