Donderdag 27/02/2020

Kunst

Keith Haring, popartkunstenaar: ‘Zijn werklust was groot, maar zijn seksuele energie was nog groter’

Dertig jaar na de dood van Keith Haring (1958-1990) presenteert Bozar een retrospectieve van zijn werk. We kijken voor de gelegenheid in de ziel van de laatste grote popartkunstenaar, samen met vrienden van weleer en kenners van vandaag. ‘Eerst kreeg hij aids, en toen werd hij verliefd op mij, een heterojongen met een kleurtje. Het was één grote tragedie.’

Toen Keith Haring op 16 februari 1990 stierf aan de gevolgen van aids, was hij de bekendste kunstenaar ter wereld. Zelfs mensen die nog nooit van hem hadden gehoord, kenden zijn werk. Zijn cartooneske figuren uit één lijn – de dansende mannetjes, de blaffende hond, de kruipende baby – waren in de jaren 80 viraal gegaan, terwijl het wereldwijde web nog moest worden uitgevonden. Haring was de onvermoeibare driftkikker van de kunst: hij kon sneller tekenen dan zijn schaduw. In nauwelijks tien jaar tijd had hij duizenden tekeningen en honderden schilderijen en muurschilderingen gemaakt. Eerst had hij New York van aanschijn veranderd door overal in downtown Manhattan en de East Village – in de metro, op de muren, in de clubs – zijn merktekens te zetten. Vervolgens had hij zijn werk in honderdduizendvoud gekloond op flyers, affiches, T-shirts, petjes, pins en andere gadgets, en er de hele wereld mee besmet.

“Zijn beelden zien er kinderlijk eenvoudig uit, maar ze zijn dat niet”, zegt Darren Pih, de curator van de expo in Bozar.

Pih: “Hij kwam uit de klas van Andy Warhol. Hij was beïnvloed door het kubisme van Fernand Léger, de art brut van Jean Dubuffet en de grafiek van Pierre Alechinsky. Maar net zo goed door de kunst van de straat, door de graffiti- en de skatecultuur en de vroege hiphop. En hij was niet vies van glamour. In de kunstwereld was hij beste maatjes met de rotgetalenteerde posterboy Jean-Michel Basquiat, en in het nachtleven liet hij zich graag opmerken aan de zijde van Grace Jones of de jonge Madonna.

“Voor mij verpersoonlijkte Keith Haring Amerika op zijn best. Energiek en optimistisch, open van geest en geëngageerd, want vergeet niet dat hij ook een politiek activist was. Voortdurend stelde hij zichzelf en zijn werk gratis ter beschikking van goede doelen. Als homo luidde hij de alarmbel over aids in een tijd dat veel van zijn lotgenoten nog wegkropen van ellende en schaamte. Hij was bezorgd over de Koude Oorlog en de nucleaire dreiging en hij streed mee tegen racisme en apartheid. Doordat de kunst waarin hij die thema’s verwerkte zo toegankelijk, helder en opgewekt was, werkte hij verbindend.

“Is hij vandaag nog relevant? Ik vind van wel. In deze tijd van ideologische spanningen en onzekerheid, nu mensen weer tegen elkaar worden opgezet, kunnen we een kunstenaar als Keith Haring goed gebruiken.”

In 1978 verkaste de toen 20-jarige Keith Haring vanuit het landelijke Kutztown, Pennsylvania naar New York om er aan de School of Visual Arts te gaan studeren. In datzelfde jaar kwam Dany Johnson hem voor het eerst tegen.

Johnson: “Ik was toen resident DJ in Club 57. We zaten in de kelder van de Poolse kerk aan St. Mark’s Place in Manhattan. We waren een social club: je moest lid worden om er binnen te kunnen. We deden er alles wat maar enigszins wild en artistiek was: thema-avonden, performances, tentoonstellingen, poëzielezingen, vertoningen van arty horrorfilms, you name it. En Keith was er altijd bij.”

Was hij een feestbeest?

Johnson: “Reken maar van yes. Keith béét in het leven. En ’s nachts was hij even druk als overdag. Hij hield van muziek en hij danste graag – hij was zoals de figuren in zijn tekeningen: altijd in beweging, beslist geen stijve hark. En hij was altijd opgewekt. Ik heb hem nooit slechtgehumeurd geweten, zelfs niet als hij daar een goede reden voor had. Hij was een keer overvallen op straat en ze hadden zijn walkman gepikt, een splinternieuw gadget in die tijd. Hij kwam terug naar de club en vertelde wat er was gebeurd. Heel kalm en gelijkmoedig, helemaal niet boos of zo. Keith was cool.”

Wat was zijn favoriete muziek?

Johnson: “Hij had een zeer eclectische smaak. Hij hield van de The B-52’s, van Devo, van de avant-funk van ESG, van de vroege rapmuziek… In New York beleefden we in die jaren de overgang van punk en postpunk naar meer clubby muziek. In Club 57 hielden we van een groovy sound, maar als dj kwam ik er met alles weg. En we gingen ook vaak naar de andere clubs in de buurt – naar de Mudd Club, de Pyramid en de Danceteria, of naar concerten in CBGB’s en Irving Plaza.”

Was hij bevriend met muzikanten?

Johnson: “Uiteraard, want nagenoeg al wie in Club 57 rondhing, zat in een band – van Andy Hernandez van Kid Creole & the Coconuts tot de gasten van Public Image Ltd. Keith was zowat de enige die geen muziek speelde. (lacht) Het was een kleine scene in die tijd. Iedereen kende iedereen. En het duurde niet lang of iedereen kende Keith.”

Had u een speciale band met hem?

Johnson: “In het begin, vóór hij beroemd werd, wel. Op het eerste gezicht was hij een verlegen jongetje, maar als je met hem in gesprek raakte, kwam je er snel achter hoe slim en gesofisticeerd hij was voor zijn leeftijd, en hoeveel hij over kunst en muziek wist. Club 57 was zijn eerste podium. Hij bracht er performances met poëzie en video, hij verdeelde er zijn flyers en zijn xerox art, en hij had er in 1981 zijn eerste tentoonstelling met tekeningen. Tegen die tijd was hij al all over the place. Iedereen kende hem van zijn subway drawings, de tekeningen die hij achterliet op niet-verhuurde reclamepanelen in metrostations en metrostellen.

“Zijn tentoonstelling in Club 57 is een dierbare herinnering. Het was een one night show, en tegen de ochtend had hij veel verkocht. Nadat ik de muziek had stilgelegd, liepen we langs zijn werk en zei hij: ‘Kies er maar iets uit.’ Dat heb ik gedaan. Een mooie tekening, met goudkleurige stift aangebracht op een lap zwarte plastic. Ik heb ze nog steeds. Ze heeft lang in mijn woonkamer gehangen, maar toen de prijzen voor zijn werk begonnen te stijgen, werd ik bang dat ze gestolen zou worden, dus nu zit ze veilig weggeborgen.”

‘Dat Keith zijn werk en zijn imago op goedkope spullen wilde verspreiden, paste helemaal in de filosofie van de popart van Andy Warhol.’ Foto: Andy Warhol en Keith Haring.

Club 57 werd in 1983 gesloten, maar ging de legende in als een tempel van seks, drugs, rock-’n-roll en kunst. Was dat werkelijk zo?

Johnson: “Helemaal niet. Toch niet naar de maatstaven van toen. De Mudd Club, dát was de anything goes-club, met een hoop coke erbovenop. Club 57 was veel rustiger. Wij dansten graag, we werden graag dronken en we consumeerden er af en toe een pannetje paddo’s bij. Keith had seksuele energie te over, dat wist iedereen, en dat kun je ook aflezen aan zijn werk. Hij was een mooie, gezonde, geile jongen, haha. Maar…”

…hij deed het niet in de club?

Johnson: “Club 57 was een kleine kelder. Er waren geen geheime kamers, zelfs geen donkere hoek waar je je kon terugtrekken om andere mensen te bepotelen zonder dat iedereen het had gezien. Ik ga niet beweren dat er nooit iets is gebeurd, maar Club 57 stond er niet voor bekend. Als we zin hadden in een wild feest met seks en drugs, gingen we naar de Mudd Club. (lacht)

Of naar de Paradise Garage?

Johnson: “Ja, maar dat was een homoclub. Daar ben ik nooit geweest. Ik ben zelf lesbisch, maar niemand van mijn homovrienden heeft me er ooit uitgenodigd. Keith ging er natuurlijk wel naartoe.”

Gil Vazquez was de laatste geliefde van Keith Haring. Hij was bij hem toen hij stierf. Sinds die dag houdt hij de nagedachtenis levendig als voorzitter van de Keith Haring Foundation.

Vazquez: “Ik werkte in een hippe T-shirtwinkel in Manhattan, niet ver van waar Keith zijn atelier had. Op een dag kwam hij de winkel binnen, op zoek naar een vriend die er ook werkte. Die was er niet, maar de volgende dag zei ik tegen hem: ‘Hey, Keith Haring was op zoek naar jou, ben je echt met hem bevriend?’ Ze bleken elkaar te kennen uit het nachtleven: ze gingen soms samen naar de Paradise Garage, de beruchte gayclub. Die vriend heeft toen een bezoek aan Keiths atelier geregeld voor mij. Vermoedelijk wilde hij mij imponeren, en dat is ook gelukt. (lacht)

“Ik wist wel ongeveer wie Keith Haring was: ik kende de subway drawings en de Pop Shop. Ik wist ook dat hij had samengewerkt met Run-DMC voor een Adidas-campagne. De mens achter de kunstenaar kende ik nog niet, maar dat zou niet lang meer duren. Het was 1988. Ik was 17.”

En Keith Haring werd prompt verliefd op u.

Vazquez: “Dat klopt, dat is een onderdeel van de tragedie die Keith Haring in die periode overkwam. Eerst kreeg hij te horen dat hij besmet was met hiv. En vervolgens werd hij verliefd op mij, een Porto Ricaanse jongen die hetero was en hem dus niet kon geven wat hij wilde. Het was een liefde die gedoemd was platonisch te blijven.”

Deed dat pijn?

Vazquez: “Of course. Al was ik me eerst van geen kwaad bewust. Toen ik hem ontmoette, had ik niet eens door dat hij gay was, zo naïef was ik. Over homo’s dacht ik in de bekende clichés: dat ze praatten als meisjes, zich parfumeerden en wufte gebaartjes maakten. Keith was helemaal niet zo.

“Gaandeweg ontwikkelde zich een hechte vriendschap tussen ons. We hadden een praatrelatie (lacht): hij praatte en ik luisterde. Hij was de mentor die zich over een mooie, onwetende jongen ontfermde. Later zei hij dat hij met me omging zoals hij nooit eerder met zijn vriendjes of zijn partners was omgegaan.

“In het begin was het voor mij niet makkelijk. In zijn omgeving bekeek iedereen mij met argusogen. Voor hen was ik een van de vele jongens met een kleurtje met wie Keith zich graag omringde. De hele tijd vroegen ze mij: ‘En? Hebben jullie een relatie?’ Als ik dan antwoordde: ‘Nee, het is niet wat je denkt’, geloofde niemand mij.”

Wilde hij u altijd in de buurt hebben?

Vazquez: “Ja, ook al had hij een uitgebreide entourage en een druk en wild leven. Keith kende iedereen die hot was, hij wist waar de beste feestjes waren, als hij ze al niet zelf gaf, en hij had altijd de beste wiet in huis. Ik was nieuw in dat milieu en ik rookte geen wiet, dus ik was meer een toeschouwer. Ik observeerde wat er gebeurde. En ik hield mijn mond.”

Ging hij nog veel uit toen hij al ziek was?

Vazquez: “Best wel. De vorm van kanker die zich bij hem ontwikkelde, heet KS (kaposi-sarcoom, kanker van de huidbloedvaten en de slijmvliezen, red.). Hij kreeg paarse vlekken op zijn huid, maar die verstopte hij onder een laag make-up. Het hield hem niet tegen om te werken en uit te gaan. Echt doodziek was hij alleen in de laatste weken van zijn leven.

“Hij was ongelooflijk sterk en vastberaden. Hij wist dat de klok tikte en hij probeerde nog zoveel mogelijk gedaan te krijgen. Daarom kwam zijn relatie met mij, die meer vriendschap was dan een relatie, op het juiste moment. Hoe minder tijd hij in zijn liefdesleven en zijn erotische leven stak, dat sowieso al problematisch was door zijn aidsbesmetting, hoe meer hij in zijn kunst kon investeren. En daar focuste hij volledig op: hij wilde absoluut in de kunstgeschiedenisboeken terechtkomen.”

‘Keith kende iedereen die hot was, hij wist waar de beste feestjes waren, als hij ze al niet zelf gaf, en hij had altijd de beste wiet in huis.’

“Keith Haring was een performance painter”, zegt curator Darren Pih. “Hij was in hoge mate een publieke kunstenaar. Onbeschaamd toonde hij wat er in hem omging.”

Pih: “Hij had er geen moeite mee om bekeken, gefotografeerd en gefilmd te worden terwijl hij aan het werk was. Dat kun je ijdel en hoogmoedig noemen, maar ik denk dat hij juist heel open, direct en authentiek was. Een magnetische persoonlijkheid, aimabel en genereus. Je moet de video’s van zijn performances eens bekijken. Daar gaat een onwaarschijnlijke energie van uit. Hij begint eraan en stopt niet meer, tot het af is. Zelfverzekerd, in één vloeiende lijn. Er is geen moment waarop hij staat na te denken of afstand neemt. Hij lijkt te schilderen op een beat. Alles kronkelt en beweegt. Het is visuele hiphop.”

U schrijft in de catalogus van de tentoonstelling dat Keith Haring naar de wereld keek door de ogen van een kind.

Pih: “Dat is volgens mij de sleutel om hem en zijn werk te begrijpen. Die kruipende baby is niet toevallig zijn grootste handelsmerk geworden. Hij absorbeerde de wereld als een spons, als een kind dat kijkt en leert. Puur en onschuldig, ongedwongen en onbevooroordeeld. Hij was openlijk gay, tegen racisme en tegen elke vorm van onderdrukking, omdat het de logica zelve is dat je moet kunnen zijn wie je bent. Wat hij leuk vond om te doen als kind, cartoons tekenen met zijn vader, blééf hij gewoon doen. (lacht) Alleen werden die cartoons steeds minder kinderachtig.”

Er zit toch ook een aardige portie doem en dood in zijn tekeningen en schilderijen?

Pih: “Ja, en toch bleef het een vrolijke boel. Hoe hij omging met technologie is een goed voorbeeld. Hij maakte het prille begin van het technotijdperk mee: de massacultuur, de opkomst van MTV, van robots en homecomputers. In zijn werk wemelt het van de tv-toestellen en de vliegende schotels. Hij was daar optimistisch over, hij zag de mogelijkheden die de technologie bood: meer verbinding tussen mensen, betere communicatie, een groter bereik voor zijn ideeën. Als kunstenaar werd hij trouwens populair door de massale verspreiding van zijn werk via alle mogelijke media. Maar tegelijk vreesde hij big brother: hij was bang dat de technologie ons zou controleren en een nieuwe vorm van onderdrukking zou worden. Zo keek hij ook naar het galopperende kapitalisme in de jaren 80. Het was de tijd van de reaganomics in de VS en Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk. Er werd nieuwe welvaart gecreëerd, de kunstmarkt raakte oververhit en de prijzen voor hedendaagse kunst rezen de pan uit. Haring profiteerde daar zelf van, maar hij had ook oog voor de keerzijde van de medaille: de hebzucht, de gulzigheid, het excessieve van dat tijdperk. Het kind met de grote ogen was behoorlijk visionair, als je het mij vraagt.”

Sprak hij zijn grote ambitie uit?

Vazquez: “Ja. Hij mat zich met de Picasso’s en de Matisses van deze wereld. Hij werd gedreven door de ambitie om een belangrijk kunstenaar te zijn en niet vergeten te worden.”

Had hij nooit een moment van twijfel?

Vazquez: “Hij had geen tijd om te twijfelen. Hij begon de dag altijd met een to-dolijst. Bij de Keith Haring Foundation hebben we duizenden van die lijstjes bewaard: ‘Moet die en die bellen. Dat schilderij afwerken voor die galerie. Muurschildering voor de stad. Afspreken met Madonna. Dineren met Jean-Michel Basquiat.’”

Hij maakte die to-dolijstjes niet alleen, hij bewaarde ze ook. Kennelijk wilde hij voortleven na zijn dood.

Vazquez: “Het illustreert hoe groot zijn verlangen was om een belangrijk kunstenaar te zijn. Hij bewaarde echt alles. Hij wilde bestudeerd en geciteerd worden. En hij wist dat de kans groot was dat dat zou gebeuren.”

Hebt u Jean-Michel Basquiat ontmoet?

Vazquez: “Nee. Ik was al in de buurt van Keith toen Jean-Michel stierf (aan een overdosis heroïne in 1988, red.), maar een ontmoeting was er nog niet van gekomen. Door het drugsprobleem van Jean zagen ze elkaar niet meer zo vaak.”

Was Keith Haring voorzichtiger met drugs?

Vazquez: “Hij gebruikte best veel, maar niet van die levensgevaarlijke hoeveelheden, en sowieso drugs van een ander type. Hij was een recreatieve gebruiker, om scherp en grappig te kunnen zijn, en om zich te ontspannen en te amuseren. Drugs maakten gewoon deel uit van de scene waarin hij zich bewoog en het leven dat hij leidde.”

Waarom krijgen we zo weinig van zijn uitgesproken erotische werk te zien op tentoonstellingen? Naar verluidt hing en stond zijn appartement vol afbeeldingen van stijve penissen.

Vazquez: “(lacht) Dat ligt niet aan de Keith Haring Foundation, het is de kunstwereld die dat werk buiten beeld houdt. Zeker in Amerika is die nogal puriteins. En ik vermoed ook dat dat deel van zijn oeuvre niet zo commercieel is. Kent u The Great White Way? Dat is een groot werk uit 1988, in de vorm van een penis in erectie. Drie meter hoog, prachtig! Maar zou u het in uw woonkamer hangen, gesteld dat uw plafond hoog genoeg is?

“Dat zijn erotische werk minder aan bod komt in tentoonstellingen van grote musea, begrijp ik eerlijk gezegd wel. Door de toegankelijkheid van zijn stijl, de directheid, het kleurgebruik en het kinderlijke geluk dat ervan afstraalt, spreekt Keith meer dan om het even welke andere kunstenaar tot de verbeelding van jongeren, en zelfs van kinderen. Die wil je echt niet confronteren met dingen als The Great White Way.

Benijdde Keith Haring andere kunstenaars?

Vazquez: “Hij was jaloers op Jean-Michel Basquiat, maar niet op een negatieve manier. Keith vond zijn werk heel mooi, hij was jaloers op de spontaniteit, het kleurgebruik, op wat hij allemaal kon. En misschien ook wel op het feit dat Jean losser in de omgang met Andy Warhol was dan hij. Met Jean had Andy een reeks grote schilderijen gemaakt, met Keith had hij niet samengewerkt. Ach, ze waren zo verschillend. Jean werkte met wel tien galeries, Keith met eentje. Jean wilde vermaard zijn als schilder, Keith wilde een populaire artiest zijn. Jean wilde verkopen aan de elite, Keith wilde iedereen bereiken. Jean-Michel Basquiat was een ster in de kunstwereld, Keith Haring was een ster in de wereld.”

“Sommige hoofdzonden zijn gewoon niet van toepassing op Keith Haring. Gramschap: hij vloog weleens uit, maar vijf minuten later zei hij al: ‘Sorry!’ Traagheid? Hij was hyperactief. En gierigheid? Hij was wellicht de vrijgevigste mens die ooit heeft bestaan. Genereus met zijn tijd, zijn kunst en zijn liefde. Er waren veel mensen die daar hun voordeel mee deden in zijn omgeving en in de kunstwereld. Mensen die hem gebruikten en van hem profiteerden.”

Was hij zich daarvan bewust?

Vazquez: “Natuurlijk, maar hij was too nice. Het was ook heel makkelijk voor hem om iemand een plezier te doen: een tekening was zo gemaakt.”

Was hij vrijgevig om te behagen, om geliefd en populair te zijn?

Vazquez: “Nee, daar had het niets mee te maken. Wel met welk soort mens hij wilde zijn. En hij hoopte dat anderen dat ook zouden zijn. Iedereen zou genereus moeten zijn, iedereen zou moeten geven wat hij kan. Het is oersimpel: als je meer hebt dan wat je nodig hebt, deel het dan.

“Daarom heeft hij op het einde van zijn leven de Keith Haring Foundation opgericht, met de uitgesproken missie om ten dienste van anderen te staan. We steunen projecten voor kinderen in benarde situaties, we willen aids uit de wereld helpen. Naast zijn kunst behoort ook zijn engagement en zijn generositeit tot zijn nalatenschap.”

Uitgerekend toen de kunstmarkt explodeerde, opende Keith Haring zijn Pop Shop, eerst in New York en daarna ook in Tokio, waar hij posters en T-shirts met zijn figuren aanbood voor een paar dollar. Waarom deed hij dat?

Pih: “In de eerste helft van de jaren 80 werd hij tentoongesteld in belangrijke galeries en verzameld door grote collectioneurs. Hij werd snel groot en had absoluut niet te klagen. Maar dat was voor hem net het probleem. Jonge mensen, zijn eigen vrienden, konden zich zijn werk niet meer veroorloven. En in New York begon men zijn subway drawings te stelen uit de metrostations. Dat was niet wat hij wilde. Hij wilde gezien worden. Hij wilde aanwezig zijn in het leven van gewone mensen. Met zijn Pop Shop blies hij het onderscheid tussen hoge en lage kunst, tussen dure en goedkope, helemaal op.”

Dat deed zijn geloofwaardigheid in de kunstwereld wellicht geen deugd?

Pih: “Neen. (lacht) Nog erger werd het toen hij begon rond te hangen met Madonna en Grace Jones, en met modedesigners als Vivienne Westwood en Malcolm McLaren. Toen fronsten sommigen in de kunstwereld echt de wenkbrauwen. Maar nogmaals: onderschat zijn activisme niet. Veel dingen deed hij gewoon gratis, om zoveel mogelijk mensen te kunnen bereiken. En er was de factor-Warhol: zijn werk en zijn imago op goedkope dragers klonen, dat paste helemaal in de DIY-filosofie van de popart.”

Daardoor is het prijsverschil tussen een belangrijk werk van Keith Haring en een schilderij van zijn goede vriend Jean-Michel Basquiat aanzienlijk. Een Basquiat is tien tot twintig keer duurder. Is dat correct?

Pih: “Ik ben er niet zo zeker van dat de prijzen een goede indicator zijn voor de kwaliteit en de relevantie van een artiest. Basquiat was een schilder pur sang. Hem kun je vrij makkelijk situeren in de geschiedenis en de traditie van de schilderkunst. Voor een deel verwijst zijn werk naar het neo-expressionisme van de jaren 80, voor een ander deel naar het abstracte expressionisme van een paar decennia eerder. Dat is ondertussen conventioneel en ‘veilig’, dus daar wordt veel geld voor betaald.

“Maar Keith Haring wilde niet enkel aanwezig zijn in de kluizen van de rijke kunstverzamelaars, hij wilde ook buiten dat beperkte circuit bestaan. En voorts mag je niet vergeten dat hij razendsnel werkte en een duizelingwekkend grote productie had. Naast de dingen die hij gratis maakte, gaf hij ook veel werk weg aan vrienden, kennissen en passanten. Gewoon omdat een tekening voor hem een minuutje werk was. En omdat hij a nice guy was.”

In de laatste jaren van zijn leven was Keith Haring een graag geziene gast in België. Hij heeft tentoongesteld in Antwerpen en een muurschildering in het M HKA gemaakt, die nog steeds te zien is in het M HKAFE. Maar het liefst was hij in Knokke: daar kon hij terecht bij Roger en Monique Nellens, telgen van een vermogende familie. In hun tuin stond de Dragon van kunstenares Niki de Saint Phalle en haar ex-man Jean Tinguely, een tuinhuis in de vorm van een draak. Haring verbleef er, ontving er gasten, tekende onafgebroken en bracht decoraties en muurschilderingen aan in de buik van de draak. In het casino van Knokke, eigendom van de familie Nellens, maakte hij een van zijn grootste en beste muurschilderingen.

Vazquez: “De Europeanen hielden toen meer van zijn kunst dan de Amerikanen. Jullie gaven hem al een plaats in de kunstgeschiedenis, waar hij thuishoorde. Met name in België was hij erg geliefd. En dus gaf Keith liefde terug.”

Wie ook werd uitgenodigd in Knokke, was de piepjonge Gentse skater David Neirings. In de dagboeken van Haring, bij Penguin verschenen als Keith Haring Journals, wordt hij twee keer vermeld als ‘my biggest fan’. David Neirings is nu zelf kunstenaar.

Neirings: “Toen ik dertien was, in 1985, schreef ik een brief naar Keith Haring. Typische fanmail, één en al beate bewondering, met een paar tekeningetjes van mezelf erbij. Tot mijn grote verbazing kreeg ik een brief terug. Dat was het begin van een correspondentie die we tot kort voor zijn dood onderhouden hebben. In elke brief nodigde hij me uit om naar New York te komen, dan zou hij me voorstellen aan zijn vrienden – aan Andy Warhol, Jean-Michel Basquiat en al de graffiti-artiesten die hij kende. Maar ik was te jong, ik mocht niet van mijn moeder.

“Toen Warhol stierf, schreef ik hem hoe triest ik mij voelde. Keith heeft een kopie van die brief verwerkt in een bekend schilderij, ik geloof dat het in een Belgische verzameling zit. In 1989 kreeg ik van mijn moeder eindelijk de toelating om naar New York te gaan, samen met een vriend. Toen was ik al 17. Het was fantastisch. Ik herinner mij dat ik zijn loft binnenkwam en dat ik een van mijn eigen tekeningen tegen een muur zag hangen, tussen een tekening en een schilderij van Picasso in. Ik heb er een foto van gemaakt, maar die ben ik kwijtgeraakt. Andy Warhol en Basquiat waren al dood, maar Keith heeft me aan een heleboel andere mensen voorgesteld, onder wie Dennis Hopper. We zijn ook samen gaan dineren. Ik wist dat Keith ziek was, maar zelf zweeg hij daar in alle talen over.

“Als hij in Knokke was, werd ik altijd uitgenodigd. Vanzelfsprekend was hij daar graag, want hij werd er goed gesoigneerd. En hij was even weg uit het superdrukke New York, en in die tuin en in dat fantastische kunstwerk van Niki de Saint Phalle kon hij zijn gejaagde levensstijl wat dimmen. Luxe, rust en zee, wat wil je nog meer? Maar er hingen in Knokke ook een hoop fakers en aasgieren om hem heen, hoor. Mannen die liepen te kwijlen voor een tekening van hem, vrouwen die je de ene dag met een handtas van Hermès zag, maar die op de opening in een sjofel trainingspak verschenen, om krampachtig de indruk te wekken dat ze ook van de straat waren. Vreselijk. Maar Keith trok het zich allemaal niet aan. Hij bleef onder alle omstandigheden cool.

“Hij heeft mij bedolven onder de cadeaus. Ik had een redelijk uitgebreide collectie van zijn werk: een exemplaar van álle flyers die hij ooit heeft gemaakt, zeker zestig unieke T-shirts, originele prints, originele tekeningen en het enige skateboard dat hij ooit heeft beschilderd. Maar alles is gestolen – door een bende Marokkaanse smack junkies, heb ik achteraf vernomen. In opdracht of omdat iemand hun had verteld wat het waard was? Dat weet ik niet. (stilte) Tja, dat is de keerzijde van zijn genialiteit, zijn productiviteit en zijn populariteit: er is een grote markt voor oplichters, namakers en dieven. Ik troost me met de gedachte dat ik het belangrijkste nog heb: mijn herinneringen en mijn correspondentie met hem. Dat pakken ze me niet af.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234