Vrijdag 30/10/2020

BoekenRecensie

Judith Schalansky geeft de Kaspische tijger, en andere verloren gegane zaken, alsnog een ‘naleven’

De Kaspische tijger, uitgestorven in de jaren zestig van de vorige eeuw.Beeld rv

Door te schrijven over zaken die verloren zijn gegaan – of het nu een schilderij is, een dier of een eiland – houdt Judith Schalansky (39) ze op een ontroerende manier levend.

Leven betekent verliezen meemaken, als voorbode van het uiteindelijke afscheid van de wereld. Niets is tegen verval en ondergang bestand. Behalve het boek, waarin tekst en vormgeving er samen voor zorgen dat het verleden kan blijven spreken alsof het volop leeft, en de tijd is opgeheven?

Vanuit deze gedachte schreef Judith Schalansky, die eerder furore maakte met De atlas van afgelegen eilanden (vertaald in 2014) en de roman over een biologiedocente in de vorm van een geïllustreerd biologieboek (De lessen van mevrouw Lohmark, vertaald in 2012), haar jongste, wederom zeer originele boek: Inventaris van enkele verliezen, waarin ze geschiedenissen opdist over smartelijke verliezen. Van gebouwen en een eiland, tot dieren en schilderijen die zijn verbrand of anderszins vergaan, en die door haar bijna precieuze aandacht alsnog een naleven krijgen.

Daarbij moeten we denken aan de Kaspische tijger, de 17de-eeuwse Villa Sacchetti in Rome, de gedichten van Sappho (600 v. Chr.) van wie welgeteld één voltooid gedicht en verder alleen fragmenten zijn overgeleverd, de stomme film, de boeken van Mani (Babylonische stichter van het manicheïsme), de haven van Greifswald zoals vastgelegd door Caspar David Friedrich, en de maantekeningen die een Duitse dominee maakte gedurende een diepgaande en vergeefse studie van dertig jaar.

Een willekeurige keuze? Zo lijkt het. Er is natuurlijk geen einde aan het catalogiseren van wat verloren is gegaan, omdat afsterven en uitdoven de dagelijkse praktijk is. Maar deze onconventionele inventaris pretendeert dan ook niet volledig te zijn. Het is de combinatie van toewijding en vergeefsheid die Schalansky lijkt te hebben geïnteresseerd. De precisie waarmee voorgangers aan een project hebben gewerkt, soms decennialang, dat daarna werd vergeten, afgebroken of in de fik ging, is zo aandoenlijk en herkenbaar dat een schrijver er materiaal voor een mythe in kan zien.

Iemand moet het doen

Met dien verstande: er moet iemand zijn die de handschoen oppakt, en er een stuk over schrijft. Schalansky is geboren in Greifswald in de voormalige DDR, met die haven die door de grote romantische schilder werd vastgelegd (maar niet vereeuwigd, want het doek verbrandde in 1939) en als kleintje woonde ze met haar ouders in de gemeente Behrenhoff, waar zich de schaarse restanten bevinden van een 19de-eeuws kasteel, en het park dat er destijds omheen lag: ‘Het park was groot en hoorde bij het kasteel, dat er niet meer was.’

De suggestie moge duidelijk zijn; dáár moet de fascinatie zijn geworteld voor iets wat voorbij is, maar toch niet geheel verdwenen. ‘De wereld treurt alleen om het bekende’, schrijft ze ergens, en dat kan een ander motief zijn geweest om in enigszins archaïsche volzinnen deze inventaris op te maken: ook het onbekende heeft recht op ons verdriet. Prachtig is de schets van de eertijdse stommefilmactrice die in de jaren vijftig door New York dwarrelt (‘Ach, wat zou ze graag een keertje verlof nemen van zichzelf’), werkloos, eenzaam, en van wie vanaf dat moment al steeds minder mensen weten dat zij Greta Garbo is (die nog tot 1990 zal leven).

Even sterk is de zoektocht van Schalansky zelf in de Alpen naar de eenhoorn, het fabeldier dat zomaar uit de mist zou kunnen opdoemen. En ze maakt inzichtelijk dat papyrusrollen met de overgeleverde woordjes van Sappho van Lesbos (‘en niet… verlangen… plotseling… bloesem… verlangen… verheu…’) misschien des te meer intrigeren door die onvoltooidheid: ‘Als fantoomledematen lijken die puntjes met de woorden vergroeid en te verwijzen naar een verloren voltooidheid. Intact zouden Sappho’s gedichten voor ons even vreemd zijn als de ooit kakelbont beschilderde antieke beelden.’

Maanziek

Een van de topstukken in deze hoogstaande verzameling is het laatste, over de maantekeningen waaraan een Duitse dominee zich in de 19de eeuw overgaf, vele jaren lang, in de overtuiging ‘dat hij die de krachtige botanische tak aan de boom der kennis tot de laatste vertakking wil beklimmen, omhoog moet reiken naar de grootste verschijnselen van de alles overwelvende hemel’. De dominee verzaakte aan zijn wereldse plichten, en zijn huwelijk, maar het was voor niets. De maan bleek geen ideale versie van de chaotische aarde, maar zelf minstens zo woest, en bovendien ledig. En toch weten wij nu hoe die bevlogen zwoeger heette, Gottfried Adolf Kinau, en zijn wij in staat om in 2020 zijn hoop uit 1848 te ervaren. Dat is een vorm van magie.

Zoiets kan in een boek, en zoiets gebeurt ook, wanneer de auteur van dat boek de naam Judith Schalansky draagt.

Judith Schalansky, 'Inventaris van enkele verliezen', Meridiaan Uitgevers, 252 p., 26,99 euro. Uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-Grubben.Beeld RV
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234