Zaterdag 24/07/2021

Klanken in de vitrine

Opening van het Muziekinstrumentenmuseum in Brussel

Toespraken van ministers en conservatoren, een obscure 'wereldpremière' van een orkestratie door Liszt van obscure pianomuziek van ene Zarembski, de aanwezigheid van een koningin en heel wat notabelen: eigenlijk was dat allemaal nog te weinig voor de gebeurtenis van dinsdagmiddag, de opening van het Muziekinstrumentenmuseum in de Old England-gebouwen aan de hoek van de Hofberg en het Koningsplein in Brussel. Het gaat namelijk om niet meer of niet minder dan het grootste en wellicht ook belangrijkste museum in zijn soort, dat eindelijk, na meer dan honderdtwintig jaar, een adequate behuizing krijgt.

Tamelijk veel mensen weten dat ons land de belangrijkste verzamelingen van Vlaamse primitieven herbergt (dat is ook niet zo verwonderlijk); sommigen kennen ook de op een na belangrijkste egyptologische collectie ter wereld in de Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. Weinigen weten nochtans dat ons land ook twee van de grootste muzikale verzamelingen huisvest: de muziekbibliotheek van het Brussels conservatorium en net dit Muziekinstrumentenmuseum. Zoals vele musea is dit het product van de verzamel- en systematiseringswoede van de negentiende eeuw; het draagt er nog altijd de - positieve en negatieve - sporen van. Aan de oorsprong lag de industriële instrumentenbouwer Victor Mahillon, die niet alleen historische instrumenten kopieerde en er 'gemoderniseerde versies' van maakte (zoals de beruchte 'Bach-trompet') maar ze ook verzamelde en onderbracht in een privé-museum, het Musée d'organographie musicale de la Maison Mahillon. In 1877 bood hij de toenmalige directeur van het Brusselse conservatorium, François-Auguste Gevaert, aan die collectie onder te brengen in een instrumentenmuseum, samen met de etnografische collectie van de koning. Mahillon wilde er onbezoldigd de leiding van nemen, de collectie classificeren en er een catalogus van maken. Hetgeen geschiedde; een voor die tijd voortreffelijk museum ontstond en men kon op zoek naar een behuizing. Van de zolders van het Conservatorium in de Regentschapsstraat verhuisde het museum naar de Wolstraat, naar een pand waar tot voor kort nog altijd de reserve was ondergebracht. Dat bleef zo tot de jaren twintig, toen de toenmalige directeur, Ernest Closson, een noodkreet in de pers lanceerde. Prompt kwamen de politici met kleine en grote oplossingen; burgemeester Adolphe Max dacht zelfs aan het Egmontpaleis. Uiteindelijk werd het museum door toedoen van de minister van Kunsten en Wetenschappen, Camille Huysmans, overgebracht maar de woning van de conservatoriumdirecteur op de hoek van de Regentschapsstraat en de Kleine Zavel, waar het sindsdien gehuisvest bleef. Later werden daar nog andere panden in de buurt aan toegevoegd voor opslag en administratie. Dat was in het begin van deze eeuw misschien een bevredigende situatie, maar op geen enkele manier kon men er nu nog aan een modern museumbeleid doen, helemaal afgezien van de vaak lamentabele opslagmogelijkheden. De verhalen over op elkaar gestapelde klavecimbels en dozen vol ontoereikend gecatalogiseerde en dus regelmatig verdwijnende blaasinstrumenten waren misschien overdreven maar ze bevatten toch een grond van waarheid.

In de jaren zeventig werd het Old England-gebouw verworven (dat verhaal wordt hiernaast verteld). De wordingsgeschiedenis van het gebouw vindt men het best terug in een tekst van Marianne Bouckaert, een medewerkster van de toenmalige Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg:

"De geschiedenis begint reeds in de zestiende eeuw, toen er sprake was van een laat-gotisch herenhuis dat achtereenvolgens toebehoorde aan Walter Van Kersbeke, de heer van Auxy, Filips van Bourgogne en ten slotte aan Antoine de Lalaing, die door Keizer Karel tot graaf van Hoogstraten werd verheven, zodat deze woning sindsdien als 'hotel van Hoogstraeten' de geschiedenis inging. In 1776 werd een deel van deze eigendom verkocht aan een opperkamerheer van 'Zijne Majesteit', baron Van Spanghen. Deze laat het gebouw grotendeels afbreken om het architecturaal in te passen binnen het kader van het inmiddels opgebouwde neoclassicistische Koningsplein."

Het 'hotel van Hoogstraeten' werd op het einde van de negentiende eeuw aangekocht door de prestigieuze kledingzaak Old England, die het pand uitbreidde met een opvallend art-nouveaugebouw, dat in 1899 door de architecten Paul Saintenoy en Jules De Becker, met de medewerking van ingenieur Wykowski, werd opgetrokken, volledig rond een ijzeren skelet.

In de Patriote Illustré van 27 mei 1900 drukt een journalist zijn bewondering voor deze nieuwbouw uit: "Alle Brusselaars hebben stilgestaan voor de gevel in een volledig moderne stijl. Het is de triomf van het ijzer en de ceramiek in de architectuur, het type van de winkel van de toekomst. Het licht doorspoelt de zes verdiepingen..."

Op de bovenste verdieping werd een tearoom geïnstalleerd, van waaruit men een schitterend uitzicht had op de Brusselse benedenstad en de buurt van het Justitiepaleis. Deze gezellige ruimte werd de favoriete ontmoetingsplaats van de beau monde, tot 1972, het jaar waarin de firma Old England verhuisde naar de Louizalaan. Eigenaardig genoeg werd het gebouw nooit beschermd. De adviezen gewaagden zelfs van "een gebrek aan architecturaal belang".

De aankoop betekende nochtans niet dat het probleem van het Instrumentenmuseum was opgelost. Er was wel geld geweest voor de aankoop van het gebouw, maar daarom nog lang niet voor de verbouwing en de inrichting. Een nieuwe lijdensweg begon. Jarenlang stonden de gebouwen leeg; pas op het einde van de jaren tachtig waren er kredieten beschikbaar om de in 1983 geplande verbouwingswerkzaamheden uit te voeren. De ruwbouw was klaar in 1991, de binnenafwerking en de reserveruimten volgden eind 1998. Ondertussen waren er geregeld nieuwe kapers op de kust; op een bepaald moment organiseerde de toenmalige dienstdoende conservator, Nicolas Meeûs, een persconferentie om te waarschuwen voor overnameplannen door het Museum voor Moderne Kunst. Het mag haast een wonder heten dat het project uiteindelijk toch nog werd afgewerkt.

In het nieuwe museum kunnen op drieduizend vierkante meter bijna drie keer zoveel instrumenten tentoongesteld worden als in het oude. Die ruimte beslaat vier verdiepingen in het classicistische gebouw aan het Koningsplein; elke verdieping heeft haar eigen thema. De voorstelling is een eigenaardige mengeling van klassieke museologie - de meeste instrumenten staan in vitrines, die er erg luxueus uitzien - en moderne didactiek: illustraties, oplichtende documenten, auditieve demonstraties via een hoofdtelefoon. Daarnaast zijn er verschillende educatieve projecten: de Tuin van Orpheus, een bijzondere zaal waar kinderen al doende met muziek kunnen kennismaken, en het Klanklabo, waar men de grondbeginselen van de akoestiek kan leren, klanken van instrumenten door de computer kan laten analyseren en virtuele instrumenten kan bouwen. Er is ook nog een - niet erg mooie en, zoals bij de openingsviering bleek, ook niet erg efficiënte - concertzaal, waar regelmatig op historische instrumenten of kopieën zal worden gemusiceerd.

Minder zichtbaar maar zeker even belangrijk is het feit dat de reserves eindelijk op een verantwoorde manier worden ondergebracht en dat de restauratieateliers werden uitgebreid. Al jaren woedt er een discussie of een museum als dit de instrumenten vooral moet conserveren of ze eventueel ook moet restaureren en speelbaar maken, zodat de bezoekers ze kunnen horen, eventueel met het risico dat de oorspronkelijke toestand van het instrument achter de restauratie verdwijnt. Het Brusselse Muziekinstrumentenmuseum schijnt voor een compromis gekozen te hebben: het wil niet de fouten van het verleden herhalen - toen instrumenten vaak erg 'hard' gerestaureerd werden - maar wil toch vele stukken speelbaar maken. Daar zal ongetwijfeld kritiek op komen.

De praktijk zal moeten uitwijzen of de publieksactiviteiten het beoogde effect - een van de populairste musea van Brussel worden - hebben. De materiële voorwaarden daarvoor lijken grotendeels vervuld, al zullen bepaalde elementen uit de opstelling en het didactische materiaal relatief snel ouderwets lijken. Zolang het nog niet zover is, lijkt het museum voor muziekliefhebbers en andere nieuwsgierigen een verplichte stop in Brussel.

Het Muziekinstrumentenmuseum gaat vandaag open voor het publiek. Vandaag en morgen zijn er heel wat activiteiten: van 10 tot 17 uur om het uur een concert in de concertzaal en de hele dag volksmuziek in het Saintenoy-gebouw, in de cafetaria en op het beroemde dakterras. Het museum bevindt zich op de Hofberg 2. Informatie op het internet: http://www.mim.fgov.be.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234