Woensdag 23/09/2020

Kleurling, slaaf of nikker

Apex is niet alleen een pleister op de wonde, het is ook een komedie, zij het een bijzonder onderkoelde, en met een bittere nasmaak

In zijn beheersing en noodwendige afwikkeling van de plot is Dansen in het donker een indrukwekkende roman geworden

Colson Whitehead

Apex is een pleister op de wonde

Oorspronkelijke titel: Apex Hides the Hurt

Vertaald door Jan Fastenau

Contact, Amsterdam, 223 p., 24,90 euro.

Caryl Phillips

Dansen in het donker

Oorspronkelijke titel: Dancing in the Dark

Vertaald door Robert Dorsman

De Geus, Breda, 255 p., 19,90 euro.

Romans van Colson Whitehead & Caryl Phillips

Wie je bent, is minder een kwestie van wie je denkt te zijn dan van hoe de anderen je zien en welke naam ze op je plakken. Identiteit is dus een sociaal gegeven dat niet louter tussen onze oren zit. Zowel Colson Whitehead als Caryl Phillips schreven een roman die dieper ingaat op dit idee.

Door Marnix Verplancke

De hoofdpersoon van Whiteheads Apex is een pleister op de wonde is een nomenclatuurconsulent die ingehuurd wordt om een nieuwe naam te verzinnen voor het plaatsje Winthrop, want dat is wat nomenclatuurconsulenten nu eenmaal doen, ze bedenken namen die producten beter moeten doen verkopen. Wie kan er immers weerstaan aan de waterbestendige leerspray Waterweg, of aan Gazond, de gazonmeststof die je voorgoed van verwelkende sprieten bevrijdt?

De consulent trekt naar het stadje - "Als hij de naam Winthrop nu zou gebruiken, zou het voor een nieuw type luffaspons zijn, voor gebruik in bejaardentehuizen: Schrob weg die dode huid" - en dompelt er zich onder in sfeer en geschiedenis. De naam moet immers passen bij het product. De drie personen die hem opwachten, zijn burgemeester Regina Goode, zwart en een afstammelinge van de eerste vrije zwarten die het stadje stichtten en het Freedom noemden; Abby Winthrop, de erfgenaam van het grote prikkeldraadimperium dat een van zijn voorouders er stichtte en naar wie het stadje in tweede instantie werd genoemd; en Lucky Aberdeen, CEO van Aberdeen Software, het bedrijf dat het slapende Winthrop tot een opnieuw welvarende locatie heeft gemaakt en op wiens instigatie de consulent ontboden is. Het heden is voor hem de voorafspiegeling van een toekomst vol nepgoud en leeghoofdige megalomanie. Winthrop moet dus New Prospera gaan heten, en de lokale bibliotheek moet nodig verbouwd worden tot een nieuw filiaal van - alweer een bedenksel van de consulent - een Outfit Outlet.

De consulent - nooit bij naam genoemd, maar uit de context kun je afleiden dat hij net als zijn schepper een zwarte Amerikaan is - krijgt een heuse hotelsuite aangeboden in Abby's vervallen hotel waar barman 'Wangvacht' hem waarschuwt tegen de voortgang van de tijd en de poetsvrouw als een running gag probeert om zijn kamer binnen te sluipen om ze te poetsen. Want Apex is niet alleen een pleister op de wonde, het is ook een komedie, zij het een bijzonder onderkoelde, en met een bittere nasmaak. Namen, zo wordt van bij de aanvang duidelijk gemaakt, zijn immers héél belangrijk in het leven. Blijkt bijvoorbeeld dat zowel Abby als de consulent aan Quincy gestudeerd hebben, een universiteit waar heel wat grote namen "die de kamer uitgingen toen er een joint opgestoken werd" vandaan komen, en dat schept natuurlijk een band.

Een intellectueel zou zeggen dat Whitehead speelt met het saussuriaanse onderscheid tussen le signifiant en le signifié en dat hij aantoont hoe dit tweede in hoge mate afhankelijk is van het eerste, wat ongetwijfeld waar is, maar daarmee zou hij Apex heel wat onrecht aandoen. Whitehead is immers een veel te spitse en toegankelijke schrijver om hem tot een voetnoot bij een filosofische theorie te herleiden. Voor hem heeft academisch gezwam geen betekenis, het zijn de mensen die erachter schuilgaan die hem interesseren. Als je iets een naam geeft, geef je het een vaste plek, zo bedenkt de consulent. Of je iemand een kleurling, een slaaf of een nikker noemt, maakt echt wel een verschil en hij vindt het symptomatisch voor de natie dat de oorspronkelijke bewoners van Freedom er ooit mee instemden om de ouwe Winthrop zijn zin te geven, hem het plaatsje van naam te laten veranderen en daarmee vrijwillig hun eigen slavernij te ondertekenen.

Whitehead, hier toch ietwat ingetogener bezig dan in zijn vorige roman De John Henry dagen, voegt aan deze parabel nog een dimensie toe door de consulent te laten hinken, een gevolg van de teenamputatie die hij net achter de rug heeft. Niet lang ervoor had hij zich gestoten. Zijn teen had gebloed en hij had er een Apex opgelegd, een pleister waarvoor hij zelf de naam had bedacht en die in twintig (huid)kleuren op de markt was, van wit, over lichtbruin tot bijna kobaltzwart. 'Apex Hides the Hurt' was de slogan waarmee de pleister een monsterverkoop had gehaald, en de consulent had er eentje op zijn teen geplakt, niet wetende dat je een etterende wonde niet moet verbergen omdat ze dan uiteindelijk tot koudvuur kan leiden. Misschien is dit ietwat te symbolisch om goed te zijn en gaat Whitehead hier al te kort door de bocht voor sommige lezers, feit is dat het de consulent ertoe aanzet een frank besluit te nemen: hij kiest zelf een waarachtige naam voor het stadje, veel waarachtiger dan de drie lobbyisten hem voorlegden, en in zijn contract staat dat die minstens een jaar lang gebruikt dient te worden.

Caryl Phillips' Dansen in het donker focust eveneens op de manier waarop de blanke de zwarte identiteit bepaalt, maar hij heeft het daarbij vooral over de blik en niet zozeer over naamgeving. Bovendien schrijft hij over het leven van één man, wat zijn roman veel tragischer maakt dan die van Whitehead. De man in kwestie is Bert Williams, de zwarte entertainer die begin twintigste eeuw goed geld verdiende door zich met een verbrande kurk nog zwarter te maken dan hij was, zijn lippen flink aan te zetten met witte lipstick en vervolgens op de scène wild begon rond te dansen en de onnozele, onhandige watermeloen etende neger te spelen met een twijfelachtige intelligentie.

Bert is een waar personage. Hij werd op de Cariben geboren en kwam op zijn elfde samen met zijn ouders naar Californië, op zoek naar het grote geluk en gelokt door de mythe dat je in Amerika kon zijn wie je wou, wat in de praktijk betekende dat vader Fred een 'neger' bleek, terwijl hij thuis altijd een man als een ander was geweest. Bert was een komiek die nergens aan de bak kwam tot hij in 1893 de al even verlopen George Walker tegen het lijf liep. Samen zouden ze een duo vormen dat de geschiedenis van het zwarte theater op meer dan één manier zou beïnvloeden. En dat kwam vooral door de tegenstrijdige karakters van de mannen. George was een opvliegende, met de blanken spottende man die na iedere voorstelling een fles whisky op de ontschminkingstafel en een slet op de schoot wou, terwijl Bert zijn publiek met fluwelen handschoenen aanpakte en liever met een boekje in een hoekje zat. George zou het theater bevrijden uit het keurslijf van het variété, terwijl Bert al te lang dan voor hemzelf en de zwarte acteur in het algemeen goed was de imbeciele neger bleef spelen.

Hoe langer Bert en George samen op het podium staan, hoe meer de spanningen tussen hen groeien, tot Bert op een bepaald moment toegeeft en ze samen hun eigen productiehuis beginnen. Gedaan met het gênante slapstickgedoe, ze zullen echt theater maken, alleen hebben de blanke critici dat niet zo begrepen. Hun eerste musical wordt de vernieling ingeschreven door de New Yorkse pers, met een vroegtijdige stopzetting van de voorstellingen als gevolg: wat haalden die zwarten zich wel in het hoofd met het maken van zulke pretentieuze stukken? Kenden zij hun plaats dan niet meer?

Phillips weet de tragedie van Bert Williams perfect te vatten: de pogingen die hij doet om met zijn rol in het reine te komen, zijn steeds langere dranksessies in de lokale bar, zijn fysieke onmacht om zijn vrouw aan te raken en uiteindelijk de wanhoop wanneer een delegatie succesrijke zwarten bij hem thuis in Harlem op bezoek komt om hem te vragen toch eens na te denken over waar hij mee bezig is. Met zijn rol bevestigt hij de racistische stereotypen die heel wat blanken erop nahouden en doet hij zijn ras dus niet echt eer aan, bezweren ze hem. "Ben ik verantwoordelijk voor de platvloerse fantasie van een paar enkelingen in het publiek?", vraagt Bert hen daarop bijna retorisch, "Ben ik verantwoordelijk voor het beeld van de neger in Amerika? Ik ben artiest, wat wilt u dat ik doe? Stoppen met optreden?"

In zijn beheersing en noodwendige afwikkeling van de plot is Dansen in het donker een indrukwekkende roman geworden. Phillips, zelf als kind met zijn ouders van de Cariben naar Engeland gereisd om daar opnieuw te beginnen, kent duidelijk het klappen van de literaire zweep en weet de lezer constant dicht bij de lotgevallen van Bert en George te houden. Een van de technieken die hij hiervoor feilloos toepast is de bijzonder frequente verandering van vertellersperspectief. Bert, George en hun respectievelijke echtgenotes Lottie en Aida geven soms wel drie keer op een pagina het woord aan elkaar door, waardoor je als lezer iedere gebeurtenis vanuit precies de goeie hoek beschreven krijgt en Phillips als een leerlingtovenaar kan spelen met de informatie die hij al dan niet prijsgeeft. Bovendien krijg je ook een beeld van de verbrokkelde, getourmenteerde identiteit van de zwarte Amerikaan, die, zoals het George overkomt wanneer hij een beroerte krijgt tijdens een voorstelling, ten onder gaat aan het luide gebrul van het blanke publiek.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234