Donderdag 24/06/2021

Kippenveltoerisme in Flanders Fields

De gruwelijkste en meest zinloze veldslag uit de Grote Oorlog. Zo ging de slag om Passendale, die precies negentig jaar geleden begon, de geschiedenis in. De Britse koningin Elisabeth bezocht de vroegere slagvelden. Iets wat honderdduizenden toeristen haar al voordeden. Het Battlefield-toerisme is volop aan een revival toe en blijkt goed te zijn voor een derde van de toeristische omzet in de Westhoek.

Door Cathy Galle

Passendale. Een nietig West-Vlaams dorpje dat in het collectieve geheugen gegrift staat als synoniem voor de zinloosheid van de oorlog. Elke steen, elke boom ademt hier nog de sfeer van de Grote Oorlog. Ook al hebben de huidige inwoners van het kaasdorp nog maar weinig te maken met de gesneuvelden van toen.

Een half miljoen waren het er. De meesten stierven door 'vijandelijk vuur', een deel van hen verdronk in de Vlaamse modder. In de loop van de oorlogsjaren was het eeuwenoude afwateringssysteem onder en langs de velden rond Ieper door het voortdurende artillerievuur totaal vernield. De kleinste regenvlaag veranderde het terrein in een modderpoel. En regenen deed het met bakken, tijdens die zomer van 1917, toen de slag om Passendale losbarstte.

Op papier leek het nochtans allemaal best doenbaar, zo vonden de opperbevelhebbers. De Britse soldaten in de zogenaamde salient, het vooruitspringende stuk van het Ieperse front, zaten als ratten in de val in het drassige dal. De Duitsers beschoten hen voortdurend vanop de heuvelruggen en gebruikten ook voor het eerst mosterdgas.

Militair strategisch was het voor de Britten wellicht beter om de salient en de compleet stukgeschoten stad Ieper op te geven en zich te concentreren op andere fronten. Maar de emoties waren in Groot-Brittannië hoog opgelopen. Het grote aantal slachtoffers dat al gevallen was, vervulde de publieke opinie wel met afschuw, maar maakte hen - en dus ook de politici en bevelhebbers - nog halsstarriger. Als 'onze jongens' waren gesneuveld om Ieper te beschermen, dan mocht Ieper ook niet worden opgegeven. De enige optie was dus uitbreken en terrein veroveren.

In het hoofdkwartier van de geallieerden in Londen wees Douglas Haig, bevelhebber van de Britse troepen aan het westelijke front, naar de wandkaart van Vlaanderen. Met één beweging van zijn wijsvinger toonde hij hoe hij de troepen uit de salient richting Passendale zou sturen. Volgens hem was dat "een piece of cake". Daarna wilde hij naar het noorden afbuigen om de havens van Oostende en Zeebrugge te veroveren. Iets wat volgens Haig op enkele dagen, hooguit een paar weken, kon geklonken zijn.

Het voorspel begon op 12 juli 1917 met een bombardement op de Duitse stellingen. De echte slag om Passendale, die ook wel de Derde Slag om Ieper wordt genoemd, begon op 31 juli.

Uiteindelijk duurde het honderd dagen om Passendale te bereiken. De verliezen waren enorm en de terreinwinst miniem: amper acht kilometer. Enkele lapjes grond dus, die de geallieerden enkele maanden later alweer moesten prijsgeven toen ze tijdens het Duitse lenteoffensief tot aan de wallen van Ieper werden teruggeslagen. De slag om Passendale werd het symbool voor de zinloosheid van oorlog.

Op de heuvels rond Ieper hangt nog altijd een onwerkelijke sfeer. In de hele streek is wellicht geen veld te vinden zonder een kruisje of enkele grafstenen. Het besef dat er onder de drassige grond nog tientallen lichamen rusten, is bijna beklemmend. Onder de boerderijen, bossen en dorpen liggen nooit opgegraven lichamen van naar schatting meer dan 40.000 soldaten. Wanneer de boeren de velden met hun ploegmachines bewerken, komen er nog steeds beenderen aan de oppervlakte. De meeste landbouwers kijken allang niet meer op als ze weer eens hun machine moeten stilleggen omdat er een schedel of een bot in vast is komen te zitten.

"De slag om Passendale of Passchendaele zoals de Britten hem noemden, was de hel in het kwadraat. Een compleet zinloze en grove verspilling van mensenlevens", stelt Lyn Macdonald, de Britse historica die tal van boeken schreef over de Grote Oorlog. Ze baseerde zich op getuigenissen van overlevenden. "De bevelhebbers in Londen en de 'thuisblijvers' stonden nooit stil bij wat de soldaten in de salient moesten doorstaan. De salient was een waar slachthuis, er is geen andere uitdrukking voor."

Dat is nog het best te merken op het Tyne Cot Cemetery in Passendale. De begraafplaats is de grootste en tevens meest indrukwekkende van de Commonwealth Wargraves. Het is eén van die plaatsen in de Westhoek waar enkel kippenvel op zijn plaats is. Niet toevallig stopte de Queen bij haar passage door de Westhoek ook op Tyne Cot.

En dat kippenvel is blijkbaar de reden waarom in 2006 meer dan 300.000 'slagveldtoeristen' naar de Westhoek afzakten. Het aantal bezoeken van de tien belangrijkste WOI-locaties loopt dan weer tegen het miljoen, zo becijferde Westtoer, de dienst voor recreatie en toerisme van de provincie West-Vlaanderen. Ze onderzochten daarbij ook het economisch belang van het WOI-toerisme. Daaruit bleek dat het oorlogstoerisme maar liefst 31 miljoen euro omzet vertegenwoordigt, waarvan 26 miljoen afkomstig is van verblijfstoerisme. Ongeveer 38 procent van de toeristen blijft overnachten, met een gemiddelde verblijfsduur van 2,8 nachten. De sector is ook goed voor 480 voltijdse jobs.

Een groot deel van die oorlogstoeristen zijn Britten. In Groot-Brittannië behoort de Great War tegenwoordig tot het collectieve geheugen. De oorlog staat ingeschreven in het leerplan van het middelbaar onderwijs en scholieren gaan minstens één keer in hun studieloopbaan op studietrip naar de Westhoek.

Nog opvallend: vroeger was de zoektocht naar een overleden familielid vaak de belangrijkste reden voor toeristen om naar de Westhoek te komen. Volgens het onderzoek van Westtoer is dat criterium intussen nog slechts geldig voor één vijfde van de bezoekers. Als hoofdreden voor het bezoek wordt nu vaak "een algemene interesse in Wereldoorlog I" opgegeven.

Dat is ook wat de uitbaters van oorlogsmonumenten zelf vaststellen. Het Memorial Museum Passchendaele 1917, een klassiek museum dat een militair overzicht geeft van de gebeurtenissen, telde vorig jaar meer dan 44.000 bezoekers. In 2004 bijvoorbeeld waren er dat nog 27.000. Hetzelfde geldt voor het nabijgelegen Tyne Cot, dat nu bijna aan 230.000 bezoeken zit, terwijl dat er in 2002 nog 189.000 waren.

De revival van het oorlogstoerisme betekende alvast de redding voor het Best Western Flanders Lodge Hotel, dat vlak tegenover het vroeger Flanders Language Valley ligt. Het hotel richtte zich destijds op de vele klanten en zakenrelaties van Lernout & Hauspie en de andere bedrijfjes op de site. Na het faillissement van L&H zag eigenaar-uitbater Carl Ooghe zwarte sneeuw. Het oorlogstoerisme bracht hem er weer bovenop.

"De eerste winter na het faillissement van L&H was rampzalig", herinnert Ooghe zich nog levendig. "Voordien hoefden we maar onze deur open te zetten en de kamers liepen vol. Elke dag hadden we een hele lijst van mensen die we moesten weigeren. De eerste maanden na het faillissement ging het nog, toen had je nog de auditoren, de curatoren en de vele journalisten. Maar toen viel ook dat stil."

De eigenaar moest op zoek naar nieuw cliënteel. "Ieper is niet het soort bestemming waar je een week met je vrouw en kinderen op vakantie komt. Hier komen meestal fietstoeristen die elke nacht ergens anders slapen én oorlogstoeristen", stelt Ooghe. "Maar ook die laatsten blijven hier gemiddeld maar twee à drie nachten. Ik ben dus het soort toeristen gaan toelaten waar ik vroeger mijn neus voor ophaalde: Britse scholieren die op verplichte studiereis zijn, kunnen hier sindsdien overnachten aan aangepaste prijzen."

Ooghe trok zelfs enkele keren op prospectie naar Engeland. "Het is nog steeds een beetje met gemengde gevoelens", geeft de uitbater toe. "Zo'n groep studenten is toch anders dan deftige zakenmensen. Maar hadden we hier niet voor gekozen, dan bestonden we allang niet meer. Gelukkig komen er ook steeds meer 'gewone' toeristen over de vloer."

Mensen die duidelijk interesse tonen voor het oorlogsverleden van de streek. Ooghe: "Hoe dat komt? Moeilijk te zeggen, maar volgens mij heeft het te maken met het feit dat de emotionele band van de huidige generatie met de Tweede Wereldoorlog is verminderd. Die kreeg tot op heden alle aandacht, omdat hij nog vers in het geheugen lag. Maar de huidige generatie, die het niet zelf heeft meegemaakt, kan er meer afstand van nemen. En als je zo naar de vorige eeuw kijkt, dan zie je dat er twee oorlogen zijn geweest, waardoor de Eerste Wereldoorlog terug meer in het vizier komt."

Dat werd Ooghe twee jaar geleden duidelijk toen er in Duitsland voor het allereerst een tentoonstelling werd georganiseerd over de Eerste Wereldoorlog. "Ook daar is de emotie geluwd. Er wordt objectiever naar de geschiedkundige feiten gekeken en het wordt weer bespreekbaar."

De vraag waar die verhoogde interesse in oorlogstoerisme vandaan komt, is niet zo eenvoudig te beantwoorden. "Om te beginnen zijn er de jongste jaren heel wat herdenkingsmomenten geweest", stelt Joeri Meesters van de dienst Toerisme van de stad Ieper. "Deze keer is het 90 jaar slag om Passendale en 80 jaar oprichting van de Menenpoort. Die herdenkingen krijgen heel wat media-aandacht, wat veel belangstelling uitlokt."

Het ziet er dan ook goed uit voor het Westhoektoerisme, want nog tot in 2018, de honderdste verjaardag van het einde van de Grote Oorlog, zijn er om de haverklap herdenkingen, speciale tentoonstellingen en activiteiten gepland.

Maar ook de recente oorlogen spelen een rol, meent Meesters. "We horen vaak van Britse toeristen dat ze meer willen weten over de Great War vanwege de oorlog in Irak. De meesten die hier komen, zijn het hoegenaamd niet eens met de rol die hun land speelt in die oorlog. De ene oorlog roept blijkbaar interesse op aan andere, eerder gestreden oorlogen."

Een theorie die zou kunnen kloppen. De Britse krant The Guardian citeerde vorige week een onderzoeksrapport waarin staat dat er in Groot-Brittannië blijkbaar een tweehonderdtal bedrijfjes zijn die wereldwijd battlefield tours organiseren. De geleide reizen naar slagvelden waar Britten ooit streden en het loodje legden, zijn een enorm succes. Er zijn er zelfs naar de Falklandeilanden. Die kleine eilandjes, die ooit het strijdtoneel waren van bloedige gevechten tussen Groot-Brittannië en Argentinië, krijgen tegenwoordig drie keer zoveel - voornamelijke Britse - toeristen over de vloer dan er inwoners zijn.

Maar de Westhoek heeft nog een ferme toeristische troef, die een niet te onderschatten rol speelt in de huidige revival. Sinds 1998 is er het In Flanders Fields Museum, het alom geprezen multimediaal museum op de Grote Markt van Ieper. Sinds het museum zijn deuren opende, is het aantal hotelkamers en het aanbod aan bed & breakfasts er verdrievoudigd.

"Ook nu weer speelt het museum een belangrijke rol", stelt Meesters. "Bij de herdenking van Passendale belichten de betrokken gemeenten Zonnebeke en Passendale vooral het historische aspect. Het In Flanders Fields Museum toont daarentegen op een beklijvende manier wat oorlog met mensen en een hele regio doet. En dat is een aanpak die het thema erg toegankelijk en boeiend maakt."

Het ziet er goed uit voor het Westhoektoerisme. Nog tot in 2018, de honderdste verjaardag van het einde van WO I, zijn er tal van herdenkingen en speciale tentoonstellingen gepland

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234