Woensdag 01/02/2023

Jongerenfilm in een nieuw jasje

Torino Film Festival '98

Het zestiende filmfestival van Turijn bevatte wat nieuwigheden. De oorspronkelijke naam Cinema Giovani ('Jongerenfilm') werd de ondertitel van het neutralere Torino Film Festival, maar voorlopig had dat geen gevolgen voor de invalshoek van het festival. De vertrouwde filmmuseumbioscoop en enkele omliggende biossen werden verlaten voor een functioneel multizalencomplex, een verhuizing waarbij schijnbaar de al even vertrouwde Marokkaanse straatventertjes met hun prullaria betrokken werden. Voor het eerst was er een officiële sponsor: een Zwitserse voedingsmultinational die ook al in Venetië oploskoffie en chocolaatjes distribueerde. Die keuze lokte destijds al het ontslag uit van een van de curatoren, die instond voor de retrospectieve 'Jonge Afrikaanse Cinema 1960-1970'. Tijdens het festival klonk er niet alleen boegeroep vanuit het (grotendeels jonge) publiek telkens de naam van de sponsor op het scherm verscheen, maar ook Ken Loach stak zijn kritiek niet weg tijdens zijn dankwoord voor de carrièreprijs. Groot off-festival-nieuws was ten slotte de bevestiging dat festivaldirecteur Alberto Barbera de volgende vier jaar ook de artistieke verantwoordelijkheid van de Mostra van Venetië op zich neemt.

De optiek van het Torino Film Festival bleef dus in hoofdzaak gericht op de filmproductie van de jonge generatie, die in verschillende secties werd ondergebracht.

De hommage aan de Franse Robert Guédiguian was verhelderend: al sinds 1980 borduurt de maker van Marius et Jeannette ('97) met lichte variaties voort op het thema van de emotionele en sociale onzekerheid, het probleem dus van het maken van keuzes. Hij doet dat met dezelfde acteurskern, geplaatst in een arbeidersmilieu ergens in een haven.

In het onderdeel 'Americana' was het soms beter te spreken van 'nieuwigheden' dan van 'jongeren', met The Apostle van veteraan Robert Duvall of de gerestaureerde en opnieuw gemonteerde Touch of Evil (1958) van Orson Welles. Die prent was Welles' compromis tussen zijn persoonlijke visie en de eisen van de studio. Het opvallendst in de versie is de legendarische opening met de lange sequentieopname, maar deze keer zonder titels en zonder de muziek van Henry Mancini; zonder enige afleiding dus.

Muziek was er dan weer in overvloed in andere producties. Met de New Yorkse straatperformance van de Engelse zanger Robyn Hitchcock in Storefront Hitchcock keert Jonathan Demme terug naar de rigoureuze 'rockumentary'-registratie van Stop Making Sense. Todd Haynes refereert met Velvet Goldmine aan David Bowie en Iggy Pop om een fictieve enquête te houden in de coulissen van de Engels-Amerikaanse glamourrock van de jaren '70. In The Last Days of Disco evoceert Whit Stillman dan weer de geest van de discojongeren van begin de jaren '80.

Een sterke indruk maakte Sue van Amos Kollek, waarin een ontslagen, aantrekkelijke jonge vrouw in Manhattan niet alleen de marginaliteit inglijdt omdat ze geen werk vindt, maar evengoed omdat ze er niet in slaagt haar gevoelsleven in te vullen.

In de internationale competitie doken nogal wat producties op die al te zien waren op andere festivals. Bijna gelijktijdig met zijn bekroning op het Festival van Thessaloniki kaapte de Tadzjiekse The Flight of the Bee in Turijn meer dan alleen de hoofdprijs weg. In sepia en observerend vertelt het duo Jamshed Usmonov en Min Biong Hun over de koppige en groteske manier (het graven van een wc) waarop een dorpsonderwijzer de burgemeester uitdaagt die hem onrechtvaardig behandelt. Het is een duidelijke fabel over machtsmisbruik. In That Land van Lidija Bobrowa is dan weer een luchtige parabel over het huidige Rusland, dat sociaal en economisch stuurloos is. We volgen de gebeurtenissen in een kolchozendorpje dat nog geen evenwicht heeft gevonden tussen het vroegere socialisme, dat geen persoonlijke verantwoordelijkheid eiste, en de nieuwe orde, waarin men zijn brood moet verdienen. Die film deelde de prijs van de jury met de Duitse Plus-minus Null van de Ier Eoin Moore, reeds te gast in San Sebastian. Daarin valt vooral de vorm op waarmee het grauwe en vluchtige leven in Berlijn wordt opgeroepen, waar een jonge bouwvakker geconfronteerd wordt met de gevoelens van twee prostituées. De scenarioprijs ging naar After Life, de tweede film van Hirokazu Kore-eda, ook aanwezig in San Sebastian. De film is minder contemplatief en meer vertellend dan Maborosi. Hij roept het ogenblik net voor de dood op, waarin de stervende zijn leven als een film voorbij ziet rollen.

In Last Night van de Canadese acteur Don McKellar staat de aarde op het punt vernietigd te worden. Die nakende catastrofe zet diverse personages ertoe aan hun laatste uren nog een zin te geven. In de gelaten of obsessionele figuren herkent men David Cronenberg of acteurs uit diens films of die van Atom Egoyan. Tot het lichtere genre behoort ten slotte The Interview van de Australiër Craig Monahan. Die kent duidelijk de film noir-klassieken: hij bedient zich van een bijna expressionistisch licht/donkerpallet en een gesloten politiekantoor om twee rechercheurs een kat-en-muisspelletje te laten spelen met de verdachte van een verdwijning. Maar wie is de kat en wie de muis?

Marcel Meeus

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234