Woensdag 19/01/2022

Klungels die er muziek bij maken

Lezen met de vilpen van Arjan Peters

In De ongeneeslijke lezer. Een werkboek bundelde de gevreesde criticus Arjan Peters een selectie van zijn vlijmscherpe recensies, kritieken en beschouwingen die hij de laatste jaren voor de Volkskrant schreef.

'Recenseren bederft het karakter, zei Vestdijk, maar wat te doen als de recensent het humeur van de lezer bederft?", vroeg Doeschka Meijsing zich in 1998 in De Groene Amsterdammer af, nadat een Mulisch-recensie van de Volkskrant-criticus Arjan Peters haar compleet van haar apropos had gebracht. Onder een onontkoombare innerlijke dwang schreef Meijsing een fulminade tegen Peters, "de kwakende kikker" die "zich (...) één keer per week een spotvogel (waant)", de "grote gele hofganger die andere vogels naar beneden haalt door hen van alles toe te voegen".

Weg met Arjan Peters! 'De kikker als lakei' noemde ze haar schotschrift, een tekst waarin je zelfs nu nog het woedeschuim op Meijsings lippen proeft. Wie is de snoodaard die dat voor elkaar kreeg? Arjan Peters is een soort literaire houwdegen. Sinds 1992 blaft hij in de vrijdagse boekenbijlage Cicero geregeld debutanten af, jaagt hij middelmatige scribenten tegen zich in het harnas en laat hij gereputeerde of Nobelprijsfähige auteurs spitsroeden lopen. Peters doet het onvervaard, op een felle, vileine of grapjassende wijze, maar in steeds soepel wegslikkende bewoordingen. Zijn stukken verraden de strenge meetlat van een lichtjes betweterig orakel. Maar is Arjan Peters méér dan een moderne Zoïlus met een vilpen? Doeschka Meijsing, de moegetergde schrijfster aan de andere kant van de barrière, ziet vooral een griezel met onedele bedoelingen: "De lucht die uit de recensies van de Nederlandse literatuurcriticus Arjan Peters opstijgt, is die van minachting en onverdunde haat. Haat tegen alles wat je maar literatuur zou kunnen noemen, maar tegen de schrijvers in de eerste plaats." Dat blijkt ten overvloede, aldus Meijsing, uit de oneerbiedige typeringen die hij over de Nederlandse en Vlaamse schrijvers rondstrooit. "'Spuit elf', roept hij naar Nicolaas Matsier, 'opstelbakker' naar Huub Beurskens; 'reislustig Swiebertje' naar Cyrille Offermans. Hij noemt Milo Anstadt een 'groothandelaar in sjablonen', Theun De Vries 'ouwe Theun', Paul De Wispelaere een 'grutter in goedkope zwaarmoedigheid', Raymond Brulez 'een brave borst', Arnon Grunberg 'een dribbelende neuroot', Hugo Claus een 'melige standwerker'..."

Voor Meijsing is er maar één conclusie mogelijk: "Of hij de weke massa van zijn geschrijf nu gebruikt om een boek te prijzen als goud of af te doen als stront - zijn eigen stukjes blijven kikkerdril."

Gekift en gekrakeel tussen schrijvers en critici ("criticus word je als iets anders niet lukt", dixit schrijver Leon De Winter) is een van de stevigste rode draden door het literaire leven: sla er maar de tekeningen van Peter Van Straten op na. Talrijk zijn de tranentrekkende verhalen van auteurs die - na een 'slechte', 'verdachte' of 'schandalige' recensie - het daglicht schuwen, in een depressie verzeilen of definitief de pen aan de wilgen hangen. Onder geblutste schrijvers bewijst een boutade van Mulisch - "critici dienen in het water worden geworpen" - nog altijd goede diensten. Maar ter verdediging van de bespogen criticus mag gezegd: het is niet omdat hij geen ei kan klutsen, dat hij niet kan beoordelen hoe de omelet smaakt.

En toch, poneert Anthony Mertens in Alle schrijvers hebben gelijk (een bundeltje 'gesprekken met literaire critici' uit 1998), hebben recensenten nog maar weinig in de pap te brokken. Hooguit behoren ze tot het "geroezemoes van het literaire discours" en dragen ze hun steentje bij "aan de conversatiewaarde van het boek". Mertens beweert verder dat "vernietigend besproken romans (...) de hoogste oplagecijfers halen". Denk ook aan wat Bas Heijne in Heilige monsters luchtig vaststelde: "Lezers (...) zijn in staat een schrijver te feliciteren met een slechte kritiek, geschreven door zijn ergste vijand."

Is de virulente afkeer van een Arjan Peters dan ook geen verspilde emotie? Marcel Möring, wiens In Babylon door Peters niet bijster briljant werd gerecenseerd, vond het in de Frans Kellendonklezing 1999 toch nodig opnieuw te waarschuwen tegen het P-gevaar: "Een schnabbelaar (...) die het werk van, bijvoorbeeld, Hugo Claus in een leuk stukje in mootjes hakt, zonder ook maar een ogenblik de indruk te wekken dat het hier gaat om een doorleefde leeservaring, die gebaseerd is op ernst, respect en kennis." Laconiek commentaar van Peters: "Ik ben geen schnabbelaar. Het is mijn hoofdtaak om boeken te bespreken, geen baantje erbij. (...) Möring denkt kennelijk dat je een boek pas goed hebt gelezen als je er als een doodbidder over schrijft, als het saai is en de indruk wekt dat je gestudeerd hebt." En elders zegt hij hierover: "Het is een wijdverbreid misverstand dat je niet meer serieus bent als je je een grap permitteert." Peters wil de krantenlezer aantonen dat een recensie ook wel eens een halsbrekende trapezetoer of een stijloefening mag wezen, zolang het "fris van de lever" en dus een leeservaring uit de eerste hand blijft.

"Een criticus mag alles, zolang hij iemand is", heeft Herman De Coninck ooit gezegd. Helaas liepen Peters' beweerde integriteit en rechtlijnigheid op een klunzige manier op de klippen. Peters' blazoen is mogelijk blijvend geschaad door de Six Books-affaire, waarbij hij Nederlandse schrijvers met een dubbele maatstaf te lijf ging. Zo veegde Peters in de Volkskrant Chaos en Rumoer van Joost Zwagerman de mantel uit (en verweet hij Zwagerman "gebrek aan vaart") maar verpakte hij in het voor buitenlandse uitgevers bestemde promoglossy Six Books temerig applaus voor Zwagermans "snelle stijl". Zwagerman bracht dat zélf aan het licht. Jeroen Brouwers zette meteen zijn polemische ventiel wijd open en omschreef Peters als een "dubbeltongig zuursmoelreptiel". Bij wijze van boetedoening moest Peters van de Volkskrant-redactie drie maanden zijn mond houden, een sabbatical dat hij gebruikte om nóg dikker olifantenvel aan te kweken. Nadien schreef hij ongehinderd door én door én door... Peters' missie liet zich niet ringeloren: recenseren is tenslotte zijn "roeping".

In de onzekere branche van de boekenbijlagen, waar recensenten tegenwoordig sneller van stokje wisselen dan estafettelopers, is de volharding van Peters een prestatie. Helemaal een bof is het als je als dagbladrecensent aan "het massagraf van het krantenarchief of de knipselcollectie van enkele vasthouders" kunt ontsnappen, zoals Kees Fens in zijn inleiding van zijn klassieke bundel Loodlijnen schrijft.

Welzeker gelooft Peters dat hij te goed is voor de vergetelheid. In het onlangs verschenen De ongeneeslijke lezer heeft hij daarom een ruime keur van recensies, kritieken en beschouwingen uit de laatste jaren samengebracht in "een werkboek", dat een "handboek" wil zijn voor het recenseren van boeken ("de folkloristische knutselcorner van de kunsten") maar waarin Peters bovenal fonkelend zijn kunde wil etaleren. Daartoe is het boek netjes onderverdeeld in een aantal partikels met titels als 'Goede boeken', 'Niet zo goede boeken' en 'Krakende namen'. Je kunt er zowel toeterende opstootjes van lof als giftige bagatellen verwachten. Die typerecensies zijn omkranst met lijmende intermezzi waarin Peters' kijk op het literair-kritische beulswerk zit verscholen. Ga toch maar niet geloven - zoals Peters in zijn geïmproviseerde praktijkleergangen lijkt te beweren - "dat recenseren te leren is, net als voetschilderen, fierljeppen of zelf bamboefluit maken". De ongeneeslijke lezer is er vooral om te bewijzen dat hij verdomd een kei is in zijn stiel én dat hij als tienjarige dagbladverschijnsel het etiket 'recensent' ontgroeid is en wel degelijk een 'criticus' en 'essayist' met hoog opwiekende vleugelslag is geworden. Rijk geschakeerde beschouwingen over onder anderen Remco Campert, Willem Brakman, Theo Thijssen, Charles De Coster, Thomas Hardy en de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone moeten deze verpopping illustreren. De ongeneeslijke lezer is een lijvig logboek van Peters' war against cliché en tegelijk een nijvere zoektocht naar het "boek der boeken, dat misschien wel ongeschreven hoort te blijven, want daarna zou alles stilvallen". Toch zijn methodiek en wapenrusting bij deze veldtocht van nogal wispelturige makelij. Grof geschut wisselt de sterrecensent af met vinnig floretgezwaai en af en toe vuurt hij met de spreekwoordelijke mug op een olifant. Peters verschanst zich om de haverklap achter een amper verantwoorde subjectiviteit en krijgt niet altijd goed uitgelegd welke specifieke kenmerken zijn superieur "onderscheidingsvermogen" en zijn "zaakwaarnemerschap" van de hedendaagse letteren omvatten - of bedoelt Peters gewoon dat hij onmisbaar is geworden als sluiswachter en letterzifter? Beter op dreef is hij als hij de waarde van de 'canon' accentueert en zijn grote bezorgdheid om de 'belezenheid' van de recensent uitdrukt, die "alleen omdat hij wéét heeft van de canon en de geschiedenis (...) het recht heeft met zijn mening voorop te gaan lopen. (...) Door het af te zetten tegen andere boeken - van nu en van gisteren - kan hij de waarde ervan inschatten." Niet voor niets hamert Peters op de geschiedenis en de tijd als uitmuntend recensent, de tijd "die met de gewisheid van een dorsmachine het koren van het kaf schift".

Peters' persoonlijke en in het geheel onacademische literaire kritiek betekende destijds een trendbreuk met een lange tijd toonaangevend recensentenkorps. Peters staat veraf van de gedegen en wijsgerige diepzinnigheid van Carel Peeters in Vrij Nederland, de edelmoedige mildheid van een Wam De Moor in wijlen De Tijd, het keurig schoolfrikkerig toontje van Jaap Goedegebuure (ex-Haagse Post) of de al even beleefde kritieken van een Tom Van Deel in Trouw. De monopoliepositie van bijvoorbeeld Carel Peeters was al eerder door Paul Aalbers op de slof genomen. In zijn pamflet Liefde voor de letteren uit 1986 bepleitte hij een gedreven, persoonlijke kritiek, wat Arjan Peters als muziek in de oren moet hebben geklonken. Zo schreef Aalbers: "Liever een sprankelende recensie van een gerookte bokking dan een matte beschouwing over een meesterwerk". Opgepast, Aalbers had wél geen hoge pet op van de beroepsrecensent: "full-time critici vormen circuits met tafelmanieren die een eigen leven gaan leiden", terwijl "de amateurs" nog wel eens "onbevangen willen oordelen". Arjan Peters - toch liever in het beroepsmatige recensentenzonnetje - zoekt veel bewuster de controverse op dan zijn voorgangers, waarbij hij zijn polemische pen leende van idool Willem Frederik Hermans en zijn Mandarijnen op zwavelzuur. Bezige Arjan wilde van het begin af eigenhandig de bedden van de Nederlandse letteren opschudden of ze tenminste met de matrassenklopper afranselen, tot het stof alle kanten opwalmde. Met de woorden van Conrad Busken Huet verdedigt hij zijn instelling van 'ook de afbreker bouwt op': "afbrekend om licht en lucht te maken gelijk de mijnwerker doet wanneer hij zich begraven gevoelt onder neerstortend puin". Busken Huet moest destijds keer op keer met lood in de schoenen vaststellen, na lezing van een stapeltje pas verschenen boeken: "het is weer niets". En dan is er nog Ambrose Bierce, de derde grootmeester in het universum van Peters. De Amerikaanse schrijver van onder andere de aforismenverzameling The Devil's Dictionary, die met een sterk essay wordt bedacht, mag een motto aanleveren: "criticus - een persoon die er prat op gaat dat hij niet makkelijk te behagen is, omdat niemand zijn bést doet hem te behagen".

Voor Peters is het een verontrustende gedachte dat literaire kritiek geen zin meer zou hebben. Critici vol overgave (met "ironie, nieuwsgierigheid, hartstocht en stijl") zijn broodnodig en meermaals springt Peters in De ongeneeslijke lezer pal in de houding voor het belang van een goed onderbouwde kritiek: "Ik herhaal dat een goede literaire kritiek de enige plaats kan zijn waar de auteur als auteur (en niet als mens, als openbare persoonlijkheid, als verschijning en verschijnsel naast zijn literaire werk) beoordeeld en geanalyseerd kan worden. (...) In de modder tast je naar parels. Je roept af en toe verblijd uit dat je er weer eens eentje hebt gevonden." En in die zin wil Peters "de verbreider van een leesvirus" zijn - niet de fabrikant van "kikkerdril" of "onverdunde haat". Ongeneeslijk verslaafd is hij aan boeken, even ernstig als de lezende invalide die Willem Frederik Hermans aan de Eiffeltoren fotografeerde: lezen en blijven lezen, "zelfs nadat hij erbij neer is gevallen en verder moest in een karretje".

In de afdeling 'Goede boeken' ("goede boeken zeggen altijd iets óver het schrijven", aldus Peters cryptisch) staan die "pinkelende edelstenen" waarnaar Peters gedurig op zoek is. Het gaat bijvoorbeeld om Landschapsseks van Nachoem Wijnberg, Picknick op de wenteltrap van Esther Jansma, Onder het ijs van Bert Weijde, Allerzielen van Cees Nooteboom en met voorsprong om het hele oeuvre van A.F.Th. Van der Heijden. Toch is het een gekke vaststelling dat Peters de crux van het 'goede boek' moeilijker onder woorden kan brengen dan de haperingen in 'het slechte boek'. Peters draait zich wel eens in rare bochten om zijn snorrend genoegen over te dragen of verliest zich in een weinig zeggende kwinkslag: "alle goede literatuur is verslavende, grandioze oplichterij."

Onder stoom komt hij vooral wanneer hij monumenten als Hugo Claus ("Ik stoor me aan mensen die omdat het Claus is bij voorbaat een staande ovatie produceren") of Harry Mulisch ("Ik haak af bij Mulisch' eeuwige simsalabim-verklaringen van het soort 'omdat het zo toevallig lijkt, is het geen toeval meer'") of Gerrit Komrij het vuur aan de schenen legt. Overtuigend is hij wanneer hij Claus' tweedekker' De Geruchten en Onvoltooid verleden tegen elkaar afzet en het over diens "aperte wisselvalligheid" heeft, waarbij Claus te vaak "zijn boertigheid over zijn zelfkritiek (laat) zegevieren". Gerrit Komrij wordt "veradriaanrolandholstisering" aangewreven, in mensentaal dat hij zich lauwerkrans en Dichter des Vaderlands-honneurs te zeer laat welgevallen. Onderneemt Peters hier een poging tot vadermoord? Meer dan hijzelf wil toegeven is De ongeneeslijke lezer schatplichtig aan Komrij's 'stokslagen' in Averechts en Daar is het gat van de deur. Grootmoedig is Peters dan weer bij de beoordeling van Jeroen Brouwers' Geheime Kamers (en refereert hij aan zijn verleden als "reptiel"): "Nu besluit deze wormstekige galbak zijn beschouwing met een zuurvrij compliment in de vorm van een deemoedige buiging."

Ferm en fluks is De ongeneeslijke lezer in het benadrukken van het belang van negatieve kritiek, al doet Peters dat wel in zijn bekende opgedraaide stijltje, waarin hij uithaalt naar de "trompetters en schijtlaarzen": "Hun liefde voor literatuur gaat gepaard met een doodsangst het rotboek botweg voor het rotboek uit te maken dat het is. (...) Ze willen bovenal positief zijn, want ze houden van boeken, en slalommen derhalve om alle slechte boeken heen. Op die manier kun je iedereen te vriend houden, maar sinds wanneer heeft een recensent vrienden onder de levenden van node?" Volgens Peters is men pas een vakman "als men de lezer ook durft te laten zien waar men vierkant tegen is. (....) Een negatieve recensie is te beschouwen als een vorm van souffleren. Men fluistert de tijd in hoe om te gaan met de middelmatigen en desperate kliederaars." Waaronder een Leon De Winter die "ten hemel schreiende shit" schrijft (maar wiens echtgenote Jessica Durlacher gelukkig voorkomt dat de schrijver negatieve recensies leest). Ook Joost Zwagerman (Chaos en Rumoer: "wat een debacle"), Ronald Giphart, Maarten 't Hart en Connie Palmen ("een heldin met een koortslip") worden in de lappenmand gemikt - om uiteenlopende redenen, al lijkt een odeur van "quatsch" en "gebakken lucht" deze schrijvers aan te kleven.

Het dodelijkst is Peters wanneer hij het schrijversbeentje licht met een uit de haak getild citaat - zijn geliefkoosde werkwijze, vooral bij debutanten. Pieter Steinz vindt dat in NRC-Handelsblad een zwaktebod: "Bevalt een debuut je niet, negeer het en begin niet over de rug van schrijvers en lezers een komische act, er zijn zoveel andere boeken die op een bespreking wachten." Peters is het daar niet mee eens. Aan de hand van Lydia (1999) van Cor Vos zien we hoe hij een onfortuinlijk debuut roskamt en degradeert tot een bolletje wol in zijn ruw stoeiende poten. Cor Vos lezen is een "corvee" - haha! - en de auteur is "de zoveelste (...) die in de waan is gebracht dat er op hem werd gewacht". Peters, steeds bereid tot zelfopoffering, blijft maar hameren: "Iemand moet Cor Vos vertellen dat hij een waardeloos boek heeft geschreven, grenzeloos naïef, nog te sneu voor de slachtbank. Aangezien uitgeverij De Bezige Bij dit heeft nagelaten, komt die ondankbare taak bij de bespreker te liggen. De ervaring leert dat die vervolgens voor de heimelijk afgunstige mandarijn op zwavelzuur wordt uitgemaakt." Voor Peters is het een kwestie van mentale hygiëne om te slaan waar het pijn doet én om dus debutanten zo nodig een schrobbering te geven. Het is zijn teweerstelling tegen een klimaat van cultuurrelativisme, waarin de turbogestuurde uitgeverij minderwaardige boeken in een hoerasfeer probeert te slijten. Neen, het kan gewoonweg niet waar zijn dat er meesterwerk na meesterwerk verschijnt, laat staan tien goede boeken per jaar. Milder worden is geen optie: "Ik ben een veel te grote goedzak!", brult Peters in een interview met Trouw.

Hoe zit het eigenlijk met Peters' eigen houdbaarheid? De ongeneeslijke lezer is natuurlijk niet voor de eeuwigheid gemaakt, maar veeleer een momentopname van een kruidige recensentenkeuken, driewerf tot tegenspraak prikkelend. Alle hooggestemde apologieën over de kritiek ten spijt, aan het eind van de rit overweegt de luim en triomfeert de knipoog. Tenslotte zijn critici "secundair reagerende figuren", "lui die eigenlijk pas weten wat ze vinden als ze ervoor zijn gaan zitten hun opinie te formuleren. Klungels zijn het, (...) maar dan wel klungels die er muziek bij maken."

Toch laat Peters zien dat literaire krantenjournalistiek méér is dan korte baantjes trekken en dat - voor wie het kan en wil - ook het vijftigmeterbad binnen bereik ligt. Van de brede adem van de essayistiek over literaire sterfscènes, Charles De Coster (waarin hij onopzichtig zijn belezenheid verweeft) of C.C.S. Crone lees je vergenoegd gnuivend af hoe waardevol secundaire literatuur kan zijn. Wonderlijk dat het dan plots wél zonder poeha of op de borstklopperij kan.

Natuurlijk wil Peters veel zieltjes winnen voor zijn ambacht. Aspirant-recensenten knoopt hij het bij wijze van uitsmijter galmend in de oren: "Leuteraars zijn we allemaal, maar probeert ù er een te zijn die dat van zichzelf weet, en die zijn roeping wil blijven volgen, die bestaat uit het in zelfgekozen bewoordingen uiten van zijn persoonlijke visie op boeken die hem hebben getroffen." A hell of a job? Eén zekerheid hebben we: ook komend decennium graast Peters zonder genade door de boekenberg - immer at our service.

Dirk Leyman

Arjan Peters

De ongeneeslijke lezer. Een werkboek

Contact, Amsterdam, 336 p., 17,95 euro.

Onder stoom komt Peters vooral wanneer hij monumenten als Claus, Mulisch of Komrij het vuur aan de schenen legt

Voor Peters is het een kwestie van mentale hygiëne om te slaan waar het pijn doet én om dus debutanten zo nodig een schrobbering te geven

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234