Woensdag 17/07/2019

Gezondheid

‘Kennelijk vinden we het belangrijk dat alles drie weken houdbaar is. Nu pas wordt de keerzijde daarvan duidelijk’

We worden omringd door tienduizenden chemische stoffen, maar van een groot deel daarvan weten we – bizar genoeg – niet of en hoe schadelijk ze voor ons zijn. Met een centrale database en een onderzoeksproject rond de zogenaamde hormoonverstoorders probeert Europa daar wat aan te doen. Maar het blijft dweilen met de kraan open, zegt Majorie van Duursen, hoogleraar toxicologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. ‘Slagen we erin met veel moeite een stof te verbieden, dan komt de industrie met een even schadelijk alternatief.’

In ons land pleitte de Hoge Gezondheidsraad onlangs nog voor het zo veel mogelijk beperken van blootstelling aan chemische stoffen. Er zijn namelijk steeds meer aanwijzingen dat contact met bepaalde chemicaliën, vooral op jonge leeftijd, later zogeheten beschavingsziekten als diabetes, hart- en vaataandoeningen, kanker, dementie, problemen met de vruchtbaarheid en allergieën kan veroorzaken. In een reeks toch wel opmerkelijke adviezen raadde de Gezondheidsraad onder andere aan om het gebruik van nagellak, kleurspoelingen, parfum en andere cosmetische producten tot een minimum te beperken, kinderen niet met rubber of plastic speelgoed te laten spelen en – ook al hebt u net de liefde van uw leven gevonden – geen tatoeages te laten zetten. Voorts adviseerde de Raad om uit te kijken met het gebruik van insecticiden en luchtverfrissers, nieuwe kleding te wassen voor het eerste gebruik, geen voedsel op te warmen in plastic potjes of schaaltjes in de microgolfoven en geen pannen met een antikleeflaag te gebruiken. Zwangere vrouwen kregen het advies zover mogelijk weg te blijven van allerlei verven.

Vooral hormoonverstoorders liggen al langer onder vuur: het zijn chemische stoffen die – de naam geeft het al weg – de natuurlijke werking van onze hormonen in de war sturen. Aangezien hormonen bij heel veel processen in het lichaam betrokken zijn, kunnen deze stoffen ook veel schadelijke effecten hebben. En ze zitten in veel dingen waarmee we dagelijks in aanraking komen: plastic, kleding, computers, telefoons, tapijten, verf, poetsmiddelen, meubels, cosmetica, parfums, zalfjes en verzorgingsproducten als shampoo, tandpasta, bodylotions en gezichtscrèmes. Via pesticiden, dioxines (te vinden in onder meer uitlaatgassen, sigarettenrook en de rook die bij afvalverbranding vrijkomt) en zware metalen komen ze ook in onze voeding terecht. Bekende hormoonverstoorders als DDT, dioxines en pcb’s zijn ondertussen verboden of sterk aan banden gelegd, maar omdat ze zich via water, lucht en regen verspreiden, zitten ze nog overal in het milieu. De kans dat u vandaag al uw portie hormoonverstoorders hebt binnengekregen, is dus groot. Wat we inmiddels ook weten, is dat het risico op schadelijke effecten het grootst is bij ongeborenen en jonge kinderen, omdat bij hen de organen nog in volle ontwikkeling zijn.

Van Duursen is een van de wetenschappers die betrokken zijn bij een ambitieus Europees project om de risico’s van hormoonverstoorders beter in kaart te brengen en na te gaan of er een verband is met bepaalde ziektes. “Niet in aanraking komen met hormoonverstoorders is erg moeilijk. Probeer maar eens boodschappen te doen zonder iets mee te nemen waar die stoffen in zitten. Je karretje zal niet snel vol raken. (lacht) Het is iets wat in de hele maatschappij is geslopen. Kennelijk vinden we het belangrijk dat alles drie weken houdbaar is. Nu pas wordt de keerzijde daarvan duidelijk: dat al die plasticverpakkingen ook chemische stoffen afgeven die in je voedsel en dus in je lichaam terechtkomen.

“Hetzelfde geldt voor stoffen die ervoor zorgen dat cosmetica langer houdbaar blijven. In veel producten stopt men zo veel stoffen. Wat accepteren wij nog en welke chemische stoffen zijn nu echt noodzakelijk voor bepaalde producten? Het zou helpen als er vanuit de maatschappij een sterker geluid komt dat we minder blootstelling willen aan deze stoffen.”

U was vorig jaar betrokken bij een onderzoek van de Nederlandse Stichting Tegengif, waarbij veertien duurzaam levende personen op giftige stoffen in hun lichaam werden getest. Opmerkelijk: bij alle deelnemers troffen jullie 90 procent van de chemische stoffen in het bloed aan. Zelfs wie gezond probeert te leven, moet voor de bijl.

“Brandvertragende stoffen zitten ook in elektronica, en dus in de mobiele telefoon die je de hele dag in je hand hebt. Ze zitten in de vloerbedekking op kantoor. Maar het klopt: het was schrikbarend om te zien wat we allemaal konden meten bij die mensen.

“Dat wil overigens niet zeggen dat ze daar allemaal heel ziek van werden. Dat is het moeilijke: we kunnen steeds beter meten welke stoffen we in ons bloed hebben en we kunnen ook steeds méér stoffen meten, maar dat betekent niet altijd dat het ook schadelijk is. Het geeft wel aan dat we aan zeer veel stoffen worden blootgesteld.

“De effecten zijn vaak niet zo heel duidelijk. Je krijgt er geen extra arm of drie oren van. Het gaat om effecten op moeilijk grijpbare dingen als de vruchtbaarheid en het IQ. Dat maakt het lastig om aan te tonen en om erop te testen. Maar niet onmogelijk.”

Wat kunnen we doen om ons tegen al die chemische stoffen te beschermen?

“Het is altijd goed om je huis te verluchten. Als je kinderen hebt, ga je best regelmatig met de stofzuiger rond. Kinderen spelen graag dicht tegen de grond en krijgen zo veel binnen via stof. Regelmatig je handen wassen is ook een aanrader: uit studies blijkt dat je dan minder stoffen via hand-op-mondcontact binnenkrijgt. Probeer ook voeding in plastic of uit blik te vermijden. En kies voor biologische groenten en fruit: daar zitten minder pesticiden op.

“Het heeft dus zeker zin om erop te letten. Maar het is ook lastig, omdat de maatschappij zo niet is ingericht. Biologische groenten zijn nog altijd veel duurder, en niet-voorverpakt eten ook. Voor veel mensen is dat een afweging: kan ik het wel betalen? Dat lijkt me ook nog wel een debat waard.”

Wat onderzoekt u precies?

“Wij willen nagaan in welke mate blootstelling aan deze stoffen in de baarmoeder en tijdens de puberteit de vruchtbaarheid kan beïnvloeden, en dus de kansen van een vrouw om gezonde kinderen te krijgen. Dat is niet eenvoudig, omdat niet heel duidelijk is wat we nu precies moeten meten. Voor de mannelijke vruchtbaarheid is het veel duidelijker: daar kun je een verminderde kwaliteit van het sperma of de afname van het aantal spermacellen direct linken aan vruchtbaarheid. Voor vrouwen hebben we dat soort biomarkers niet. Daar wordt nu vooral gekeken naar hoelang het duurt voor een vrouw zwanger wordt of hoeveel eicellen ze heeft, maar dat zegt natuurlijk niets over de kwaliteit van de eicellen of de vruchtbaarheid.”

Wat weten we al over het effect van hormoonverstoorders?

“Die stoffen worden met ongeveer tachtig ziektes in verband gebracht, gaande van een verstoorde hersenontwikkeling, astma bij kinderen en obesitas tot specifieke ziektes als endometriose (de groei van op baarmoederslijmvlies gelijkend weefsel buiten de baarmoeder, red.). Het is heel breed.

“Hoe die stoffen precies op het hormonale systeem ingrijpen, weten we nog niet. Dat maakt de wetgeving voor dit soort stoffen heel ingewikkeld. De overheid wil alleen normen of een verbod opleggen als een bepaalde stof ook duidelijk aan een ziektebeeld kan worden gelinkt. Nu kunnen we bepaalde ziekten niet op hormoonverstorende effecten terugvoeren, omdat de testen die we hebben niet specifiek genoeg zijn of omdat die testen er gewoon niet zijn. Met dit Europese project hopen we die lacune enigszins op te vullen.”

Uw onderzoek is ook interessant omdat van hormoonverstoorders geweten is dat ze over de generaties heen werken. Als ze in het bloed van een zwangere vrouw zitten, heeft dat ook een effect op de eicellen die een vrouwelijke foetus in de baarmoeder al aan het aanmaken is, en dus op haar kleinkinderen.

“Inderdaad, uit proefdierstudies blijkt dat blootstelling aan hormoonverstoorders in de baarmoeder niet alleen effect heeft op de nakomelingen, maar ook op de achter- en achterachterkleinkinderen.”

Het is toch vreemd dat er massaal chemische stoffen worden gebruikt waarvan we eigenlijk niet goed weten hoe schadelijk ze voor ons zijn.

“Daar ben ik het helemaal mee eens. Neem bisfenol A, de wellicht bekendste hormoonverstoorder. Het heeft heel lang geduurd om voldoende bewijslast aan te voeren voor de schadelijke effecten ervan. Maar ondertussen is die stof wel op de markt, en is het heel lastig om ze er weer af te halen. En zo zijn er een heleboel stoffen: er is continu discussie over wat veilig is en over wat we niet moeten toelaten.”

Welke regels bestaan er nu? En zijn die wel streng genoeg?

“Chemische stoffen mogen niet op de markt komen als er een heel duidelijke aanwijzing is dat ze kankerverwekkend zijn of schadelijk voor de voortplanting. Daar wordt heel streng op toegekeken. Dat geldt ook voor steeds meer stoffen die hormoonverstorend zijn. Voor pesticiden en biociden is het al in de wetgeving opgenomen, maar nog niet voor industriële chemische stoffen.

“Sinds 2007 verplicht Europa fabrikanten om informatie aan te leveren over nieuwe chemische stoffen aan REACH, een door het Europees Chemisch Agentschap gesuperviseerd systeem voor de registratie, evaluatie en goedkeuring van alle chemische stoffen die in de Europese Unie worden geproduceerd of geïmporteerd. Maar vaak zijn de veiligheidsdossiers die door de fabrikanten worden ingediend niet compleet. Soms beweert men dat een stof veilig is, maar zijn de gegevens gebaseerd op zeer lage doses, waardoor de resultaten vertekend zijn.

“Voor REACH werd ingevoerd, waren er natuurlijk al tienduizenden chemische stoffen op de markt. Die zouden ook allemaal een veiligheidsbeoordeling moeten krijgen, maar dat is onbegonnen werk. Die berg chemische stoffen is zo groot, ze kunnen gewoon niet allemaal uitgebreid gecheckt worden. Er zullen dus keuzes gemaakt moeten worden.”

Het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu noemde de hoeveelheid chemische stoffen waarover informatie ontbreekt ‘erg verontrustend’.

“Dat is het ook. Als er geen data zijn over bepaalde stoffen, wil dat niet zeggen dat ze veilig zijn. Dat is de situatie waar we nu in zitten. De overheid, die de beoordeling moet uitvoeren, kan wel om meer informatie vragen, maar vaak levert de industrie die niet aan, of duurt het heel lang. En al die tijd mogen die producten gewoon gebruikt worden.”

Als een stof aan strenge wetgeving wordt onderworpen, vindt de chemische industrie bovendien wel een uitweg. In Frankrijk legde de overheid het gebruik van bisfenol A sterk aan banden, waarna de industrie die stof vrolijk door het zeer vergelijkbare bisfenol S verving.

“Dat is het frustrerende van de huidige wetgeving. Als je de schadelijke effecten van de ene stof met veel moeite achterhaald hebt, komt er een vervanger en mag je weer van voren af aan beginnen. Dan moet je weer zorgen dat je de juiste gegevens te pakken krijgt om die nieuwe stof weer aan banden te kunnen leggen. Zeker bij bisfenol S kun je je afvragen of het wel een goed alternatief is, omdat die stof qua chemische structuur sterk lijkt op bisfenol A en de beschikbare informatie lijkt aan te geven dat ze vergelijkbare effecten heeft.

“Met onder meer weekmakers (stoffen die voornamelijk gebruikt worden om plastic buigzamer te maken) en brandvertragers is het net hetzelfde verhaal. Voor elke stof die verboden werd, was er binnen de kortste keren een alternatief waar we veel minder van af weten. Het voelt weleens alsof je voortdurend achter de feiten aanloopt.”

Schort er dan niet wat aan het systeem?

“De Europese wetgeving was eigenlijk bedoeld om stoffen te beoordelen vóór ze op de markt worden gebracht. Maar zo is het nu in ieder geval niet geregeld. Fabrikanten zouden vroeger in het productieproces moeten nagaan of een nieuwe stof mogelijk schadelijk is. En dus niet, zoals nu, een chemische stof ontwikkelen en pas aan het eind van het proces bekijken wat voor effecten op de gezondheid ze heeft.”

De industrie verwijt de wetenschap vaak dat ze niet sluitend genoeg kan bewijzen dat een product gevaarlijk is.

“Het is heel makkelijk om gaten te schieten in wetenschappelijk onderzoek of testresultaten. Honderd procent zekerheid heb je bijna nooit in de wetenschap, dat mag je dus ook niet verwachten. Maar het zou al helpen om gerichter en beter te testen en een veiligheidsprofiel te hebben voor een stof massaal wordt geproduceerd en toegepast, en we ze al overal in mens en milieu terugvinden.

“De beoordeling moet dus omgedraaid worden: als je weet dat veel mensen ermee in aanraking komen, moet je op voorhand weten of een stof veilig is.”

Is men te lang lichtzinnig met schadelijke stoffen omgesprongen?

“Bisfenol A is zowat de meest onderzochte stof. Miljoenen aan onderzoeksgeld is daar ingestoken. Als je kijkt hoeveel moeite het heeft gekost om daar het stempel ‘hormoonverstorend’ op te krijgen, dan vraag ik me af of we die mate van bewijslast voor andere stoffen ook gaan halen. Ik vrees dat dat een utopie is.”

Volgens sommige wetenschappers doet de machtige chemische industrie er ook alles aan om twijfel te zaaien, zoals de tabaksindustrie dat ook jaren deed.

“De industrie vergroot onzekerheden of tegenstrijdigheden in de wetenschap vaak enorm uit, waardoor wetgevers geen beslissingen durven te nemen. Als de wetenschap het al niet eens is, waarom zouden we een stof dan verbieden? De industrie eist een heel hoge bewijslast, maar zelf levert ze daar niet de geschikte informatie voor aan. Daardoor duurt het makkelijk vijf à zeven jaar langer voor er maatregelen genomen worden. In dat opzicht heeft ze toch wel boter op het hoofd.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden