Woensdag 18/09/2019

Ken Saro-WiwaDe man die voor zijn volk en zijn ideeën stierf

“Iemand vroeg me”, zo schreef de Nigeriaanse journalist Chuks Iloegbunam een dag na de verhanging van zijn vriend Ken Saro-Wiwa in de Britse krant The Guardian, “wat de betekenis is van zijn dood. Het is eenvoudig. Niets is er veranderd. Zijn vrouw, zijn kinderen en zijn hoogbejaarde ouders blijven achter. Misschien was het zijn onvergeeflijke fout om te willen ingaan tegen diegenen die zichzelf alleen in übermenschen-termen zien, als lieden die geen tegenstand dulden. Maar altijd onderstreepte Saro-Wiwa dat zijn Ogonivolk vreedzaam voor zijn rechten zou opkomen.”Ken Saro-Wiwa wordt in 1941 geboren nabij Port Harcourt, de hoofdstad van Rivers State, waar hij opgroeit in een grote, polygame familie. Hij blijkt een briljant student en met de hulp van tal van beurzen studeert hij af aan de prestigieuze universiteit van Ibadan. Na enige tijd als leraar aan zijn eigen middelbare school in Umuahia wordt hij assistent-professor aan de universiteit van Lagos. Saro-Wiwa geloofde niet in afscheiding als remedie voor Nigeria’s malheuren, hij zocht die in zijn laatste levensjaren niet voor zijn Ogonivolk en schaarde zich tijdens de bijzonder tragische Biafra-oorlog (juli 1967-januari 1970) aan de kant van de federale overheid, die de strijd drie miljoen doden later won.

Voorliefde voor pijpen en whisky

Na de leraar Saro-Wiwa komt de politicus: hij werkt tijdens de oorlog als bestuurder van Bonny (Rivers State) en vervolgens als deelstaatminister voor Land, Transport, Onderwijs, Informatie en Binnenlandse Zaken. Zijn vrienden zeiden later plagend dat het in die jaren was dat hij een voorliefde voor pijpen en goede whisky kreeg. Saro-Wiwa verloor die baan omdat hij speciale rechten eiste voor zijn Ogonivolk. Na het stranden van zijn politieke carrière, gaat hij in zaken, gelovend dat het vergaren van een fortuin een noodzakelijke voorwaarde is om zich aan de Ogonistrijd te wijden. Die centen laten hem tevens toe zijn zoon naar het Britse Eton te sturen en zijn familie naar Surrey te laten verhuizen. In de jaren tachtig stort hij zich op het schrijven van artikels en boeken, en ook daarin is hij erg succesvol. Saro-Wiwa heeft meer dan twintig titels op zijn naam, van gedichtenbundels, toneelstukken, kinderboeken tot romans. En of het nu in kortverhalen dan wel krantencolumns is, hij klaagt zijn geboorteland aan als een natie ‘die kraakt onder de druk van het wanbestuur, de hebzucht der multinationals, de onwetendheid, het eigenbelang van de huurlingen. En ondertussen vecht het volk tegen de onverschilligheid en de repressie van de overheid, het gewoeker, de armoede, de ziektes, het bijgeloof en het etnische wantrouwen”, zo schrijft hij in A forest of Flowers. In 1990 neemt zijn leven een nieuwe wending met de oprichting van Mosop, Beweging voor het Overleven van de Ogoni. Voortaan zou de leraar-politicus-zakenman-schrijver fulltime activist zijn en strijden voor autonomie voor zijn gigantisch vervuilde regio. Tot eind 1992 geniet Saro-Wiwa met volle teugen van zijn activisme, waarmee hij bereikt dat de wereld kennisneemt van het droeve lot van zijn volk. Hij krijgt Greenpeace achter zich, de BBC bericht omstandig over de 500.000 Ogoni en hij krijgt zowel in Genève als in New York een forum van de VN. Oliegigant en vervuiler Shell weet zich intussen geen raad met de welbespraakte schrijver/activist die de slag om de wereldopinie lijkt te winnen. Daarna gaat het mis. “Er moet toen iets geknapt zijn”, zegt zijn vriend, de Britse schrijver William Boyd, later over die vreselijke dagen aan het einde van 1992, als Saro-Wiwa de tijding ontvangt dat zijn veertienjarige zoon in Eton bij een rugbywedstrijd dood is neergevallen. Ook de druk van de militaire dictatuur wordt steeds groter. Saro-Wiwa wordt in het voorjaar van 1993 gearresteerd op verdenking van ‘hoogverraad’. “De gevangenis zal voor Saro-Wiwa niet moeilijk zijn”, schreef de Britse zondagskrant The Observer in juli 1993. “Jarenlang had hij in de Engelstalige Nigeriaanse krant Vanguard immers een column, ‘The prisoners of Jebs’. In een van die stukjes legt een gedetineerde aan de gevangenisdirecteur uit wie Saro-Wiwa is. ‘Een gemeen, beklagenswaardig mannetje, zo klein dat je hem niet zou vinden in een kolonie soldantenmieren. Hij probeert een satirisch schrijver te worden.’ Wat doet zo’n schrijver dan, wilde de directeur weten. ‘Hij houdt de mensen een vervormende spiegel voor. Sommigen kijken erin en aanschouwen hun eigen reflectie, wat hen bang maakt.’ En dat is precies wat Saro-Wiwa de das heeft omgedaan. Over die gevangenschap schrijft Saro-Wiwa zijn laatste boek, Een maand en een dag, en hij corrigeert het manuscript tijdens zijn laatste detentie, die anderhalf jaar zou duren en eindigt met zijn dood door verhanging op 10 november 1995. Hij wordt met acht anderen schuldig bevonden aan de moord op vier Ogonileiders, onder wie zijn eigen schoonbroer. In deze periode mag hij geen bezoek ontvangen, hij wordt getreiterd en gemarteld door de militairen, zo blijkt uit zijn later opgedoken dagboek. Het moet hem zwaar zijn gevallen om het relaas van de eerdere detentie achter de tralies te redigeren. De toestand was zoveel grimmiger dan het jaar ervoor, het vooruitzicht veel slechter.

Doodsvonnis

In de tien maanden tussen de twee gevangenschappen was het conflict in Ogoniland uit de hand gelopen. Politie en leger maakten zich aan een serie van bloedbaden schuldig en woedende dorpelingen verzetten zich tegen de aanleg van nieuwe pijpleidingen. En waarom zou ze die tolereren. Hadden ze niet becijferd dat dertig jaar van olie-exploratie op hun territorium 30 miljard dollar genereerde, terwijl Ogoniland niet over stroom beschikte, noch over drinkbaar water. Van de 150.000 vaten die dagelijks werden opgepompt, waren alleen anderen beter geworden. De internationale gemeenschap mobiliseerde tegen het in oktober 1995 uitgesproken doodsvonnis, waarvan Saro-Wiwa volgens vriend Boyd wellicht dacht dat ‘het niet zou worden uitgevoerd aangezien hij zo beroemd was’. Bekende auteurs als Ben Okri schreven dat ‘als een natie de vervelende waarheid niet onder ogen ziet, ze erdoor wordt overweldigd’, maar Saro-Wiwa’s einde werd daar niet mee verhinderd. In het licht van het geweld dat de Nigerdelta de voorbije jaren heeft geteisterd, krijgen Okri’s woorden evenwel een haast profetische bijklank. (CV)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234