Dinsdag 11/08/2020

Kan zelfgemaakt griepvirus levens redden?

Viroloog Ron Fouchier zette vorig jaar de wetenschappelijke wereld op zijn kop met een controversiële studie waarin hij een H5N1-vogelgriepvirus kweekte dat zich via de lucht kan verspreiden. Nu kondigt hij samen met een twintigtal collega's aan dat hij hetzelfde wil doen met het nieuwe virus H7N9. Levensgevaarlijk of levensnoodzakelijk? Tim Vernimmen

Seizoensgriep mag dan onschuldig lijken, toch maakt ze elk jaar weer dodelijke slachtoffers. Het kan echter nog veel erger. Zo maakte de Spaanse griep in 1918, vlak na de Eerste Wereldoorlog, meer dan 50 miljoen dodelijke slachtoffers - bijna drie keer zoveel als de oorlog zelf. In 1997 leek het heel even opnieuw zover: in Zuidoost-Azië dook toen een uitzonderlijk dodelijk griepvirus op, H5N1, dat massale sterfte veroorzaakte onder besmette vogels en het leven kostte aan een derde tot de helft van de gehospitaliseerde patiënten. Gelukkig bleken de infecties zich te beperken tot mensen die zelf nauw contact hadden gehad met vogels of besmette patiënten: blijkbaar slaagde het virus er niet in zich via de lucht te verspreiden, wat vermoedelijk noodzakelijk is om een pandemie te veroorzaken.

Sommige wetenschappers waren van oordeel dat het virus dat nooit zou leren, anderen waren daar niet zo zeker van. Eén van hen was Ron Fouchier. Jarenlang probeerde hij in zijn streng beveiligde laboratorium in Rotterdam een H5N1-virus te kweken dat zich gewoon via de lucht verspreidt. Dat probeerde hij door met genetische technieken enkele gerichte veranderingen aan te brengen waarvan hij vermoedde dat ze verspreiding zouden bevorderen, waarna hij het virus enkele keren met de hand overbracht zodat het zich verder kon aanpassen.

Eind vorig jaar was het prijs: een met een vogelgriepvirus geïnfecteerde fret besmette op eigen houtje enkele soortgenoten. Het enige contact tussen de dieren was de lucht die ze inademden. De ontdekking leidde tot heel wat opschudding: The New York Times sprak van een 'doomsday virus' en de Amerikaanse National Science Advisory Board for Biosecurity oordeelde aanvankelijk dat het beter was de resultaten niet te publiceren, om bioterroristen niet op ideeën te brengen.

Reëel gevaar

Fouchier was het daar niet mee eens: "Zij spreken over hypothetische risico's", betoogde hij, "maar mijn data tonen een uiterst reëel gevaar. Alle vijf de cruciale genetische veranderingen die we hebben gevonden, zijn al in de natuur aangetroffen, sommige zelfs per twee. Nu wéten we tenminste voor welke veranderingen we op onze hoede moeten zijn, en kunnen we dus veel gerichter naar gevaarlijke virussen zoeken - en besmette vogels zo snel mogelijk elimineren."

Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Wilde vogels vangen en testen gebeurt sporadisch in het kader van wetenschappelijk onderzoek, maar niet op een schaal die ons inzicht verschaft in de algemene stand van zaken. Dat lijkt niet meteen haalbaar of zelfs nuttig. Ook de miljoenen kippen en eenden die overal op het Aziatische platteland rondscharrelen, ontsnappen grotendeels aan controle. Maar de markten waarop ze te koop worden aangeboden, en waar de virussen vermoedelijk hun menselijke gastheer vinden, worden wel nauwgezet in de gaten gehouden.

Vandaag is dat belangrijker dan ooit, want in tegenstelling tot H5N1 blijkt het nieuwe H7N9-virus, dat al tientallen menselijke slachtoffers maakte, het alomtegenwoordige pluimvee nauwelijks te deren. En dus moeten wetenschappers de boer op. Arnaud Tarantola, hoofd van het departement Epidemiologie & Volksgezondheid van het Pasteurinstituut in Phnom Penh, vergezelt voor de gelegenheid enkele van zijn vaste medewerkers naar één van de talrijke drukbezochte vogelmarkten die de stad rijk is. Wanneer hij een eenvoudig stoffen mondmasker krijgt aangereikt schudt hij het hoofd. "Dat helpt om anderen niet te besmetten als je zelf ziek bent, maar tegen het vuil op de markt zal het vrees ik niet veel helpen."

In een smalle halfopen stal naast het gebouw waar alle andere goederen worden uitgestald, liggen in een wolk van donsveren en vergruisde uitwerpselen stapels aan elkaar gebonden eenden en kippen geduldig op een koper te wachten - het spreekt voor zich dat die er niet allemaal even gezond uitzien. De verkopers, meestal vrouwen, dragen ook geen masker, op de jongste na. Die neemt deel aan een onderzoek van het instituut, dat op de markt niet alleen stalen neemt van vogeluitwerpselen, maar ook bloedstalen van de mensen die er werken. Aan de achterkant van de stal is een afgeschermde ruimte waar hevig zwetende jonge mannen de ene na de andere kip levend in kokend water deponeren en met een houten stok even in het rond roeren, waarna ze in enkele handige bewegingen gepluimd en van hun ingewanden ontdaan worden. Dat is illegaal, vertelt Tarantola: waar levende vogels verkocht worden mogen er geen geslacht worden, en omgekeerd, om besmetting te vermijden.

Hygiëne

"Op de markt vind je gevogelte uit de hele regio", vertelt medewerker Ly Sowath, die de markt geregeld bezoekt. "Voor Cambodjanen op het platteland is een kip een beetje als een bankrekening. Wie geld wil afhalen, verkoopt enkele van zijn kippen." "Die concentratie van dieren is zorgwekkend, uiteraard", vult Tarantola aan, "omdat de vogels elkaar hier kunnen besmetten. Maar voor ons is het ook handig, want zo krijgen we een overzicht van de situatie zonder zelf alle afgelegen kippenkwekerijen te moeten bezoeken." Helemaal leeg is de markt echter nooit. Sommige dieren blijven 's nachts, andere gaan levend weer mee naar huis, wat uiteraard nog erger is.

Tarantola is niet onder de indruk van het werk van Fouchier. "Met alle respect, maar die genetische wijzigingen zijn geloof ik maar een detail in een heel spectrum van relevante factoren", verklaart hij. "Hebben de mensen genoeg te eten? Kunnen ze naar de dokter indien nodig? Verplaatsen ze zich over grote afstanden? Leven ze in min of meer hygiënische omstandigheden? Allemaal van veel groter belang dan een afwijkende sequentie in welk gen dan ook." "Bovendien", voegt hij eraan toe, "zie ik niet in wat mensen als ik, die op het terrein actief zijn, hieruit kunnen leren. Als clinicus heb ik nood aan informatie die ik direct in actie kan omzetten. Wanneer een mens ziek wordt na besmetting met een vogelgriepvirus, dan zal ik altijd al het mogelijke doen, onafhankelijk van het feit over welke versies van bepaalde genen het virus beschikt. Gaan we voortaan misschien minder voorzichtig zijn met virussen zonder deze kenmerken? Nee toch?"

Besmettelijke patiënt

Peter Horby, epidemioloog en voormalig directeur van de Oxford University Clinical Research Unit in Hanoi, is het daar absoluut niet mee eens. "We moeten realistisch zijn: in de meeste ziekenhuizen in Vietnam en Cambodja zijn de faciliteiten, voorzorgen en vaardigheden om met besmettelijke patiënten om te gaan erg beperkt. Er wordt dus niet met elke patiënt even voorzichtig omgesprongen - dat is denk ik zelfs in westerse ziekenhuizen zo. Het is dus belangrijk om te weten dat het virus in kwestie, anders dan nogal wat collega's voorheen dachten, zich wel degelijk kan ontwikkelen tot een via de lucht besmettelijke vorm. Daardoor kunnen we risico's beter inschatten, en zijn we dus voorzichtiger."

Nog belangrijker, denkt Horby, is de boodschap die de wetenschap zo aan de voor landbouw en volksgezondheid bevoegde ministeries kan overbrengen. "Het H5N1-virus gaat inmiddels al meer dan tien jaar mee, en stilaan ontstond misschien het idee dat het niet meer zo zorgwekkend was. Deze studies hebben aangetoond dat dat niet klopt, en dat we dus niet op onze lauweren mogen rusten."

Resistent virus

"Bovendien", vult viroloog Malik Peiris van de Universiteit van Hongkong aan, "hebben we bij H7N9 maar liefst drie van de vijf volgens Fouchier zorgwekkende genetische veranderingen gevonden, namelijk de drie die hij zelf aanbracht bij H5N1. De andere aanpassingen ontwikkelde het virus in het lab vervolgens zelf. Dat doet vermoeden dat dit virus zelf kan vinden hoe het zich via de lucht kan verspreiden. Dat heeft zeker een rol gespeeld bij de snelle reactie van de bevoegde instanties, en terecht."

Peiris is een van de ondertekenaars van een brief die vorige week gelijktijdig verscheen in de vakbladen Science en Nature, waarin Fouchier en een twintigtal collega's aankondigen dat ze van plan zijn ook H7N9 te onderwerpen aan uiteraard streng beveiligde experimenten waarbij het virus mogelijk gevaarlijker wordt. De logica is grotendeels dezelfde als voor H5N1, al zijn er in dit geval volgens de onderzoekers wel extra goede redenen om het onderzoek zo snel mogelijk aan te vatten.

Uit verschillende recente studies met H7N9-virussen waaraan genetisch niets veranderd werd, is namelijk gebleken dat ze zich nu al via de lucht verspreiden, zij het voorlopig nogal moeizaam. De stap naar een vlottere verspreiding is mogelijk dus aanzienlijk kleiner. Daarnaast willen de onderzoekers ook uitzoeken hoe de virussen resistentie opbouwen tegen de bestaande antivirale middelen, want bij enkele patiënten bleek H7N9 bestand tegen de behandeling met Tamiflu. "Ik zei het al na de SARS-epidemie, en ik blijf het herhalen", mijmert Peiris. "De gevaarlijkste bioterrorist is de natuur."

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Info: www.fondspascaldecroos.org.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234