Donderdag 08/12/2022

Kleine eisen worden grote verhalen

Mei '68 is de voorbije decennia uitgebreid herdacht, beschreven, bestudeerd, geïnterpreteerd en gecommercialiseerd. In talloze boeken, brochures, romans, retrofuiven, modehypes en films zoals La meglio gioventù. Om de tien jaar krijgen we een hausse van nieuwe interpretaties en herdenkingen van dit voor sommigen roemruchte jaar. Opvallend daarbij is dat de tijdgeest de analyses beïnvloedt. Ook nu is dat niet anders.

'V anuit hun buik hebben vele Vlaamse kiezers, vijf jaar later dan onze noorderburen, in een algemene reactie op de paarse bestuursstijl, meteen ook een bepaalde mentaliteit de rug toegekeerd. Paars(-groen) was veel meer dan een toevallige politieke constellatie. Het was - wat politiek personeel, ideeën en actie betreft - de emanatie van een bepaalde cultuur. Die was, ook in de ethische dossiers, ten gronde schatplichtig aan de maatschappelijke en culturele revolte van het einde van de jaren zestig van vorige eeuw", zei de christendemocraat Frans Van Looveren in het weekblad Tertio naar aanleiding van de Belgische verkiezingen van 10 juni 2007.

Van Looveren illustreert daarmee de toon waarmee mei '68 de laatste jaren hoe langer hoe meer wordt omschreven. Een zelfde redenering vinden we bij iemand als Michel Houllebecq. Voor hem is het bankroet van de llibertaire westerse maatschappij ingeluid door de generatie van '68. Zij blies de oude waardestelsels omver zonder daar iets aan menselijke waarden voor terug te geven. Wat er overblijft, is het 'atomaire individu' dat zich vastklampt aan new age en nutteloze consumptieartikelen. Die klaagzang die nauw aansluit bij een offensief conservatisme dat zowel 'het politiek correcte denken', de 'permissiviteit' als het 'doorgeschoten individualisme' op de korrel neemt.

Mei '68 is zo niet langer een ijkpunt om een aantal fundamentele veranderingen in de westerse samenleving te duiden en te situeren. Het wordt een mikpunt om restauratiegedachten te kleuren en een conservatieve tegenbeweging te promoten. Het is iets totaal anders dan de nostalgische herinneringen waarmee sommige oud-strijders hun eigen evolutie trachten op te poetsen.

De tijden zijn inderdaad veranderd. "Eén ding is zeker: als er niet meer gebeurt dan een aantal universitaire hervormingen, en een ander aantal materiële verbeteringen voor de arbeiders, als de structuren van deze in haar eigen vuile badwater rondzwemmende maatschappij niet werkelijk veranderen, blijft een totale generatie zitten met de grootste kater die er deze eeuw voor een overlevende generatie geweest is, maar wat heet kater, het zal een monster zijn van gebroken elan, van gefnuikt idealisme." Die toch wel gevleugelde woorden schreef de Nederlandse auteur Cees Nooteboom in mei '68 in het dagblad de Volkskrant, vanuit Parijs.

Die kater is er inderdaad bij velen gekomen. En wat er van dat idealisme overgebleven is, daar lopen de meningen over uiteen. Sommige auteurs verwijzen naar het ontstaan van de terroristische bewegingen in Duitsland en Italië of naar de snelheid waarmee anderen zich bij het zo verdoemde establishment gevoegd hebben. En weer anderen wijzen erop dat er in de naweeën van '68 talloze nieuwe sociale bewegingen zijn ontstaan die in de jaren zeventig en tachtig nieuwe thema's (vrede, derde wereld...) op de politieke agenda hebben gezet.

Ik heb de gebeurtenissen van 1968, als zestienjarige, van op de zijlijn meegemaakt. Ik was wel gefascineerd door de vrijheidskreten die doordrongen in het strenge jezuïetencollege van Turnhout. Zo kwam ik in contact met een nieuwe wereld van muziek, literatuur en 'subversieve' ideeën die mij uit het carcan van een verzuilde samenleving trok. Niets zou daarna nog hetzelfde zijn.

In Vlaanderen ontstond het studentenprotest geleidelijk vanaf 1963, vond een eerste katalysator in 1966 met de bisschoppelijke beslissing om de Leuvense universiteit samen te houden en bereikte twee jaar later een hoogtepunt toen bleek dat de Franstalige universitaire overheid met haar expansieplannen steunde op die omstreden bisschoppelijke beslissing. De strijd daartegen evolueerde de volgende maanden en jaren naar een confrontatie met hét gezag (inrichtende machten, de regering...) en een algemeen maatschappijkritische houding. In plaats van 'Walen buiten' kwam 'bourgeois buiten' meer en meer centraal te staan. De kritiek op het katholieke establishment werd een algemene afwijzing van de 'verstikkende zuilen' en de verstarde maatschappelijke en politieke structuren.

1968 was inderdaad een jaar waarin alles anders werd: het unieke was dat mensen in opstand kwamen tegen allerlei verschillende zaken en dat de enige zaken die ze gemeenschappelijk hadden, hun wens was om in opstand te komen, een gevoel van vervreemding van de gevestigde orde en een diepe afkeer van autoritaire praktijken. "Of het nu in Praag, Mexico, Parijs of Chicago was, jongeren en vooral studenten keerden zich tegen vrijwel alle gevestigde instellingen, tegen de politieke leiders en de politieke partijen." Zo omschreef Mark Kurlansky 1968 in zijn gelijknamige boek.

Het verzet was niet gepland, en vooral in het begin niet of nauwelijks georganiseerd of ideologisch gefundeerd. 1968 was een eruptie, een uitbarsting, een opstand die jaren daarvoor weliswaar smeulde maar tot verrassing van velen plots aan de oppervlakte kwam. 1968 vormde het epicentrum van een verschuiving, van een fundamentele verandering, "van de geboorte van onze postmoderne door de media beheerste wereld".

1968 was het jaar dat Charles de Gaulle begroette met "sérénité" en waarvan Fidel Castro voorspelde dat het "een heroïsch jaar" zou worden. De Gaulle zou het nog moeilijk krijgen, maar Castro kreeg wel gelijk: het Tetoffensief in Vietnam en het massale verzet van de Amerikanen tegen de oorlog, de Praagse Lente en de opstand in Warschau, het bloedbad voor de poorten van het olympische stadion in Mexico, de meirevolte in Parijs, het studentenprotest in Leuven, enzovoort.

Het waren niet alleen de sociaalpolitieke feiten die 1968 zo warm maakten maar ook de culturele toon waarmee die feiten werden ingekleurd. Het jaar 1968 was een van de zeldzame periodes in de Amerikaanse geschiedenis waarin poëzie een rol van betekenis speelde. De telefoonmaatschappij in New York bood een speciale service aan: dial-a-poem. Allen Ginsberg etaleerde zijn boeddhistische mantra's op talloze manifestaties en de teksten van Bob Dylan werden overal meegezongen en eindeloos geanalyseerd.

Poëzie werd een daad van bevestiging. De oneliners werden op muren gespoten: 'wees realistisch en vraag het onmogelijke', 'verboden te verbieden', 'lopen, kameraad, de oude wereld ligt achter je', 'maagdelijkheid veroorzaakt kanker'. En er werd gepraat, gediscussieerd en eindeloos gepalaverd. In het Parijse Theâtre de l'Odéon, een ouderwetse bonbonnière met veel goudbrokaat en wijnrood pluche, werd 24 uur per dag gedebatteerd: over de revolutie van 1917, over de rol van de communisten in de Spaanse burgeroorlog en over de bestemming van 800 braadkippen die door een actiecomité waren opgehaald. De werkelijkheid werd bestormd met het woord zoals eertijds de Bastille werd ingenomen. Ook in Vlaanderen werd 's nachts gediscussieerd in café De Bolsjviek over de interpretatie van de voetnoten bij de derde paragraaf van Friedrich Engels' Anti-Dühring. Alles moest anders, zelfs de spelling.

Toch begonnen de meeste acties niet met grote woorden maar met kleine eisen en bijna-vanzelfsprekende verzuchtingen. Een kleine groep Praagse studenten manifesteert tegen de slechte verwarming en verlichting van hun slaapzalen. Studenten van Nanterre vragen naar gemengde studententehuizen. Maar de studenten botsen op wantrouwen en onbegrip. Men noteert de vragen, maar men gaat er zelden op in. Tenzij met de wapenstok en het waterkanon. Juist die repressieve aanpak doet de bewegingen aangroeien en uitdijen. En er ontstaat een klimaat waarin een eerder grijze Slowaakse partijfunctionaris Alexander Dubcek de lente in Praag zoveel bloesem geeft.

Hetzelfde patroon zien we in de VS, waar anti-Vietnambetogers hard aangepakt werden door de politie. Het Amerikaanse establishment weet niet hoe het het best reageert op al die sit-ins, ludieke acties en mediagenieke manifestaties. Het beantwoordt het wapen van de kritiek met de kritiek van het wapen. De repressie en het onbegrip maakten de bewegingen sterker. Daarvoor zorgde onder andere de vernieuwingen in de televisietechnologie: de videobanden (handiger en goedkoper dan film) en de rechtstreekse satellietverbindingen. Terwijl John Wayne zijn propagandafilm The Green Barets aan het maken was, kon iedereen op televisie zien hoe de chef van de Zuid-Vietnamese nationale politie in koelen bloede een Vietconggevangene doodschoot. Die en andere televisiebeelden verbonden het protest in Praag, Parijs, Nederland en Vlaanderen .

"Wij waren de eerste tv-generatie", aldus Dany Cohn-Bendit. "Wij hadden geen relatie met elkaar, maar we hadden een relatie met wat onze verbeelding maakte van de beelden die we van elkaar zagen op tv." De kritiek die eertijds nog in het oor gefluisterd werd, werd nu via de megafoon door de hele straat uitgeschreeuwd. "We want the world en we want it now." De kleine eisen waren grote verhalen geworden.

Volgens Albert Camus wensen diegenen die verlangen naar vreedzame tijden niet de opheffing maar het verzwijgen van de ellende. "Het opwindende van 1968 was dat het een jaar was waarin belangrijke delen van de mensheid weigerden te zwijgen over vele zaken die verkeerd waren in de wereld. Daardoor kreeg de wereld een gevoel van hoop", schrijft Kurlansky. Maar na die hoop kwam er ook de ontgoocheling. De Gaulle slaagde erin de gauchisten in het nauw te drijven en na een 'ik-of-de-chaos'-operatie behaalt hij op 3O juni 1968 een gigantische verkiezingsoverwinning. In augustus bezetten Russische tanks Tsjechoslowakije, in oktober worden tientallen studenten doodgeschoten in Mexico en op het einde van het jaar wint Nixon de Amerikaanse verkiezingen. Je zou voor minder een kater krijgen.

Natuurlijk kwam er voor velen de jaren daarop de ontgoocheling en kregen we volgens sommigen "de grote matheid" van de jaren zeventig. Maar het is niet omdat de uitbarsting van '68 voorbij was dat de lava geen sporen zou nalaten. Het is niet omdat sommigen 'de lange mars door de instellingen' vlug inwisselden voor de korte trip naar het establishment dat de jaren zestig geen blijvende invloed hadden op de westerse samenleving.

"Als mei '68, behalve veel nostalgie en romantisch gezwets van oud-strijders, iets heeft opgeleverd dan is het toch dit: een elementaire antiautoritaire reflex, en het bewustzijn bij mensen dat ze niet over zich moeten laten lopen", schreef journalist Piet Piryns al in 1978.

Het draaide dus om de zelfontplooiing. Het idee dat mensen hun eigen mogelijkheden en talenten zouden moeten kunnen ontdekken en ontplooien en dat de maatschappij zo ingericht moet worden dat ze die ontplooiing ondersteunt of minstens niet blokkeert. Zelfontplooiing werd nu het resultaat van de afwezigheid van maatschappelijke belemmeringen. Die zelfontplooiing werd in de jaren zestig en zeventig vermaatschappelijkt. In plaats van het individu of het gezin werd de maatschappij het object van interventie. Het persoonlijke was politiek en dus moest de samenleving veranderen. Wie erin zou slagen de hinderpalen in de samenleving weg te werken zou van de utopie een realiteit maken. Dat was de droom. En die droom zou werkelijkheid worden.

In de jaren tachtig en negentig werd die vermaatschappelijking omgezet in puur individualisme en door de neoliberalen economisch vertaald in het thatcheriaans gezegde: "There's no such thing as society, there's only the market." Het neoliberale denken greep om zich heen en maakte een einde aan het idee dat de samenleving politiek vanuit een centrum maakbaar zou zijn. Die politieke hoogmoed werd ineens gezien als een restant van een achterhaald tijdperk, en in het nieuwe tijdperk diende de macht verplaatst te worden naar kiezende burgers, naar de markt.

De zelfontplooiing zou dus voortaan via de markt gebeuren. De autonomie van de persoon zou zich vooral uiten als een consument op de markt. Het 'dikke ik' was geboren, het 'egotijdperk' van de narcist. En daarmee was de kritiek op die markt, zoals geformuleerd door Herbert Marcuse, ook van de baan. In 2004 kon men in deze krant lezen dat de babyboomers, en nogal wat oud-strijders van mei '68 behoren tot die generatie, vooral bezig zijn met het "zo laat mogelijk jong te sterven". En dus veel geld geven aan de ontwikkeling van hun ego, hun uiterlijk en hun lifestyle. 'Forever Young', was dat geen song van Dylan?

Maar er was niet alleen die cynische recuperatie. Er werd, ook na mei '68, veel nagedacht over een 'nieuw links' programma, er werden experimenten opgezet in de gezondheidszorg, hervormingsplannen uitgetekend voor het gevangeniswezen, nagedacht over de manier waarop de democratie versterkt kon worden, acties gevoerd ter ondersteuning van de dekolonisatie in Afrika, enzovoort. Daaruit zou later ook het netwerk van nieuwe sociale bewegingen (vredes- en derdewereldbeweging, de tweede feministische golf...) ontstaan, er kwamen nieuwe partijen (zoals de groenen). 1968 had vele vaders, maar nog meer zonen en dochters. En ook die vonden, zij het op hun manier, hun weg in de samenleving. Ze zorgden voor beweging in de samenleving. Tot op vandaag. Voor sommige conservatieve commentatoren is er immers een rechtstreeks verband tussen het ontstaan van paars(-groene) coalities (in Nederland en België in de jaren 90) en de Woodstockgeneratie.

"Vier historische factoren kwamen samen toen het jaar 1968 aanbrak: de opmars van de burgerrechtenbeweging die in die tijd nieuw en oorspronkelijk was; een generatie die zich zo anders en zo vervreemd voelde dat zij elke vorm van autoriteit verwierp; een oorlog (in Vietnam) die door iedereen overal ter wereld zo werd gehaat dat iedere rebel die een reden zocht om te rebelleren er hier een in vond; en ten slotte het feit dat alles gebeurde op het moment dat de televisie de kinderschoenen was ontgroeid maar nog nieuw genoeg was om niet gemanipuleerd te worden en ingepakt op de manier zoals dat heden ten dage gebeurt", vat Kurlansky die periode samen.

De tijden zijn inderdaad veranderd. We leven niet meer onder een theemuts maar we hebben het moeilijk om onze weg te vinden in een zeer ingewikkelde samenleving. De grote dogmatische verhalen zijn gelukkig op de schroothoop beland maar ook de sprookjes van de markt volstaan niet meer. Ze worden nu herschreven in fundamentalistische fabels van nationalistische of orthodox-religieuze aard.

In de jaren zestig waren velen in de ban van de verbeelding. Ze ervoeren al snel dat het leven in de breedte zich soms op een heel smalle richel afspeelt. 'Alle macht aan de verbeelding' was per slot van rekening een romantische gedachte. En waar met romantiek politiek wordt bedreven kan het nogal eens gevaarlijk worden. Maar door de verbeelding naar de achterkamertjes van de samenleving terug te dringen en de oude vormen en gedachten te restaureren, staat men ook geen stap verder.

Deze tekst verscheen ook in het Franstalige Septentrion.

Het is niet omdat sommigen 'de lange mars door de instellingen' vlug inwisselden voor de korte trip naar het establishment dat de jaren zestig geen blijvende invloed hadden op de westerse samenlevingDe werkelijkheid werd bestormd met het woord zoals eertijds de Bastille werd ingenomen. Alles moest anders, zelfs de spelling

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234