Donderdag 21/11/2019

Reportage

Kinderen van verzetsouders over hun traumatisch oorlogsverleden: ‘Als ik mijn ogen sluit, zie ik nog altijd dat ze vader ­meenemen’

Yvette Elyn: ‘Toen de man die mijn vader had opgepakt na de oorlog werd gefusilleerd, stond mijn moeder op de eerste rij.’ Beeld Bob Van Mol

In de nieuwe Canvas-reeks Kinderen van het verzet vertellen ­getuigen 75 jaar na de ­bevrijding ­wat er met hun ouders ­gebeurde die in het verzet zaten. Ook deze drie verzetskinderen hebben een aangrijpend verhaal.

Yvette Elyn (82): ‘Die ladder was een ontsnappings­route, besefte ik later’

‘Dit is het enige tastbare wat ik van mijn ­vader heb.’ Yvette Elyn loopt naar de kast en haalt er een klein, met houtsculpturen versierd doosje uit. In het doosje zit een beetje verdroogde aarde. Een paar gram, niet meer. ‘Meegebracht uit Strzelce ­Opolskie, waar mijn vader begraven ligt.’

De tocht naar het Poolse stadje Strzelce Opolskie begint voor Yvettes vader in de vroege ochtend van 2 september 1943, wanneer in de Gentse Mimosastraat, voor huisnummer 126, een grijze Citroën stopt. Vijf mannen stappen uit, tikken op het rolluik en klepperen even met het brievenbusluik in de voordeur. “Het vaste signaal waarmee de collega van mijn vader, die huisschilder was, iedere morgen liet weten dat hij er was”, vertelt Yvette. “Ze hielden ons huis blijkbaar al langer in de gaten.”

Vader Polydoor doet nietsvermoedend de deur open en wordt meteen vastgegrepen. Er is nog net tijd om de vijf kinderen – drie meisjes en twee jongens – uit bed te halen. Om afscheid te nemen van papa. Yvette is dan 7 jaar. “Het is al zo lang geleden, maar als ik mijn ogen dichtdoe zie ik de beelden alsof het gisteren was.”

Veel meer dan ‘papa, papa’ krijgen de kinderen niet gezegd. Daarna verdwijnt hun vader in de Citroën en uit beeld.

“Ik wist dat mijn vader ’s avonds met alle ramen en deuren toe naar de BBC luisterde. En het was me opgevallen dat er sinds een paar maanden altijd een ladder klaarstond in de tuin. Een ontsnappingsroute, besefte ik later. Maar dat hij in het verzet zat? Dat heb ik nooit geweten.”

Ook de moeder van Yvette wist niet precies wat haar echtgenoot in de donkere uren deed. “Ze heeft hem wel een aantal keer gevraagd om aan zijn kinderen te denken, maar het antwoord was steeds hetzelfde: ‘Als mij iets overkomt, wordt er voor jullie gezorgd.’ Wat Polydoor precies bij het verzet deed, is ook vandaag nog steeds onduidelijk. Yvette: “Hij was aangesloten bij de verzetsafdeling van de haven. Dus waarschijnlijk was hij daar betrokken bij sabotagepogingen.”

De ouders van Yvette in betere tijden. ‘Ik wist alleen dat vader stiekem naar de BBC luisterde.’ Beeld Bob Van Mol

De eerste weken na zijn arrestatie brengt Polydoor door in de Nieuwe Wandeling in Gent. “Cel 119”, zegt Yvette. Ze mag één keer op bezoek. Haar vader is dan al een gebroken man. “Ze hadden hem tijdens de ondervragingen helemaal murw geslagen. Hij was doof door de klappen op zijn hoofd.”

Van Gent gaat het naar Brussel, daar raakt de familie van Polydoor zijn spoor bijster. “We hadden er geen idee van waar hij was, hoe hij er aan toe was en of hij überhaupt nog leefde.”

Zonder een kostwinner in huis was het lastig om de eindjes aan elkaar te knopen. De belofte van vader Polydoor dat er voor zijn gezin gezorgd zou worden, bleek in die oorlogsjaren moeilijk hard te maken. “Meteen na zijn arrestatie kwam de pastoor bij ons langs”, vertelt Yvette. “Hij wilde ons helpen op voorwaarde dat we allemaal naar de katholieke school overstapten. Mijn moeder weigerde, het was immers de uitdrukkelijke wens van mijn vader dat we naar een stadsschool zouden gaan.

“Mijn oudste zus is later nog bij diezelfde pastoor gaan aanbellen omdat we hadden gehoord dat hij voedselpakketten uitdeelde. ‘Ga maar in de stadsschool om eten vragen’, was zijn antwoord.” Tussen Yvette en de katholieke kerk is het nooit meer goed gekomen.

In die stadsschool deden ze trouwens wel degelijk hun best om Yvette te helpen. “Mijn moeder mocht er ’s morgens de as uit de kachels halen. Met de restjes kolen die ze in de stoof vond, konden we ons toch een beetje verwarmen.”

Wanneer de oorlog naar zijn einde loopt, komen steeds meer krijgsgevangen en politieke gevangenen terug naar huis. “Telkens als dat gebeurde, kwam de hele wijk op straat. Wij ook. Maar onze vader was er nooit bij.”

Uiteindelijk komt in 1944 het bericht dat Polydoor dood is. Gestorven van ontbering in een Poolse gevangenis. Maar voor Yvette blijft het moeilijk om dat te geloven. “Ik heb lang gedacht dat ze ons dat hebben verteld om ons te sussen.”

Yvette probeert uit te zoeken wat er met haar vader gebeurde. Maar de Koude Oorlog maakt het moeilijk om in Polen informatie los te peuteren. Wanneer ze halfweg de jaren 90 in een radio-uitzending een overlevende over diezelfde Poolse gevangenis hoort vertellen, trekt ze haar stoute schoenen aan en schrijft hem een brief. Met zijn hulp kan ze in 1996 eindelijk naar de gevangenis in kwestie. “Een Poolse tolk heeft me toen de plaats getoond waar mijn vader begraven was. Eindelijk had ik hem gevonden. Alleen jammer dat ik dat niet meer aan mijn moeder heb kunnen vertellen, zij was kort daarvoor gestorven.”

De moeder van Yvette koesterde heel haar leven een diepe wrok jegens iedereen die met de Duitse bezetter had meegewerkt. “Vader is opgepakt door Marcel Opdebeeck, in de oorlog een van de grootste smeerlappen van Gent. Hij kreeg in 1948 de doodstraf. Toen hij werd gefusilleerd, stond mijn moeder op de eerste rij.”

Ook bij Yvette liet de oorlog littekens na. “Ik had zoveel meer kunnen zijn. Mijn vader was heel erg begaan met onze schoolcarrière. Ik heb ooit nog een volledig schrift moeten overschrijven omdat hij mijn handschrift te slordig vond. Hij had er op gestaan dat we een diploma haalden. Mijn moeder was daar veel minder mee bezig. Zij had het al lastig genoeg om het hoofd boven water te houden. Toen ik op mijn zeventiende wilde gaan werken, heeft ze nooit geprotesteerd.”

Dat er te snel vergeten is wat er tijdens de oorlog gebeurde, vindt ze. “Tijdens wielerwedstrijden krijgen nietsvermoedende kinderen leeuwenvlaggen in hun handen gestopt. Ik word daar kwaad van. Ik heb met mijn eerste man een paar jaar in Duitsland gewoond. Daar is men veel opener over wat er is gebeurd. De Duitsers erkennen hun schuld, geven hun misdaden toe. Hier gebeurt dat veel minder.”

Ook de recente verkiezingsuitslagen zorgen voor onrust. “Zo’n Dries Van Langenhove van Schild & Vrienden of iemand als Tom Van Grieken. Ik ben daar bang van. Een paar jaar geleden stonden hier twee lokale N-VA-politici aan de deur. Met de klassieke vraag of ik in het stemhokje aan hen wilde denken. Ik vertelde hun dat mijn vader tijdens de oorlog gevangen genomen is door de mensen die in de voorloper van hun partij zaten. En dat ik hem nooit meer heb teruggezien. Ik heb ze beleefd maar dringend gevraagd om weg te gaan en nooit meer terug te keren. Toen ik de deur dichtdeed, stond ik te trillen op mijn benen, maar ze hebben nooit meer aangebeld.”

Jan Vanriet: ‘Mijn moeder was een romantisch meisje van zeventien dat plots terechtkwam in een soort inferno van Dante.’ Beeld Bob Van Mol

Jan Vanriet (71): ‘Mijn vader had niets meer te verliezen’

‘Nog altijd loop ik soms door de stad op de tonen van de Tsjechische mars die ze in het concentratiekamp van Mauthausen speelden’, vertelt kunstschilder Jan Vanriet. Een erfenis van zijn ouders. Twee mensen die een onwaarschijnlijke romance beleefden op een nog onwaarschijnlijker plek.

Het verhaal begint in de jaren 1930 wanneer Victor Van Riet (de familienaam werd toen nog zo geschreven), de vader van Jan, in de ban raakt van het communisme. “Onder invloed van linkse literatuur en oorlogsromans als Van het westelijk front geen nieuws”, vertelt Jan. “Hij sloot zich aan bij de communistische jeugd en werd een rabiaat antifascist. Op een bijna programmatorische manier.” Wanneer aan het begin van de oorlog Victors eerste vrouw in het kraambed sterft en ook hun pasgeboren zoontje overlijdt, sluit hij zich aan bij het verzet. “Vanuit een soort moedeloosheid”, vertelt Jan. “Hij voelde zich verlaten, had niets meer te verliezen.”

Ook Jans moeder, Lucia Rombaut, gaat bij het verzet. Samen met haar tweelingbroer en haar moeder. “Al was dat een compleet ander verhaal. Mijn moeder was twaalf jaar jonger dan mijn vader, ze was zeventien toen de oorlog uitbrak. Een naïef meisje dat geen idee had van de malheuren die haar boven het hoofd hingen. Ze heeft dat gevaar nooit goed ingeschat.”

Victor Van Riet houdt zich in Antwerpen bezig met het verspreiden van anti-Duitse sluikpers en het verzamelen van de nodige fondsen om de activiteiten van het verzet te ondersteunen. Lucia en haar familie, een schippersgezin, smokkelen pamfletten en wapens voor datzelfde verzet. Maar wanneer de Gestapo daar op uitkomt, begint voor Lucia, haar broer en haar moeder een ware helletocht. Ze verblijven in strafkampen in België en Duitsland, belanden in een Poolse gevangenis en worden van daar –na een schijnproces – naar de kampen gestuurd. Jans oom vertrekt naar Dachau, de vrouwen belanden in het vernietigingskamp van Ravensbrück. Wanneer het Rode Leger te dichtbij komt, gaat het van daar richting Mauthausen in Oostenrijk.

Ook Victor Van Riet verzeilde intussen in Maut­hausen. Zijn communistische sympathieën en zijn muzikaal talent leverden hem daar een geprivilegieerde positie op. “Mijn vader speelde viool en had een plek weten te veroveren in het kamporkest. Daardoor kreeg hij lichter werk. In plaats van in de steengroeve mocht hij in de SS-keuken werken. In die functie moest hij brood brengen naar de barakken van de vrouwen. Daar leerde hij mijn moeder kennen en maakten ze de afspraak om elkaar na de oorlog op te zoeken in Antwerpen.”

De ouders van Jan op een binnenschip in 1947. Beeld Archief Jan Vanriet

Maar daar moesten ze eerst de kampen voor zien te overleven. “Voor mijn moeder is het kantje boord geweest”, vertelt Vanriet. “Zij was een romantisch meisje van zeventien dat plots terechtkwam in een soort inferno van Dante. Een helse wereld waar geen mens voor gemaakt is. Maar mijn grootmoeder, die een ijzersterke vrouw was, heeft haar er door gesleept.”

Terug in Antwerpen vinden Victor en Lucia elkaar terug. Met op 21 februari 1948 de geboorte van hun eerste en enige zoon Jan als resultaat. Maar wat ze meemaakten in de kampen, schudden ze niet zomaar van zich af. “Hun gedeeld verleden was wat hen dreef”, vertelt Vanriet. “Hun hele leven stond in het teken van de strijd tegen het fascisme en het opkomen voor de nagedachtenis van de slachtoffers ervan.”

En daar moest hun zoon willens nillens in mee. “Mijn ouders trokken van het ene congres naar de andere herdenkingsplechtigheid. In binnen- en buitenland. Terwijl andere kinderen op vakantie gingen, werd ik meegesleurd naar allerhande onheilsplekken. Ik ben opgegroeid met verhalen en beelden van de gruwel die zich daar heeft afgespeeld. Omringd door oude mensen met een geknakt leven. Dat heeft zijn sporen nagelaten.”

Ook de depressies waar zijn moeder mee kampte, vielen Jan zwaar. “Zij is beschadigd uit de oorlog gekomen. En ze rekende op mij om haar troost te bieden. Maar dat kon ik niet aan. Ik durfde niet meestappen in haar verdriet uit schrik om er in meegezogen te worden. Dat was moeilijk. Voor ons allebei.”

Het oorlogsverleden van zijn ouders weerspiegelt zich ook in het werk van Vanriet. “Toen ik op mijn twintigste aan de academie studeerde, nam ik het fundamentele besluit om die verhalen en beelden niet te laten doorsijpelen in mijn werk. Mijn werk moest luchthartig zijn. Opgewekt. Ik probeerde het onheil van de wereld te compenseren met vrolijkheid. Pas nadat mijn vader is overleden, heb ik de deur naar dat verleden opnieuw opengezet.”

Het eerste doek dat refereert aan WO II schilderde Vanriet in 1986, tijdens een verblijf in New York. Het laat een opengevouwen accordeon zien, met als binnenwerk een vernietigingsfabriek. Een eerbetoon aan Jans oom, die helemaal uitgeteerd uit Dachau terugkeerde en niet lang daarna overleed. De oorlog wordt van dan af een terugkerend thema in Vanriets werk. Met onder andere een reeks portretten van Joodse mannen en vrouwen, jongens en meisjes die tijdens de oorlog vanuit de Dossinkazerne in Mechelen werden gedeporteerd.

Jan baseerde in 2014 op bovenstaande foto zijn schilderij ‘The Contract’.’ Beeld Jan Vanriet

Die schilderijen maakte hij omdat er toen te weinig gesproken werd over wat er met die mensen is gebeurd, legt hij uit. Want net als zijn ouders jaren eerder vindt Vanriet dat er veel te lang veel te weinig aandacht is geweest voor de wandaden van de collaborateurs, de slachtoffers die ze hebben gemaakt en de offers die het verzet heeft gebracht. “De zogenaamde intellectuelen van de Vlaamse beweging hebben het debat gekaapt en al die zaken weggemoffeld. Mijn moeder is geïnterviewd door de Oostenrijkse openbare omroep maar de VRT is nooit bij haar langs geweest. Natuurlijk is een reeks als De kinderen van het verzet een goede zaak. Maar het is jammer dat zoiets nu pas gemaakt kan worden. Nu de mensen die er het meest over hadden kunnen vertellen, er niet meer zijn.”

Haar inspanningen om het verhaal van het verzet naar buiten te brengen leverden Bertje de titel van Ridder in de Kroonorde op, de hoogste onderscheiding die je als burger kan krijgen. Beeld Bob Van Mol

Bertje Ureel (82): ‘Wij werden uitgelachen en gepest in het dorp’

‘We waren er helemaal klaar voor. Met elk een boeketje dahlia’s in de handen en tricolore lintjes in ons haar.’ Bertje Ureel (82), haar twee zussen en haar jongste broer staan op 8 september 1944 op de uitkijk, want de bevrijders komen eraan! Maar wanneer de colonne nadert, slaat de sfeer plots om.

De plaatselijke verzetslieden hebben die morgen van 8 september 1944 vanuit Londen bericht gekregen dat de Canadezen op komst zijn om Oostduinkerke, het dorp waar Bertje woont, te bevrijden. En daar wil de familie Ureel, als fervente Belgicisten, maar wat graag bij zijn.

Helaas blijkt al snel dat de naderende soldaten geen Canadezen zijn, maar wel Duitsers op de terugtocht. Wild om zich heen schietend komen ze dichterbij. “We probeerden nog te vluchten, maar we hadden geen kans”, vertelt Bertje. “Toen de soldaten steeds dichter kwamen, zijn we in de graskant gesprongen. Alleen mijn moeder bleef staan met mijn tweejarig broertje op de arm. Toen een van de soldaten tot op twintig meter naderde, hield ze mijn broer in een wanhoopspoging voor zich uit. Het werkte. De soldaat schoot niet en wij konden bij de melkboer naar binnen vluchten.”

Leopold Ureel, de vader van Bertje, en haar oudste broer Miel maken geen deel uit van het welkomstcomité. Zij zitten in het plaatselijke jongensschooltje, waar het verzet een aantal Duitse soldaten en een paar collaborateurs gevangen houdt in afwachting van de bevrijders. Een van die collaborateurs is Frederik Laplasse. Zijn moeder – Irma Laplasse – vertelt de Duitse troepen waar ze de leden van het verzet kunnen vinden en smeekt hen een patrouille naar het schooltje te sturen. Wanneer daar in plaats van de verwachte Canadezen een troep zwaarbewapende Duitsers opdaagt, ontstaat een hevig vuurgevecht. De leden van het verzet hebben amper wapens en moeten vluchten. Miel kan ontsnappen maar de 47-jarige Leopold is slecht te been en raakt niet ver. Samen met zeven andere verzetsstrijders wordt hij tegen de muur gezet en ter plekke gefusilleerd.

“Toen ons moeder ons een dag later kwam halen om naar het schooltje te gaan, naar vader, waren we ons van geen kwaad bewust”, herinnert Bertje zich. “Maar toen we daar aankwamen, lagen er acht lichamen, als mummies in witte lakens gewikkeld. Het is een beeld dat me nog steeds achtervolgt. Hoe graag ik het ook zou willen, ik raak het niet kwijt.”

Een opmerkelijke familiefoto. De vader van Bertje is tussen haar en haar tweelingzus ‘gefotoshopt’. Op het moment van de opname was Leopold Ureel immers al overleden. Beeld Bob Van Mol

Wanneer we haar vragen of ze weet waarom haar vader destijds bij het verzet ging, twijfelt Bertje geen moment. “Uit vaderlandsliefde. Daarom had hij ook meegevochten in ’14-’18.” Haar vader was een manusje-van-alles, vertelt Bertje. Ook in het verzet. “Dat ging van het helpen van Engelse parachutisten tot het stelen van voedselbonnen om mensen die ondergedoken zaten van eten te voorzien.”

Het verlies van hun vader is een ramp voor het gezin van Bertje, maar het ergste moet dan nog komen. “Van de ene op de andere dag leefden we in armoede. Na school ging ik samen met mijn jongste broertje en mijn tweelingzus van deur tot deur. Om te smeken achter een stutje.” Anders dan je zou verwachten, konden de vrouw en kinderen van een gesneuvelde verzetsstrijder maar op weinig sympathie rekenen in het dorp. “Integendeel”, zegt Bertje. “We werden uitgelachen en gepest. Toen ik op school in een opstel schreef dat de Duitsers samen met de zwarten mijn vader hadden vermoord, scheurde de juf mijn blad in stukken. Ook de huisbaas wilde ons plots niet meer in zijn woning. We moesten verhuizen naar een betonnen hok aan de overkant van de straat, dat vroeger als kippenhok had dienstgedaan. Veel collaborateurs zijn amper gestraft. Mijn juf van destijds bijvoorbeeld kon ondanks haar Duitse sympathieën na de oorlog gewoon blijven lesgeven. Met alle gevolgen van dien voor de kinderen van weerstanders die in haar klas zaten.”

Het duurde uiteindelijk jaren voor de moeder van Bertje steun kreeg van de Belgische staat. “Er werd een groot onderscheid gemaakt tussen politiek gevangenen en weerstanders. Die laatste categorie is altijd stiefmoederlijk behandeld. Ikzelf ben pas in 1963, bijna twintig jaar na de dood van mijn vader, officieel als oorlogswees erkend.”

Op dat moment heeft Bertje de ergste miserie al achter zich gelaten. Ze gaat studeren en kan als verpleegster aan de slag. “De mooiste dag van mijn leven”, vertelt ze. “Het voelde als een overwinning.” Ondertussen ijvert ze ook steeds fanatieker voor eerherstel voor de verzetsstrijders. “Want hun verhaal is veel te weinig gehoord. Het verzet was geen georganiseerde beweging, het waren gewone mensen die hun plicht deden. En bovendien hadden ze na de oorlog allemaal hun eigen miserie. Daardoor zijn ze eigenlijk nooit aan het woord gekomen.” En dus voert Bertje het woord voor hen. Ze pleit voor herdenkingsmonumenten, loopt honderden scholen af om haar verhaal te doen en gaat de strijd aan met iedereen die de collaboratie probeert te minimaliseren.

Die strijd komt in 1995 tot een hoogtepunt wanneer het proces van Irma Laplasse, de vrouw die Bertjes vader verklikte, herzien wordt na jarenlange druk vanuit Vlaams-nationalistische hoek. Laplasse is in 1945 terechtgesteld in de gevangenis van Brugge maar de Vlaams-nationalisten zien in haar een onschuldig slachtoffer en eisen postuum amnestie. Die komt er uiteindelijk niet. Ook het Militair Gerechtshof acht Laplasse schuldig. “Een gigantische opluchting”, zegt Bertje. “Want dat proces ging over veel meer dan enkel amnestie voor die ene persoon.”

Ondertussen staan de activiteiten van Bertje op een lager pitje. Al jeukt het soms nog wel om toch opnieuw de baan op te gaan. “Ik ben met zoveel schoolkinderen naar Breendonk en de Dossinkazerne getrokken. Niet alleen om de herinnering aan de slachtoffers levend te houden. Maar ook in een poging hen te doen beseffen hoe waardevol onze democratie is. Om hun duidelijk te maken dat ze die vrijheid moeten koesteren. Maar als ik de laatste verkiezingsuitslag zie, zijn een aantal onder hen dat blijkbaar vergeten.”

Kinderen van het verzet, vanaf 22/10 om 21u20 op Canvas en op VRT NU.

Kinderen van het verzet, Piet ­Boncquet, uitgeverij Polis, 256 p., 20 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234