Maandag 21/06/2021

EssayDe slag om de Bevrijding

Katrin Swartenbroux kijkt uit naar de vrije zomer: ‘Ik wil naar de toiletten wankelen en een tampon lenen van een onbekende’

Joël De Ceulaer en Katrin Swartenbroux verschillen sterk van mening over de nakende versoepelingen.  Beeld © Stefaan Temmerman
Joël De Ceulaer en Katrin Swartenbroux verschillen sterk van mening over de nakende versoepelingen.Beeld © Stefaan Temmerman

‘Hoera!’ Of toch eerder ‘Help’? Voor Joël De Ceulaer gaat het veel te snel met die versoepelingen, voor Katrin Swartenbroux kan het Rijk der Vrijheid niet vlug genoeg verder open gaan. Hij sluit zich thuis nog even op, zij schuimt met een pint en een Bickyburger de terrassen af. Hier leest u hoe Katrin Swartenbroux uitkijkt naar de komende zomermaanden. Wat Joël De Ceulaer over het Rijk der Vrijheid denkt leest u hier.

Het Rijk der Vrijheid wordt niet begrensd door wat mag, maar door wat mogelijk, menselijk en een tikje morsig is, schrijft Katrin Swartenbroux. Een ode aan de ­onbehoorlijkheid en een leven waarin je niet (meer) met twee woorden hoeft te ­spreken.

Niet om op te scheppen, maar het eerste woord dat uit mijn mond kwam was niet ‘mama’ of ‘dada’, maar ‘uit’.

“Uit!” riep ik, terwijl mijn kleverige knuistjes door de spijlen van mijn bedje graaiden. “Uit!” terwijl ik mijn hoofd afkeerde van een omhelzing en daarbij snot aan mijn moeders wang smeerde. “Uit!” wanneer mijn bord leeg was, mijn badboek doorbladerd, mijn pamper vol. Niet bijster welbespraakt, maar wel een spoiler.

Dertig jaar later vormt die ene lettergreep de fundering van mijn wankel bestaan. Ik ben gulzig, slordig, onhandig, egocentrisch en vrijgevochten en dat zijn dan nog mijn goede eigenschappen. Ik woon in de stad waar mijn wensen ongeacht het uur meteen vervuld kunnen worden. Ik ben niet getrouwd, bezit geen vastgoed en heb mezelf nog niet voortgeplant. Ik wil à la minute het roer kunnen omgooien als ik dat zou willen. Ik hoef dus niet te schrijven hoe ik de afgelopen veertien maanden ervaren heb. Vertwijfeld hang ik aan een twijg van de metaforische vijgenboom en vraag me af of ik mezelf naar een andere tak moet slingeren. De bladeren van leeftijdsgenoten die wél kozen voor een gezin of een huis met tuin ogen soms smakelijk groen.

Ik kon proeven van mijn alternatieve realiteit via het videospel The Sims, dat al twintig jaar bestaat, maar in 2020 een stijging van net geen 40 procent kon optekenen. Millennials die met de game waren opgegroeid grepen ernaar terug in een vlaag van nostalgie en escapisme. Ze creëerden er hun droomwoning, of fingeerden hun eigen huiskamer om er te dansen met de virtuele versie van hun echte vrienden die ze tot op het kleinste sproetje hebben nagebouwd. De knullige figuurtjes vormen avatars voor onze ingewikkelde gevoelswereld. Ik ben de Sim die met het hoofd tegen de muur blijft knallen tot ie spontaan in brand vliegt. Ik ben de Sim die wanhopig watertrappelt en met de armen zwaait in het zwembad waarvan het trapje weggehaald is. “Uit!”

Het spel suste mijn angsten. Dit is niet het echte leven, jongens! Dit is slechts een simulatie, een situatie die zo ongewoon is dat we tijdelijk zijn getransformeerd naar de versie van onszelf die het best in staat is om dit te overleven. Choose your fighter, ik ben de huismus die plots over zes yogaleggings beschikt.

Impulsief drankje

Ik weet het. Ik mag mezelf gelukkig prijzen dat ik deze pandemie beleef in dit hoogtechnologische tijdperk. Ik kan mezelf vermaken, ik kan mijn job blijven uitoefenen vanuit het comfort van mijn slaapkamer en ik kan op verschillende manieren contact onderhouden met geliefden. De uitslag van mijn covidtest zit in mijn corona-app, die van mijn schoonzus’ zwangerschapstest in een Instagrampost. In mijn mailbox een persbericht: de Amerikaanse designstudio Production Club heeft een beschermend pak ontworpen “voor de discotheek van morgen”. De Micrashell lijkt nog het meest op een afgelaten luchtmatras, maar is wel voorzien van een verzegeld systeem waardoor feestvierders kunnen vapen en drinken. Het pak wordt omschreven als de toekomst van het clubben. Lieve deugd. Uit!

Ik weet ook niet hoe de toekomst van het clubben eruitziet, maar ik weet wel dat ik geen voet in een club zet zolang ik mezelf daarvoor als een muf lunchpakket in plastic moet hullen. Zelfs als ik daarvoor moet wachten tot Dit Hele Ding (het weidse armgebaar moet u er zelf maar bij denken) voorbij is. Het is niet dat ik er niet naar verlang en eigenlijk ook niet omdat ik me anders niet veilig zou voelen. Het is omdat ik me echt niet vrij zou voelen.

Dat klinkt verwend, maar dansen is het tegenovergestelde van in de pas lopen. Ik wil mijn hartslag voelen versmelten met die van de massa zonder dat ik op mijn Fitbit moet kijken hoe het zit met het CO2-gehalte. Ik wil naar de toiletten wankelen en een snoepje aannemen van de toiletdame, een tampon lenen van een onbekende en achteraf mijn handen wassen uit gewoonte, niet uit geïnternaliseerde germafobie.

Op dit moment wordt het zogenaamde Rijk der Vrijheid opgetrokken uit de bouwstenen van dat wat men weet. De Belg gaat al eens graag naar zee, drinkt weleens een pintje en wil in het weekend ‘gaan gaan eten’ of naar de bioscoop. In een netjes vormgegeven kalender wordt aangekondigd wanneer die dingen (misschien) weer mogen, maar alles wat ik mis lijkt te ontbreken. Ik neem het onze ministers niet kwalijk. Je kunt geen rekening houden met het onberekenbare, alle ‘nog eentjes’ optellen en in een maatregel vastleggen hoeveel er uiteindelijk écht geentje zijn. Het onvoorspelbare valt niet te voorspellen. De emotionele high five. Dat impulsieve drankje na het werk. Het blijven plakken. Alle ‘awel ja’’s die buiten de lijntjes kleuren.

‘Ik wil naar de toiletten wankelen en een snoepje aannemen van de toiletdame, een tampon lenen van een onbekende.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Ik wil naar de toiletten wankelen en een snoepje aannemen van de toiletdame, een tampon lenen van een onbekende.’Beeld © Stefaan Temmerman

Cafés kunnen open, maar behelzen de voorwaarden ook dat je in een drukke bar meer dan oogcontact mag maken? Mag ik mijn neefje zijn tranen drogen, mag mijn grootvader de kaarsjes op zijn taart uitblazen, is het oké als ik snel de champagne van mijn handen lik voordat ik mijn vrienden hun glazen geef? Aan de overkant van het Kanaal verschijnen artikels over hoe je het best seks kan hebben. ‘Niet kussen’, schrijven ze. ‘De rest kan.’ Wat is, volgens de auteur van het artikel, ‘de rest’? Kan daar een listicle van gemaakt worden? Ons dagelijks, groezelig leven is zodanig aan banden gelegd dat we, net zoals Sims, voor elke actie een commando, een vrijgeleide of een code nodig zullen hebben – zeker de eerste maanden. Misschien daarom dat het fameuze Freedom Fort voor mij eerder een huisje van speelkaarten lijkt. Hygiënisch gelamineerd en hermetisch gelimiteerd. Hilarisch wankel ook.

Potemkin-pils

Ik wil niet ondankbaar lijken. Binnen een bubbel van vier mag ik mijn stamkroeg bezoeken, over een maand mag ik gaan bowlen en men spreekt zelfs van festivals. Toen de terrassen vorig weekend weer openden, pronkten heel wat politici grijnzend met een glas gerstenat. Jubelt ende juicht, er is licht aan het einde van de tunnel, en het ziet ernaar uit dat het geen aanstormende trein is! En toch. Het is Potemkin-pils. Remember de Potemkin-dorpen, die hadden alleen maar een façade, om de schijn op te houden. En nu hetzelfde met dit bier: een schijnschuimkraag. Schoon van ver maar ver van schoon, zoals ze in mijn thuisstad zeggen.

Wanneer ik aan een pintje denk, denk ik onvermijdelijk ook aan het potje pisnootjes dat erbij geserveerd wordt, aan het gedachteloos graaien in andermans germs. Aan mensen die spontaan stoelen bijtrekken aan je kleverige tafeltje dat bezaaid is met gescheurde bierkaartjes. Echte vrijheid wordt voor mij niet begrensd door dat wat mag, maar door dat wat mogelijk, menselijk en een tikje morsig is.

Vroeger bood mijn jeansvest afdoende bescherming voor de fluimen op de grond van de parkings die in mijn stad als parken fungeren, vandaag open ik de deur van het toilet bij mijn beste vriend met een Dettol-doekje en schudden we chips in plastic bekers in plaats van samen in dezelfde zak te grabbelen. Er kan weer meer, dat klopt, ik wil niet klagen, maar het voelt allemaal zo... Steriel. Gepland. Zo intriest ingetogen. Wegwerp, maar tegelijkertijd hardnekkig permanent. Ontzettend netjes en beleefd ook. Met twee woorden spreken, dat heeft het virus graag. Ik krijg het er benauwd van.

Als-dan, als-dan, als-dan, als-dan klopt mijn hart in mijn keel.

De kranten gonzen van een voorwaardelijke toekomst, maar ik verlang naar mijn onvoltooid verleden. Naar de kleine kelderfeestjes, de optredens zonder nadarhekken, de spontane uitbarstingen en het cultureel erfgoed dat karaoke heet. Het meebrullen van de songs die je leven gered hebben zonder je zorgen te maken hoeveel dodelijke druppels je daarbij verspreidt. Het collectief kolken en zweterige T-shirts tegen je wang, ­onenightstands en vreemden die je haar achteroverhouden terwijl je je tussen twee auto’s vooroverbuigt. Uitbundige ruzies waarbij je elkaar verwijten in het gezicht spuwt en zuinige zondagen waarop je van dezelfde fles drinkt en elkaars haarelastiekjes leent om de plakkerige lokken uit je gezicht te vegen. Kun je uitkijken naar avonden die al voorbij zijn, mensen missen die je nog niet hebt ontmoet?

Ik ben bang dat we het verleerd zijn na al die tijd. Ik ben bang dat de aangekondigde vrijheid een teleurstelling wordt omdat we onszelf het voorbije jaar noodgedwongen in een mal hebben gegoten waarin we ondanks de versoepelingen versteend zijn. Ik kijk uit naar de eerste vreemde die ongevraagd zijn hoofd tussen mijn benen steekt om mij op zijn schouders te nemen “zodat ik beter kan zien”, tegelijkertijd vrees ik dat ik in shock zijn nek in twee zal breken met mijn imposante dijen. Ik heb nogal veel pilates gedaan in lockdown.

Rouwrandjes

Toegegeven, het voelt bekrompen om behoudsgezindheid te prediken in een pandemie die zoveel structurele problemen en noodzakelijke maatschappelijke veranderingen heeft blootgelegd. Ik hoop echter dat wanneer die grote schoonmaak gehouden wordt, de grove borstel niet grondiger zal zijn dan nodig. Dat de onschuldige schebbigheid behouden mag blijven. De rouw­randjes onder de vingernagels. De vijfsecondenregel, de uit-het-vuistje en het mak-is-proeven.

Ik besef dat onze collectieve vrijheid – die om vrij te zijn van ziekte – niet ondergeschikt is aan mijn eigen vrijheid – die om te doen, te laten en te likken wat ik wil. Want voor de goede orde: ik bén vrij. Natuurlijk ben ik vrij. Ik mag met mijn lief hand in hand over straat lopen en ik word daarvoor niet in elkaar gemept. Ik mag mijn job uitoefenen met een Judas Priest-pet op mijn hoofd, zolang ik niet zeg dat die band mijn religie is. Ik mag kandidaat-burgemeesters op Twitter uitdagen voor een streetrace langs de Schelde en mijn account wordt niet geschorst.

Wanneer ik ’s avonds laat spontaan beslis om nog even in mijn donkere hoodie naar de nachtwinkel te rennen, brengt die opwelling mij niet in het vizier van de politie. Ik heb vrienden die me eraan herinneren hoe geprivilegieerd ik ben en ik heb een opleiding genoten die ervoor zorgt dat ik het woord ook daadwerkelijk kan uitspreken. Ik ben zo vrij als een mens vandaag vrij kan zijn.

Maar het is niet omdat je iets begrijpt dat je er niet tegenaan kan knallen. Volgens mijn middelbareschooldiploma heb ik de basisbeginselen van fysica ook verwerkt, toch tart ik nog wekelijks de zwaartekracht door van de trap te vallen.

Ach. Allicht verlang ik naar zorgeloosheid omdat ik me nooit écht zorgen heb moeten maken. Verheerlijk ik roekeloosheid omdat ik nooit écht in gevaar ben. En omdat het beter klinkt dan gewoon klungelig zijn.

Mensenlief wat mis ik klungelen. Fouten maken en de enige te zijn die daar de gevolgen van draagt in de vorm van katers en gestolen fietsen, gebroken harten en gebroken botten of gewoonweg heel wat hoongelach. Op 24 februari 2020 blunderde fastfoodketen Kentucky Fried Chicken zich een weg naar mijn hart. Aan de vooravond van de grootste sanitaire crisis van het voorbije decennium lanceerde het kippenkraam met kapsones een nieuwe campagne.

De bijbehorende reclamespot was een anderhalve minuut durende montage van mensen die genieten van chicken wings en daarbij gelukzalig hun vingers in hun mond laten verdwijnen om er de barbecuesaus van af te zuigen. En dan die roodwitte letters. ‘Fingerlicking good.’ Natuurlijk trok het bedrijf een paar weken later al aan de alarmbel. Hun billboards werden overplakt met de zin ‘That thing we always say? Ignore it. For now.’

Ik kan het negeren, maar ik wil het niet vergeten. Die spot behelsde voor mij veel meer een Rijk der Vrijheid dan eender welke campagne onze overheid nog kan opzetten. Het is die gulzigheid die mij gaande houdt. Sausvlekken en blauwe plekken die getuige zijn van gestolen momenten, impulsieve beslissingen en oepsies. Een vrijgeleide om loemp te zijn. Een leven om duimen en vingers bij af te likken.

Uit.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234