Woensdag 18/05/2022

KLAPPERTANDEN IN ANTWERPEN

Doden zoals in Moskou zijn er in België nog niet gevallen. Toch was de vroege vrieskou voor vele landgenoten geen fait divers. Daklozen zijn de meest zichtbare slachtoffers, maar een monopolie op koukleumen hebben ze niet. Wat heb je aan een dak boven je hoofd als je geen geld hebt om de verwarming te doen branden? Een winterse verkenning van de vierde wereld in Antwerpen, waar koude en eenzaamheid een sinister duo vormen.

Erik Raspoet

Foto's Stephan Vanfleteren

Er is kou en er is kou. "Het ergste", zegt Armand, "is de natte kou van België. Wind, vochtige lucht en lage temperaturen, tegen zo'n combinatie bestaat geen verweer. In Alaska, daar is het natuurlijk nog veel kouder. Maar dat is droge kou, die voel je niet." Armand kan het weten, zegt hij zelf. Hij heeft familie in Canada en is vaak genoeg in de winter bij de eskimo's poolshoogte gaan nemen. Op deze polaire woensdagochtend zit hij echter warm en droog op een barkruk aan de toog van de Steenhouwer. Dit is geen gewoon café maar een inloophuis voor daklozen, thuislozen en kansarmen, zeg maar een speerpunt in de eerstelijnshulp voor de Antwerpse vierde wereld. Koffie, soep en uitsmijters kosten maar een prikje, boterhammen en gezelligheid zijn helemaal gratis, net als de medische en psychosociale begeleiding die door twee maatschappelijk assistenten wordt gecoördineerd. Armand, een kleine, corpulente man met een rood aanlopend gezicht, telt 15 eurocent neer voor een zoveelste koffie. Last van de kou heeft hij allang niet meer. Zijn appartement is van alle gemakken voorzien, hij komt niets tekort. Een jaar of zes geleden echter kon je hem 's morgens onder de Stenenbrug in Borgerhout aantreffen. Hoe was het zover kunnen komen? Armand zou als antwoord een vuistdik dossier op tafel kunnen leggen, de neerslag van een zwaar arbeidsongeval en een aanslepend conflict met het OCMW. "Ik was alles kwijt", vat hij de toestand samen. "Twee jaar heb ik buiten geslapen. Mij moet je dus niet vertellen wat het is om in de winter dakloos te zijn. Ik heb mijn buurman onder de Stenenbrug zien doodvriezen."

Aan een tafeltje in de shelter zit een heroïnehoertje met haar vriend-pooier, de armen tot hoofdkussens gekruist. Ze slapen, onbewust van het komen en gaan rondom hen. Nieuwkomers trakteren spontaan op een striptease. Handschoenen, mutsen, sjaals, jassen en pull-overs worden uitgespeeld, wie als een Michelin-man binnenstapte, blijkt bij nader inzien toch maar een bonenstaak. Min tien was het de afgelopen nacht, het onderwerp van de gesprekken laat zich dan ook raden. Zo vroeg op het jaar en al zo koud, dat hebben we al lang niet meer gezien. Niet alleen België kreunt onder de negatieve temperaturen. In Moskou bijvoorbeeld zijn de voorbije dagen al 141 mensen doodgevroren. Zo'n vaart loopt het bij ons niet, met de thermometer noch met de mortaliteit. Maar ook in ons land wordt gebibberd en geklappertand, en heus niet alleen door daklozen. Neem nu Kristel, met haar grote mond en neuspiercing. Zeker, ze is vanmorgen in haar eigen bed wakker geworden. "Maar het was evengoed barkoud", zegt ze. "Ik ademde witte wolken. De elektrische verwarming is al drie jaar kapot, de huisbaas steekt er geen vinger naar uit. De vorige winters kon ik me nog warmen aan de 'zybrokamine'. Maar tegenwoordig verkopen ze petroleum voor straalkachels alleen nog in vaten van 100 liter. Dat kan ik niet betalen, en daarbij, zo'n voorraad brandstof mag ik op mijn kamer niet stockeren." Hoeveel graden het is, daar heeft ze niet naar gekeken. "Maar een ding is zeker", zegt ze. "Langer dan een uurtje kan ik het thuis niet uithouden."

Alain Bonnier zou die ervaring woord voor woord beamen, mocht hij tenminste Nederlands verstaan. De Fransman met de verwilderde baard staat er wat eenzaam bij aan de toog. Na een jaar in Antwerpen heeft hij gisteren eindelijk de Steenhouwer ontdekt, het barre weer heeft dus ook zijn verdiensten. Zijn die boterhammen echt gratis? Alain kan het nauwelijks geloven. Onder het kauwen van eentje met kaas licht hij een tipje van de sluier. Vrouwen en schulden, vang ik tussen gretige happen op, vormden de katalysator van een pijnlijke neergang die zich in Bretagne voltrok. In Châteaubriant om precies te zijn, een stad die haar naam schonk aan een van de beroemdste schotels uit de Franse keuken. "Châteaubriant", mijmert Alain droef, "dat kan ik mij allang niet meer permitteren." Hij slaapt al een jaar in zijn bestelwagen. Valt best mee, sust hij onze bekommernis, zolang hij maar in de stad blijft. Onlangs heeft hij het in Burcht geprobeerd. Geen twee dagen duurde het, of de politie kwam hem al wegjagen. Alles went, maar deze forse winterprik is er te veel aan. "Vanmorgen ben ik stijf als een plank opgestaan", zegt hij. "Ik was nochtans met kleren en al in bed gekropen. Wassen of douchen is er met dit weer niet bij. Hopelijk gaat deze koudegolf vlug over."

We schuifelen achter den John door het Schipperskwartier. Aan de toog van de Steenhouwer had hij zich sterk gemaakt. Koukleumen en miserie, daar weet niemand meer van af dan hijzelf. Onderweg naar zijn appartement in de Huikstraat heeft hij zijn biografie uitgestort, zonder oog voor chronologie of samenhang, als een grabbelton met losse puzzelstukken. Hoe kunnen we mythe en realiteit scheiden? Dat hij, John Janssens, uit zijn eerste huwelijk zeventien kinderen heeft gepuurd, allemaal drielingen, is alleen al om mathematische redenen betwistbaar. Het aantal oorlogen waarin hij als VN-soldaat heeft gevochten, groeit met iedere versie. Korea, Kongo, Cyprus, hij heeft de halve wereld voor zijn vizier gekregen. Buiten kijf staat wel dat hij vierenzeventig jaar is en dat hij decennialang in Nigeria heeft gewoond, alwaar hij anno 1970 op een landmijn is gelopen. Dat ze toen zijn been niet hebben afgezet, daar heeft hij nu veel spijt van. "De stukken schrapnel zijn pas nu aan het uitzweren", zegt hij, steunend op een kruk en een roestige trolley. "Ik zou een orthopedische schoen moeten dragen, maar daarmee kom ik helemaal niet vooruit. Na nieuwjaar moet dat been eraf." Zijn verhaal wordt gelardeerd met woeste tirades tegen 'de commissie'. Welke commissie? John kijkt me verbluft aan, wat een stomme vraag. Het OCMW natuurlijk, bestaat er dan een andere commissie? Vele vijanden heeft hij in zijn leven bestreden, maar geen was zo doortrapt als de commissie. Zij is het die hem laat verkommeren met zijn pensioentje van 17.500 oude Belgische franken, waarvan hij er iedere maand 15.000 aan de huisbaas afdraagt. Zij is het die de voleiken eetkamer heeft verkwanseld die hij in 1990 in bewaring had gegeven. Het Fonds voor Arbeidsongevallen presteert het zijn jaarlijkse cheque van 1.067 euro verloren te leggen. En wat doet de commissie? Niks, behalve zeggen dat hij geduld moet oefenen. En het ergste van al: de commissie smeedt snode plannen om hem in een bejaardentehuis te plaatsen. Zie je hem daar al zitten, met vier in een kamertje van niks, hij die de weidse horizonten van Afrika heeft gekend? Hij morrelt aan het slot, we betreden een muffe trappenhal. Het licht is kapot, in het duister beginnen we aan de moeizame klim in het spoor van John. "Ze zeggen dat al mijn spullen weg moeten", foetert hij onderweg, "maar dat zal over mijn lijk zijn."

Enthousiast gejank weerklinkt aan gene zijde van de deur. Baasje thuis, hondje blij.

Misschien heeft de commissie wel een punt, bedenk ik vijf minuten later zonder de overweging uit te spreken. Zelden werden mijn zintuigen vanuit zoveel hoeken tegelijk bestormd. Het lijkt alsof de verzamelde antiquairs van de Kloosterstraat hun onverkoopbare rommel in dit appartement hebben gedumpt. Heiligenbeelden zonder hoofd, huisgerei dat alleen nog goed is om echtelijke ruzies mee te beslechten, kapotte meubels en toestellen allerhande, iedere poging tot inventariseren is futiel. Honger hoeft hier niemand te lijden, met de voorraad conserven en bokalen van de Voedselbank mogen de Duitsers Antwerpen een derde keer komen bezetten. De stank is niet te harden, gevoed als hij wordt door uiteenlopende bronnen, zoals het bruine water in de lavabo, het beschimmelde behang, het vet dat als een film over de inboedel ligt, en de half doorbakken biefstukken en de cornedbeef die God weet hoe lang al liggen te bederven. De bedompte lucht is zwaar van het vocht. Enkele weken geleden is op de derde verdieping een leiding gesprongen, het water gutste langs de muren naar beneden. Alles raakte doorweekt, overal liggen stapels kleren te zweten. Hij heeft klacht ingediend tegen de eigenaar, die het vertikt een loodgieter te sturen. En jawel, de mannen van 't stad zijn komen kijken. Dat ze het huis onbewoonbaar zullen verklaren, hebben ze gezegd, maar hij heeft er verder niets van gehoord. Koud is het inderdaad, de kilte kruipt je gewoon de rug op. "De verwarming is al twee maanden stuk", zegt hij. "Vannacht vroor het binnen min vier. Gelukkig is het water ondertussen weggetrokken. Vorige week kon ik zelfs mijn schoenen niet uittrekken, je kon hier bootje varen." Hij gaat op zijn bed zitten, een uitklapbank waarvan de veren door de kapok schieten. Mistroostig wijst hij naar de encyclopedieën in de boekenkast. Drie volledige Winkler Prinsen heeft hij, allemaal in leren band. "Ook nat", zegt hij. "Vierhonderdduizend frank naar de vaantjes."

We staan weer op straat, zelden deed een teug frisse stadslucht zoveel deugd. De bedenking dringt zich op: liever nog verkleumen onder de blote sterrenhemel dan wonen in zo'n krot. Maar zouden de ervaringsdeskundigen van de Groenplaats er ook zo over denken? In de zomer zie je hen zitten op de banken van het plein, in twee groepen, verdeeld door een onzichtbare leeftijdsgrens. Oud of jong, alcohol is hun gemeenschappelijke metgezel. Daarin verschillen ze dan weer van andere kernen van daklozen en clochards. Het Astridplein, de stationsbuurt, daar bepalen drugs en prostitutie het naakte bestaan. Antwerpen heeft traditioneel een rijke fauna van zwervers en marginalen. Van de 2.200 gesubsidieerde bedden voor dak- en thuislozen in Vlaanderen mag de metropool het leeuwendeel opeisen. Vierhonderdvijftig gegadigden kunnen terecht in een resem centra die sterk uiteenlopende regels hanteren. Tehuizen zoals het Leger des Heils of het Werk der Daklozen bieden meer dan alleen onderdak. Budgetbeheer, werkervaring, ontwenningsprogramma's: logés worden met een gezonde dosis paternalisme verplicht aan hun sociale reïntegratie te werken. Ambitieus, maar voor velen te hooggegrepen. Daarom zijn er instellingen zoals de Biekorf, een louter nachtasiel met een lage drempel.

De voorbije maanden was het opvallend druk in de Antwerpse opvangcentra. Steeds meer OCMW's uit Oost-en West-Vlaanderen sturen hun daklozen naar de metropool. "Een kwalijke evolutie", zegt Vic Swerts van het Werk der Daklozen. "Een aantal kleinere steden heeft zijn bedden voor daklozen opgewaardeerd tot studio's voor begeleid wonen. Dat lijkt een stap vooruit, maar daarmee is wel de eerste lijn in hun opvang weggevallen. Want je kunt pas een studio betrekken als je eerst in een asiel of tehuis hebt bewezen dat je er rijp voor bent. En dus krijgen echte daklozen in die steden te horen dat ze maar naar Brussel of Antwerpen moeten uitwijken." Ondanks de extra drukte moet de capaciteit volstaan om de winter door te komen. Zelfs met de vrieskou van de voorbije dagen achtte het Antwerpse OCMW het niet nodig de schuilkelder te openen die als buffer moet dienen om gebeurlijke overrompelingen op te vangen. Dat wil evenwel niet zeggen dat iedereen een dak boven zijn hoofd heeft. In Antwerpen dolen ook illegale daklozen rond, de schattingen variëren van veertig tot honderdvijftig. In principe kunnen die geen beroep doen op gesubsidieerde opvang. "De redenering is begrijpelijk", vertelt een ervaren rot uit de daklozensector. "Je kunt van de overheid niet verwachten dat ze illegalen onderdak verschaft, terwijl diezelfde overheid het als haar plicht beschouwt illegalen op te pakken en de grens over te zetten. Maar dat is theorie, in de praktijk proberen de meeste tehuizen wel een oplossing te zoeken. Alle illegale daklozen helpen kan evenwel niet. Waar de anderen dan slapen? Bij vrienden, in kraakpanden, op straat. Jawel, op straat, ook bij deze temperaturen."

Pietro Paolo Rubens is niet het enige monument van de Groenplaats. Even onwrikbaar als het standbeeld van de grote schilder hoort den Bob bij dit winderige oord. Zeventien jaar al leeft hij buiten, met zijn hele hebben en houden, hetzij twee plastic zakken vol. Illegaal is hij niet, al zou hij lang moeten zoeken om een identiteitskaart te vinden. Hij heeft geen adres, hoe zou hij dan aan een 'pasport' moeten geraken? Het is middag, Bob staat met de çois en den Harry in een hoekje van het aquarium dat toegang tot de ondergrondse parking verschaft. Bierblikjes geven met een zucht de geest. Kaiserbrau uit de GB, de allergoedkoopste en volgens kenners ook allerslechtste pils op de markt. Een echtpaar wacht op de lift, de armen vol vroege kerstaankopen. Ze werpen de clochards een verwijtende blik toe, alsof hun loutere aanwezigheid hun consumptieplezier heeft bedorven. Niet iedereen kijkt zo chagrijnig, veel passanten zwaaien naar Bob, die hun groet minzaam retourneert. Hij is vierenzestig, een oudtestamentische verschijning met een stugge, grauwe haardos en een weelderige baard. In zijn kleren, haren en plooien zit meer leven dan in de hele Zoo, weer en wind hebben zijn huid tot perkament gelooid, de blauwe vlekken in zijn gezicht zien er bepaald verontrustend uit. En toch, ondanks het manifeste verval straalt hij waardigheid uit. Misschien ligt het aan de manier waarop hij zijn lot draagt, met een haast mystieke gelatenheid. "Den Bob", zegt een van zijn drinkebroers, "die is rijk. Die is nog zelfstandig geweest, die heeft nog personeel gehad." Bob ontkent noch bevestigt. "Da's allemaal gepasseerd", mompelt hij half binnensmonds.

Of hij vannacht buiten heeft geslapen? Een overbodige vraag. Den Bob is een van die hardnekkige gevallen die het vertikken bij een asiel aan te kloppen. Aan huisreglementen hebben ze een broertje dood. 's Avonds voor tien uur binnen, 's morgens om acht uur buiten, ook çois en Harry gruwen ervan. Nu hebben ze een kamer, maar ook zij hebben de straat gekend. Het ergste aan de nachtasielen is in hun ogen het drankverbod. "Dat gaat erg ver", zegt Harry. "In sommige centra word je verplicht Antabuse te slikken. Als je dan een pintje drinkt, ben je de hele dag kotsmisselijk." Ze nemen alledrie een forse teug, alsof het woord Antabuse een slechte smaak heeft gelaten die alleen met bier kan worden doorgespoeld. Een man loopt de trap af met een plastieken kerstboom op de arm. Knus en gezellig, het zijn lege begrippen voor iemand als Bob. Jarenlang heeft hij aan de Londenbrug op het Eilandje geslapen, maar tegenwoordig zoekt hij het dichterbij. De voorbije vriesnachten heeft hij doorgebracht in de Rubensgalerij, een tochtgat tussen de Groenplaats en - toppunt van ironie - de Beddenstraat. Drie keer heeft de politie hem wakker gemaakt en verjaagd, telkens is hij teruggekeerd. Karton om op te liggen, daar doet hij allang geen moeite meer voor. "Niet nodig", zegt hij schouderophalend. "Ik heb het al kouder geweten." Is het de macho in de clochard die hier spreekt? Slapen op een stenen vloer bij min tien, amper beschut door een paar versleten dekens, het lijkt een open sollicitatie naar een gewisse vriesdood. Dat perspectief schijnt Bob hoegenaamd niet te verontrusten. "Doodvriezen? Da's niet erg, dan kunnen ze mij lang bewaren."

Het is halfvijf, we lopen met Regina naar Kamiano in de Lombardenstraat. Vijf minuten geleden zaten we nog met zijn allen op de tweede verdieping van het shoppingcenter aan de Groenplaats. Regina, Jeanneke, Ouwe Mil, de ene al meer teut dan de andere. Soms worden clochards er meteen verdreven. Maar op een barre winterdag willen de bewakers al eens een oog dichtknijpen, het zijn tenslotte geen onmensen. Zolang ze zich maar gedeisd houden en niet te veel detoneren bij de glitter van het winkelparadijs kunnen clochards er af en toe een warm uurtje doorbrengen. Was het Jeanneke die in de fout ging of was het Regina? Feit is dat het bierblik net iets te opzichtig werd gehanteerd. Opkrassen, luidde het bevel van de bewaker. Regina heeft honger, ze zet er flink de pas in. Ze is dronken, maar niet zo erg dat ze erbij neervalt. "Klote Kerstmis", moppert ze, "ik heb er echt geen zin in." Ik ken ondertussen haar verdriet: haar twee kinderen zitten in een pleeggezin, ze krijgt hen zelden of nooit te zien. Een modelmama is ze nooit geweest, maar dat betekent niet dat ze geen moederlijke gevoelens koestert. Mag ze trouwens verzachtende omstandigheden pleiten? Drank, chronisch geldgebrek, dakloosheid, verkeerde venten: Regina is een zuiver product van generatiearmoede. Over buiten slapen moet je haar niets leren. "Ik trok meestal naar het Museumplein", zegt ze. "In de winter lag ik onder twee afgedankte bontmantels." Ze zeult met een speelgoedorgel, een uitgesteld sinterklaasgeschenk dat ze aan haar dochter hoopt te geven. Maar wanneer? Regina heeft geen vast adres, ze slaapt links en rechts bij vrienden met wie ze bed en fles deelt. "Mijn dochter weet niet waar ik woon", zegt ze. "Ze kan niet eens een kaartje schrijven."

Het is aanschuiven bij Kamiano. In de antichambre wordt het menu gretig gelezen. Aspergesoep, kabeljauw, dessert, alleen al het reciteren ervan verjaagt de koude uit de botten. Kamiano, een initiatief van de Sint-Egidiusgemeenschap, is onder de kansarmen van Antwerpen een begrip. Op woensdag- en zaterdagavond schuiven gemiddeld driehonderd klanten aan voor een kosteloze maaltijd. Kamiano is geen gaarkeuken, maar een resto du coeur waar menselijke waardigheid het voornaamste ingrediënt vormt. Bajesklanten of bedelaars, dronkaards of junks, alle bezoekers worden even hartelijk onthaald. Er wordt aan tafel bediend, door vrijwilligers die er een erezaak van maken zoveel mogelijk voornamen te onthouden. De hartelijkheid is geen pose. Habitués die een tijdje wegblijven, worden actief opgespoord. Vredesopvoeding wordt als huisspecialiteit onder de saus gemengd. In het ruige straatleven is plat racisme schering en inslag. De uitlatingen van autochtone marginalen over Marokkanen of asielzoekers zijn absoluut niet voor publicatie vatbaar. Kamiano echter slaagt erin alle nationaliteiten rond dezelfde tafel te scharen, meestal zonder incidenten. Deze keer is er een groep Ecuadoranen binnengewaaid. Rosa Arias en haar familie zijn niet alleen op de gratis maaltijd afgekomen. Hun appartement in de Seefhoek kraakt onder de vrieskou. "Er liggen wel gasleidingen", vertelt Rosa, "maar er staat geen kachel. Dit is nu al de derde winter zonder verwarming. We hebben de huisbaas aangepord, hij zegt dat hij ons niet wil verliezen, want we betalen altijd stipt onze 250 euro huur. De triplex platen in de ramen heeft hij al door glas vervangen, maar de kachel laat op zich wachten. Vooral 's morgens is het niet te doen. Mijn zoontje is tien jaar, ik wil niet dat hij ziek wordt. Wij zijn die temperaturen niet gewoon, in Ecuador wordt het nooit kouder dan 11 graden."

Wat zou nu het zwaarste wegen, de koude onder de leden of de kilte in het hart? Yvan, een kraaknette vijftiger met een verleden als bediende, lijdt alleszins onder beide. Vier jaar geleden doofde hij in de zomer de waakvlam van zijn gasbrander. De besparing pakte radicaler uit dan gepland, want toen het winter werd, kreeg hij de installatie niet meer aan de praat. Hij heeft onderhand ervaring met koukleumen. "Ik slaap zoveel mogelijk", zegt hij. "Alleen op die manier valt het te harden. Toch kan het nog veel erger. Als er ijsbloemen verschijnen op het keukenraam, dan is het pas serieus." Hij is arm, maar niet te arm om het euvel aan de verwarmingsketel te laten herstellen. Waarop wacht hij? Het antwoord roept vooral vragen op. Hij heeft niet graag dat er iemand op zijn appartement komt. Eigenlijk, zegt de verstokte vrijgezel, wil hij helemaal geen contact met andere mensen. "Alleen hier, in het restaurant, sla ik wel eens een praatje. Maar verder laat ik het niet komen, ik wil geen ontgoocheling oplopen."

Het is bijna acht uur, de oostenwind jaagt scheermesjes langs neuzen, oren en andere onbeschutte uiteinden. We bellen aan in de Biekorf in de Dambruggestraat, het sas is al aardig volgelopen. Veertig bedden vallen er te verdelen. Als straks de bel gaat en er zijn meer gegadigden dan plaatsen, wordt er geloot. Zover zal het vanavond echter niet komen, de wachtenden mogen zich twee per twee laten registreren. Een derde junks, een derde alcoholisten en een derde psychiatrische problemen, zo wordt het stampubliek aan het onthaal getypeerd. Logeren kost 2,5 euro, een symbolisch bedrag met pedagogische bijbedoelingen. De overgrote meerderheid van deze drop-outs geniet wel degelijk een of andere uitkering. Voor wat hoort wat, luidt de onderliggende boodschap, en geld dient niet alleen om drugs en alcohol van te kopen. Hugo Vanhoudt past in geen enkele categorie. In februari klapte hij in Mol met zijn motor tegen een betonnen verkeersremmer die zonder signalisatie of verlichting op zijn vertrouwde parcours was geplaatst. Misschien trekt hij ooit nog een gigantische schadevergoeding, maar dat zal mosterd na de maaltijd zijn. Hugo's linkervoet is in de prak, hij heeft maandenlang in ziekenhuizen en revalidatiecentra gesleten. Ziekenfonds en verzekeringsmaatschappij zijn nog aan het ruziën over de zich opstapelende doktersrekeningen. Hij wil wel betalen, maar hoe? Zijn werk is hij kwijt, zijn appartement werd opgezegd, over de solidariteit van vrienden koestert hij geen illusies meer. Gisteren bereikte zijn leven het absolute nulpunt. "Ik kon bij niemand onderdak vinden", zegt hij. "Ik heb voor het eerst een nacht op straat doorgebracht. Iemand had me 2 euro gegeven. Daarmee heb ik een paar uur achter een kop thee in een café gezeten, de rest van de nacht heb ik in een bushokje op de Rooseveltplaats gewacht. Slapen ging niet, daar was het veel te koud voor, ik heb alleen wat zitten knikkebollen en veel gepiekerd. Dat een mens zo snel zo diep kan vallen, dat had ik niet gedacht."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234