Dinsdag 22/09/2020

Klassenstrijd in de tuin (deel 2)

Vorige week hadden we het over de merkwaardige 'klassenstrijd' die zich afspeelt in de tuin, met aan de ene kant de ST's, de snobtuiniers, en aan de andere kant de PT's, de proletarische tuiniers. En daar tussenin de VT's, de verkavelingstuiniers die uit alle ruiven eten. We hebben het al gehad over de florale do's & don'ts van ST's en PT's en over hun sterk uiteenlopende manier van omgaan met de moestuin. Maar er zijn nog meer opvallende meningsverschillen. Over bomen bijvoorbeeld.

paul geerts

Als de ST-tuin groot genoeg is - en dat is meestal wel het geval - dan ligt er een oude hoogstamboomgaard - of een nieuwe boomgaard met oude soorten. Een Jonathan Gold of een Golden is te gewoon want hij is overal te koop. Neen, hier groeien Lombarts Calville, Queen Victoria, Légipont, Belle de Louvain, Comtesse de Paris, Louise Bonnes d'Avranches, enz. En ook kweeperen en mispels.

Rond die boomgaard wordt bij voorkeur een gemengde haag geplant, met liefst zoveel mogelijk verschillende inheemse soorten - meidoorn, hulst, sleedoorn, vlier, Gelderse roos, bottelroos, egelantier, hondsroos, kardinaalsmuts, haagbeuk, sering, liguster, enz.

Heeft de ST geen boomgaard, dan heeft hij wellicht wel een (klein) arboretum met een mooie collectie Japanse sierkerselaars (uiteraard met alleen maar de kleinbloemige en bij voorkeur zelfs de winterbloeiende variëteiten), sierappel- of sierperenboem, of acers, cornussen, magnolia's of eiken (waaronder zeker een paar wintergroene soorten). Ook een verzameling vlierstruiken of lijsterbessen is aanvaardbaar, op voorwaarde dat het niet om de doordeweekse soorten gaat.

Maakt de ruimte dit soort verzamelingen niet mogelijk, dan hoort er minstens een verzameling sierstruiken - hortensia's, viburnums, enz. En, als de grond er geschikt voor is of zelfs als hij dat niet is, rododendrons, camelia's en andere zuurminnende planten. Meest geliefd zijn wintergeurende of -bloeiende planten, zoals toverhazelaar, daphne, chimonanthus of sommige viburnums. Ook al vertoeft de ST meestal in een of ander wintersportcentrum of kuuroord wanneer die planten bloeien.

De PT heeft het meestal niet zo begrepen op bomen. Die nemen alleen maar zon weg en bovendien is het één grote smurrie als de bladeren beginnen te vallen, die verstoppen de dakgoten... Want de PT is nogal op netheid gesteld.

Als er genoeg ruimte is staan er echter zeker een ouderwetse seringenboom en een forsythia. En misschien zelfs een sierkerselaar - bij voorkeur met dubbele, suikerstokroze bloemen - een purperbladige esdoorn of een of andere treurboom. En misschien een notelaar. Als de tuin al iets ouder is, dan is de PT misschien ook de trotse eigenaar van een drietal gekortwiekte zilverberken of zilverdennen, of misschien zelfs van een apenboom.

De VT is ook op dit punt een twijfelaar. Een echte boom ziet hij niet direct zitten. Maar er moet wel iets van boom staan. Bijvoorbeeld een paar leilindes. Of enkele bolacacia's of -catalpa's.

Het gazon is misschien het enige tuinaspect waarover ST's en PT's het vrij goed eens zijn: het is niet echt onmisbaar. Maar daar houdt de vergelijking ongeveer op. Voor VT's daarentegen is het gazon wellicht het meest onmisbare en meest gekoesterde tuinonderdeel.

De hedendaagse ST behandelt zijn gazon met een zekere 'natuurlijke' nonchalance. Het is er wel en het gras wordt ook wel regelmatig afgereden, maar het stoort hem niet echt dat er wat madeliefjes en wat klaver groeien of dat het er meer bijligt als het veld van een voetbalploeg uit derde provinciale. De ecologie stelt nu eenmaal ook haar eisen.

Een vrij recent verschijnsel in de ST-tuin zijn echter de siergrassen of, als alternatief, de bloemenweide of de bloembollenweide. Of, de jongste aanwinst, een veldje met eenjarige zaaibloemen.

Dat siergrassen en bamboe veeleer passen bij een hedendaagse architectuur hoeft niet noodzakelijk een probleem te zijn. Ook bij een pastorieachtig gebouw in het hartje van de Kempen of een replica van een Haspengouwse hoeve in de West-Vlaamse polders worden dit soort 'onderhoudsvriendelijke' beplantingen gretig aangebracht.

De bloemenweide is meestal een experiment van korte duur. Maar de bloembollenweide is wel een geliefd tuinonderdeel. Al was het maar om minstens in het voorjaar toch even te kunnen genieten van een soort bloemenorgie. Maar ook daar gelden bepaalde fatsoensnormen. Zo kunnen bijvoorbeeld niet gelijk welke narcissen worden geplant. Maar uitsluitend gele, enkelbloemige variëteiten en liefst alleen maar botanische soorten.

De PT kan alleen maar minachting opbrengen voor dit soort 'schapenweide'. Of in het beste geval wat meewarig glimlachen om zoveel onkunde. Want als hij een gazon heeft - wat zoals gezegd niet levensnoodzakelijk is -, dan wordt dat voorbeeldig onderhouden en is het zo glad als een biljarttafel. Als de PT iets doet, dan wil hij het goed doen. Bovendien moet het proper zijn.

In dat laatste herkent ook de VT zich. Voor hem is een net en gladgeschoren gazon zowat het hoogste tuinideaal. Het volstaat zich in het weekend naar een VT-wijk te begeven om zich daarvan te vergewissen. Het lijkt soms wel of men op een beurs voor grasmaaiers terecht is gekomen.

Voor 'tuinornamenten' gelden in de ST-tuin dezelfde strenge criteria als voor de planten: discreet maar voornaam. Dus geen plastic kabouters en namaak-Venussen en -Diana's, geen opzichtige barbecues, geen plastic tuinbanken en -tafels. Plastic is trouwens altijd en overal verboden (tenzij het gaat om objecten die door beroemde designers zijn ontworpen, en zelfs dan slechts met mondjesmaat).

Banken en stoelen en tafels zijn gemaakt van degelijke teak - liefst van een bekend Brits of Scandinavisch merk - of van natuursteen. Dat ze niet altijd even comfortabel of handig in het gebruik zijn, is nauwelijks een punt. Voor gebruik dienen ze ook nauwelijks. Metalen tuinmeubelen zijn eventueel ook nog aanvaardbaar, maar dan alleen als ze al een zekere ouderdom hebben. Als ze bovendien afkomstig zijn van een of ander kasteel of zelf meegebracht zijn van "een alleraardigst antiekmarktje in de Provence", dan zijn ze pas echt de moeite waard.

De PT is vooral op comfort gesteld. En wat is er comfortabeler dan een gemakkelijke plastic stoel-met-kussen? Ze kunnen bovendien tegen de regen, kunnen in de winter gemakkelijk opgeplooid worden en wegen niets. Zeg nu zelf.

Als er plaats is en onze PT niet tot een vooroorlogse generatie behoort, dan staat er wellicht ook een gemetselde barbecue. Want een tuin annex terras dient ook om ervan te genieten. En wat is leuker dan op een warme of een minder warme zomeravond samen met familie en vrienden vakantieherinneringen op te halen bij een glaasje rosé en een stuk verbrand vlees? Een charme waarvoor ook de VT niet ongevoelig is, maar waarvoor de ST letterlijk de neus ophaalt. Tenzij op het jaarlijkse tuinfeest na afloop van het golf- of tennistornooi. Maar daarvoor heeft men zeker geen gemetselde barbecue nodig.

Beelden of andere tuinornamenten zijn in de ST-tuin alleen welkom als ze oud zijn of tenminste afkomstig zijn van een antiquair, of als ze (liefst op bestelling) gemaakt werden door de ene of andere bekende kunstenaar. Of onbekende kunstenaar, op voorwaarde dan wel dat het ornament van brons is, of van marmer, maar er alleszins heel duur uitziet en dat meestal ook is. Figuren als een Dieleman van de naar hem genoemde galerie leven bij de gratie van dit soort snobistische versierselen.

Maar ook hier moet wel enige discretie aan de dag worden gelegd, het mag zeker niet te opvallend zijn. Moderne of hedendaagse sculpturen zijn om die reden vrij zeldzaam. Maar een semi-abstract beeld van Henry Moore kan er nog mee door. De echte kunstliefhebber - die je in deze kringen wel eens tegenkomt - zal misschien wel een stapje verder durven gaan.

De PT-tuinier heeft op dit vlak een nogal ongecompliceerde smaak. Tuinkabouters, liefst in het gezelschap van Sneeuwwitje, doen het nog altijd goed. Evenals een miniatuurmolen, een scheepsanker, een Eiffeltoren of Manneke Pis. De iets meer verfijnde PT en de VT zal misschien kiezen voor een betonnen ooievaar, een schildpad of een kikker. Of voor een of andere Griekse godheid of een zonnewijzer. Heeft de tuin al enige ouderdom, dan staat er misschien zelfs een miniatuuruitvoering van de grot van Lourdes.

Tuinpoortjes en -afsluitingen in de ST-tuin worden bij voorkeur op maat en volgens een eigen ontwerp gemaakt. Uit hardhout of smeedijzer. Wat zeker niet kan zijn de doordeweekse tuinpoortjes van Bekaert-draad of de frullige serieproducten van geïmpregneerd hout of metaal. Een mogelijk alternatief zijn de 'Engelse' tuinpoorten en afsluitingen uit kastanjehout of eik. Natuurvriendelijk en bovendien duur.

De ST-tuinier is een echte potaholic. Hoe meer hoe liever. Maar natuurlijk niet gelijk wat. Het moet om echte Italiaanse terracottapotten gaan. Liefst zo eenvoudig mogelijk. Helemaal het einde zijn (oude) potten of bakken uit natuursteen of uit lood. Of oude Versaillesbakken uit hout. Dat men een vorkheftruck nodig heeft om die in de winter naar de oranjerie te verplaatsen is een verwaarloosbaar detail.

Ook op dit vlak wil de PT het nuttige aan het aangename paren. Een witgekalkte autoband of een oude kolenemmer vormen een perfect onderkomen voor zijn begonia's of vlijtige liesjes.

Maar ook de smaak van de PT evolueert. Zo zijn terracottavazen - eventueel uit onverslijtbaar plastic - vandaag ook zeer gegeerd. Het volstaat om in het eerste het beste tuincentrum wat rond te kijken om u daarvan te overtuigen. Ze staan en liggen er in alle maten en gewichten en in alle kleuren en vormen. Ook de betonnen tuinvazen in de vorm van een zwaan, een kikker of een reuzenboodschappenmand zijn ideaal om te worden beplant met geraniums of petunia's.

Wie een nog iets verfijndere smaak heeft, zal bezwijken voor die paar prachtige Portugese of Griekse urnen, waar speciaal een hoek uit is gehaald, niet om ze antiek te doen lijken - daaraan heeft onze PT geen boodschap, dat is veeleer iets voor de ST's - maar omdat ze gemakkelijker kunnen worden neergelegd in een compositie met enkele keien en een paar vetplantjes. Maar meestal vindt men dit soort artistieke composities eerder bij de VT.

Water is niet echt onmisbaar in de ST-tuin. (Tenzij dan misschien als zwembad, maar dan bij voorkeur een overdekt. Als dat niet kan, dan moet het wel ergens totaal onzichtbaar worden geïnstalleerd). Maar als er een waterpartij is, dan gaat het bij voorkeur om een natuurlijke vijver (waarvan het waterpeil eventueel met een ingenieus pompsysteem zorgvuldig stabiel wordt gehouden). Een kunstmatige vijver kan ook wel, maar dan moet hij wel een zekere omvang hebben en gemaakt zijn uit beton, speciale kleimatten of, als het absoluut niet anders kan, rubberfolie. Gewone vijverfolie is te gewoon en een voorgevormde polyestervijver is helemaal ondenkbaar.

In de PT-tuin was water tot voor een paar jaar alleen aanwezig in de vorm van een plastic vat om het regenwater op te vangen om de groentetuin te begieten. Maar ook de PT gaat mee met zijn tijd en heeft sinds kort een vijvertje met alles erop en eraan: fontein, waterspuwende kikker, plastic reiger, onderwaterverlichting... Sommigen worden zelfs zo door de watermicrobe gebeten dat ze na verloop van tijd heel hun tuin veranderen in een vijverlandschap, met bruggetjes en watervallen en namaakrotsen... In dat geval is hij of zij (maar meestal een hij) waarschijnlijk ook gebeten door de koi-rage.

(wordt vervolgd)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234