Woensdag 11/12/2019

'Jongeren willen hier dood'

Elf romans na het monumentale Ségou wordt de Guadeloupse schrijfster Maryse Condé nog altijd aangesproken op 'haar beste werk'. Maar Afrika ligt achter haar. In 1987 keerde ze terug naar haar geboorte-eiland, dat sindsdien een grote rol speelt in haar boeken. 'Ik houd van Ségou, maar het hangt als een steen rond mijn nek.' Door Betty Mellaerts

Maryse Condé

De watergodin

Oorspronkelijke titel:

La belle Créole

Vertaald door Eveline van Hemert

De Geus, Breda,

285 p., 22,50 euro.

U bent in België om de vertaling van La belle Créole voor te stellen, een boek uit 2001. In het Nederlands kreeg het boek de ietwat vreemde titel De watergodin mee.

"Op de Antillen wordt een vrouw 'La belle Créole' genoemd, naar het mythische maar onjuiste beeld uit het folklo-doudouïsme, waarbij ze niet meer zou zijn dan een exotisch en sensueel wezen, een seksobject. In het boek is het ook de naam van een traditionele zeilboot die op Guadeloupe nog altijd bij wedstrijden wordt ingezet omdat hij zo snel en sterk is. Op die manier had ik een metafoor voor zowel de zwakte als de kracht van tradities. Dit is niet van essentieel belang, maar het is jammer dat dit gegeven in de vertaling verloren is gegaan."

Het verhaal van De watergodin is dat van Dieudonné die in 1999 na anderhalf jaar voorhechtenis ontslagen wordt uit de gevangenis van Port-Mahault. De jonge tuinier is vrijgesproken van de moord op Loraine, zijn rijke, dertig jaar oudere, blanke minnares. Die liefde was niet wederzijds. Het was een trieste relatie.

"Ja, maar zo zie ik het niet. Loraine is een béké. Békés zijn blanke creolen die al generaties op de Antillen leven. Ze zijn schatrijk, maar worden door iedereen gehaat omdat hun voorouders plantage-eigenaars waren die slaven tewerkstelden en leefden van de slavenhandel. Tot die kaste behoren, betekent op Guadeloupe dat je automatisch afgesneden wordt van de rest van de maatschappij. Loraine is dus per definitie een eenzame vrouw. Bovendien is ze liefdeloos opgegroeid, ze kan de liefde van Dieudonné onmogelijk beantwoorden. Men moet van je gehouden hebben eer je zelf iemand lief kunt hebben. Ik zie hun relatie eerder als een ontmoeting tussen een jongeman die een moeder zoekt en een vrouw die niet weet wat het is om een zoon te hebben."

De moeder van Dieudonné is overleden. Begint zijn tragedie met haar dood?

"Het is een groot verdriet, maar dat Dieudonné ongelukkig is, heeft ook te maken met het feit dat hij zijn vader nooit heeft gekend. Men heeft de neiging te vergeten dat opgroeien zonder te weten waar je vandaan komt, voor een kind een groot trauma is.

"Eigenlijk heb ik dit boek geschreven naar aanleiding van verhalen die een van mijn dochters me vertelde. Zij is advocate en verdedigde een aantal kinderen die problemen hadden zoals Dieudonné. Onbekende vaders, overleden moeders, in de steek gelaten door de familie. Zo ontdekte ik de hardheid van het familiale leven op de Antillen, ver van de clichés en de mythes. Op de Antillen komt net als overal in de wereld kindermoord voor of moeders die hun baby's als vondeling achterlaten. Vaak omdat vrouwen te jong een kind krijgen of omdat ze door hun man in de steek werden gelaten en ze in hun extreme pijn en eenzaamheid geen andere oplossing zien. Toch blijft de mythe bestaan van de genereuze, van goedheid overstromende moeder die liefde schenkt aan iedereen rond haar. Dat wilde ik doorprikken. Mythes zijn gevaarlijk, ze houden leugens in stand. Vandaar ook het idee om van de grootmoeder een moderne oma te maken die onverschillig en materialistisch is en er helemaal niet aan denkt om haar kleinzoon te beschermen. Natuurlijk is er een uitleg voor de manier waarop die vrouwen redeneren en we kunnen proberen te begrijpen waarom de mensen zijn wie ze zijn, maar ze leiden in ieder geval niet het leven dat we te zien krijgen door de roze bril van de toeristische tijdschriften."

Dieudonné komt na zijn vrijlating terecht in een stad die zich opmaakt voor een opstand. Vóór de moord was er voor hem al weinig toekomst weggelegd, nu krijgt hij totaal geen greep meer op zijn leven. Waarom ontneemt u hem alle hoop?

"Na mijn terugkeer naar Guadeloupe in 1987, heb ik een boek geschreven: Traversée de la mangrove, waarin ik vertel over het land zoals ik het terugvond. Er was geen geweld, de menselijke relaties begonnen misschien wel te verzwakken maar er was nog vriendschap, genegenheid, een verbond tussen individuen. Geleidelijk aan heb ik alles zien veranderen, ik moest er een nieuw boek over schrijven. De watergodin toont hoe het eiland nu is overgeleverd aan drugs, geweld, werkloosheid, de syndicale strijd en stakingen. Guadeloupe is een van de meest onbestuurbare landen geworden. De watergodin is dus geen roman noir die ik voor mijn plezier heb geschreven, maar een weergave van een trieste evolutie van het land dat het mijne is en waaraan ik gehecht ben. Ik heb dus niet zoveel uitgevonden in dit boek, schrijvers vinden trouwens niks uit. We ontlenen de stof van onze boeken aan de werkelijkheid."

Dieudonné had voor een ander leven kunnen kiezen, maar hij verliest de moed. Kan een jongen als hij niet anders?

"Neen. Als ik hem met mij vergelijk - en waarom niet, het is tenslotte ook een beetje mijn zoon - dan beschik ik over veel elementen die me troost bieden in het leven. Liefde, een gezin, een thuis, werk, mijn boeken. Dieudonné is negentien en heeft niets om op terug te vallen. Voor hem blijft alleen nog de dood als uitweg. Het aantal zelfmoorden op Guadeloupe is erg hoog, precies omdat jongeren geen redenen vinden om ondanks alles in het leven te blijven geloven. Dat heb ik met dat personage duidelijk willen maken."

Hoe was het Guadeloupe van uw jeugd?

"Een kind zal altijd zeggen dat het opgroeide in een paradijs, maar ik heb nooit dieven gekend of bedelaars. Of toch, er was één bedelaar. Een oude man die altijd rond etenstijd bij ons langskwam, hij heette monsieur Lafontaine. In een hoek van de keuken bewaarde mijn moeder een maaltijd voor hem. Ik herinner mij ook geen geweld en dat is zo gebleven tot Guadeloupe een draaischijf werd voor de crack en cocaïne uit Colombia en aids toesloeg. Toen kwam het land in verval. Ik kan niet anders dan erover schrijven en proberen die vreselijke situatie onder de aandacht te brengen."

Guadeloupe is nog altijd een Frans departement en ook als kind werd u omringd door blanken. U had een andere huidskleur, hoe dacht u daarover?

"Toen ik klein was, leek zwart zijn me volstrekt onbelangrijk. Zo goed mogelijk de Franse cultuur en taal opnemen, daar ging het om. Mijn ouders bewonderden Frankrijk enorm, voor hen was het werkelijk het moederland. Ze reisden ongeveer om de twee jaar naar Parijs en ik ben er zelfs eerder naar de kleuterschool geweest dan op Guadeloupe. Ik herinner mij dat ik het slimme, schattige, zwarte meisje was met de vrolijke staartjes dat doodgeknuffeld werd door de leraressen. Met alle kritiek die ik heb op de politieke toestand in Frankrijk en de achteruitgang van de Franse cultuur, Parijs blijft de stad waar ik het meest van houd na mijn geboorteland. Zo'n liefde valt niet te verdedigen! Het duurde tot ik adolescent werd en zelfs nog later, als volwassene in Afrika, eer ik besefte dat er een tegenstelling was tussen het zwarte gezicht dat mij in de spiegel aankeek en de Franse levensstijl die ik erop nahield."

Wanneer heeft u dan voor het eerst over de geschiedenis van de slaven horen praten?

"Toen ik een jaar of veertien was, stelde ik er vragen over aan mijn ouders. Ze gaven geen antwoord, ze schaamden zich ervoor. Ik heb de waarheid in mijn eentje ontdekt, toen ik al twintig was. Toen ben ik mij er natuurlijk voor gaan interesseren."

U bent afgestudeerd aan de Sorbonne in de klassieke letteren en vertrok naar Afrika. Had de geschiedenis ermee te maken?

"Het is een redelijk ingewikkeld verhaal. Ik was zoals ik u vertelde, helemaal verfranst geraakt. Maar op een dag vroeg een medestudente me of ik Aimé Césaire kende (Antilliaans dichter en politicus, BM). Ze duwde me zijn bundel Cahier d'un retour au pays natal in handen, die ik meteen las. Zonder het te willen idealiseren: in mij voltrok zich een revolutie. Ik ontdekte dat ik zwart was, van Afrikaanse origine en dat ik volstrekt niets verloren had in Parijs. Ik begon om te gaan met het zwarte milieu van Parijs, ging luisteren naar de Afrikaanse vakbondsleiders die toespraken hielden over de onafhankelijkheid die er weldra zou komen. In die invloedssfeer verwarren vrouwen de liefde voor een man nogal gemakkelijk met hun politieke overtuiging. Omdat Afrika me interesseerde, dacht ik dat ik op een van die bevlogen mannen verliefd was. We zijn getrouwd en naar Guinee vertrokken. Het huwelijk hield geen stand, maar de liefde voor Afrika is wel gebleven."

Vond u in Afrika wat u zocht?

"Ik ontdekte dat ik inderdaad andere voorouders heb dan de Galliërs, maar tegelijk besefte ik ook dat ik geen Afrikaanse ben. Dat Afrikanen een andere cultuur hebben dan ik. Literair, maar even goed wat eten en drinken betreft, de taal die men er spreekt. Zo leerde ik dat ik een Antilliaanse ben uit Guadeloupe en dat ik om mezelf beter te leren kennen, niet in Guinee, Mali of Senegal moest blijven, hoe prachtig die landen ook zijn. Ik moest terugkeren naar mijn eilandje van twee keer niks, met zijn zieltogende suikerrietplantages en bananenbomen, en onbestaande cacaokwekerijen. Die hoek van de wereld is mijn thuis en daar keer ik telkens weer naar terug, want al heb ik dan veel tijd doorgebracht in New York, ik ben evenmin een Afro-Amerikaanse."

U vertelt graag het verhaal dat u als kind uw carrière begon met het schrijven van een theaterstukje voor uw moeder. U schreef aanvankelijk toneelstukken. Waarom?

"Jong zijnde was ik erg militant, nationalistisch en marxistisch. Ik geloofde ook in de theorie dat je met het theater de massa kunt bereiken. Eind jaren zeventig had iedereen om allerlei redenen zin in theater, we verwachtten er erg veel van. Bovendien dacht ik dat toneelstukken schrijven makkelijker was dan een roman. Daar ben ik van terug gekomen. Mijn theaterstukken van toen waren erg slecht, geloof ik."

U was vijfendertig toen u uw eerste roman schreef, voelde u zich toen zekerder?

"Voor toneel was ik niet in de wieg gelegd, dat ontdekte ik heel snel. En verder: als je een roman schrijft, ben je God. Je herschept de wereld, bevolkt hem met allerlei personages, speelt met tijd en ruimte. In mij kwam het ambitieuze, alles verterende idee dat ik beter romans kon gaan schrijven. Maar mijn verhaal verschilt niet van dat van veel andere vrouwelijke schrijvers. Ik had vier kinderen en zolang ze klein zijn, word je door die kleine mormels opgegeten. Pas als ze twaalf zijn, kun je de deur van je schrijfkamer dichttrekken met het verzoek je niet te storen omdat je aan het werk bent. Ik kon ook pas schrijven toen er rust kwam in mijn hoofd. Tot dan reisde ik veel, ik werkte, ging scheiden, hertrouwde, er was geen tijd om aan een boek te werken. Om een roman te schrijven moet je je kunnen afzonderen en alle dagelijkse beslommeringen buiten sluiten. Eigenlijk kon ik dat pas toen ik hertrouwde met Richard (Philcox, ook haar Engelse vertaler, BM). Hij heeft me het evenwicht en de rust gebracht die ik nodig had."

Wat deed u voordien dan met de ideeën in uw hoofd?

"Ik krabbelde wel wat op een stukje papier, maar ik wachtte vooral af tot ik er iets mee kon gaan doen. Ik heb ook nooit gedacht dat ik een schrijver zou worden. Ik hield van verhalen vertellen. Van liegen, zoals sommigen in mijn familie het noemden."

Onderschrijft u nog altijd uw uitspraak dat u voor zichzelf schrijft en niet voor de lezers?

"Wanneer je voor het eerst je gedachten neerschrijft, denk je alleen aan jezelf. Maar op het moment dat je herleest wat er staat, overweeg je al welk effect je woorden op de lezer zullen hebben. De lezer die ik daarbij voor ogen heb, is de Guadelouper. Guadeloupers houden er in het algemeen niet van om met zichzelf te lachen. Dat moet dan maar in mijn boeken gebeuren, vind ik. Ze zijn ook heel gevoelig en verdragen niet dat je iets zegt dat hen kan kwetsen. Dus heb ik soms zin om dat bewust te doen. Kijk, die macht heb je in een boek. Het is wel een lezer uit mijn eigen sociale klasse, de kleine, verwerpelijke, Antilliaanse bourgeoisie die zo zelfverzekerd en ijdel is. Haar wil ik een spiegel voorhouden omdat ik weet dat zij mijn boeken leest. Als ik erin slaag mijn lezers, ook buiten Guadeloupe, beter te betrekken bij de situatie op het eiland, ze bewuster te maken van de complexiteit van de wereld waarin we leven, dan heb ik mijn rol vervuld. Meer kan ik niet doen, want oplossingen heb ik niet. Een roman is tenslotte geen essay, het blijft fictie."

Maar schrijven is wel een manier om de wereld te begrijpen, heeft u eens gezegd.

"Natuurlijk is dat zo. Mocht ik niet schrijven dan zou ik een vrij bittere, gemene, verzuurde vrouw zijn. Door te schrijven over wat me niet bevalt, bevrijd ik mezelf en blijf ik een redelijk mens. Schrijven is een therapie."

Bent u gelukkig wanneer een boek af is?

"God neen, wat een gruwel! Wanneer ik een boek heb afgeleverd, zou ik me het liefst van al willen opsluiten. Dan ben ik bang voor wat de critici zullen schrijven of dat lezers niet begrijpen wat ik bedoel. En toch kan ik me geen leven voorstellen zonder het schrijven, het is een noodzaak."

Uw boeken zijn heel herkenbaar. Hoe heeft u uw stem gevonden?

"Daar heb ik erg lang over gedaan, misschien wel dertig jaar. Je evolueert, je leert een onderwerp vanuit verschillende perspectieven bekijken en stilaan ontwikkel je ook een andere verhouding met de woorden die je tot je beschikking hebt. Je ontdekt dat ze niet alleen een betekenis hebben, maar ook een klank en dat het onderscheid tussen proza en poëzie, een uitvindsel is van universiteitsprofessoren. Een tekst vinden die overeenkomt met wat er in je hoofd zit, is het moeilijkste aan het vak."

U praat niet graag meer over Ségou, het epos dat u twintig jaar geleden schreef en dat u wereldberoemd maakte.

"Ik houd van dat boek, maar het hangt als een steen rond mijn nek. De meesten hebben alleen maar dat boek gelezen, sommigen beschouwen het zelfs als mijn beste boek. Maar stel u voor, als dat mijn beste boek zou zijn, heb ik de afgelopen twintig jaar geen vorderingen gemaakt. Dat is een vreselijke gedachte!"

Begrijpt u waarom Ségou zoveel succes heeft gehad?

"Ja, het is op het juiste moment gekomen. Toen ik het schreef, leefde ik in Frankrijk. De Fransen zagen de Afrikaan als een kerel in een lichtgevende overall die vuilnisbakken leegmaakt of de straat veegt. Door Ségou beseften ze dat die ondergeschikte mensen een cultuur bezaten die net zo mooi, rijk en sterk was als die van hen. De Afrikanen van hun kant hadden behoefte aan een boek dat over hen ging. Nu zijn er talloze goede Afrikaanse schrijvers, maar niet in 1984. Al werd het niet overal op applaus onthaald, men vond dat Ségou van grote moed getuigde."

Waar haalde u die moed vandaan?

"West-Afrika bleek een erg complex gegeven toen ik er ging leven. Ik wilde begrijpen hoe landen als Mali en Senegal met de jaren geëvolueerd waren. Ik deed er onderzoek naar en die bevindingen deelde ik mee aan de lezer. Dat heeft me jaren gekost, ook omdat het veel opzoekwerk betekende. Ik heb het materiaal opgeschreven en herschreven. Eerst wilde ik er een proefschrift van maken, maar ik voelde dat het een roman moest worden. Zonder grote woorden te willen gebruiken: het was een kracht die voortkwam uit het geloof dat ik in Afrika had."

Maakt het u nu dan niet triest dat het maar niet goed blijft gaan met Afrika?

"Ik onderken de enorme problemen, maar ik zie ook kleine straaltjes hoop die heel bemoedigend zijn. Kijk maar naar Togo. De zoon van president Eyadéma werd tegen de zin van de bevolking tot zijn opvolger verkozen. Daar is zoveel tegenstand tegen, een bewijs dat het Afrikaanse volk niet meer om het even wat accepteert, zoals het vroeger wel deed. Misschien blijft die zoon wel aan de macht, maar na hem zal het beslist onmogelijk zijn om nog onder dezelfde voorwaarden verkiezingen te organiseren. Dat stemt me hoopvol."

U heeft ooit gezegd: 'We moeten niet de blanken bestrijden die slecht en nefast zijn voor Afrika, maar onze eigen mensen die slecht en nefast zijn.'

"Dat is het inderdaad. Afrikanen en ook Antillianen hebben de neiging om van de blanken te zeggen: ze zijn slecht. Misschien zijn ze dat ook, maar hebben wij dan geen gebreken? Kunnen we na een goed gewetensonderzoek zeggen dat we altijd het slachtoffer zijn? Zijn ook wij niet de beulen van ons volk? Ik ben voorzitster van een comité voor de herdenking van de slavernij. Dat is een misdaad tegen de menselijkheid, wat trouwens voorlopig alleen door Frankrijk wordt erkend. Maar die slavernij had ook Afrikaanse en Arabische verantwoordelijken. Als we onszelf eeuwig blijven beklagen in onze rol van onschuldig slachtoffer, geraken we nooit een stap vooruit. We moeten stilaan erkennen dat ook wij een grote verantwoordelijkheid dragen voor onze problemen. Misschien geeft dat ons de nodige kracht om te proberen ze op te lossen. Slachtoffers lossen nooit iets op."

Misschien is dat inzicht het fundament van uw optimisme?

"Helderheid van geest is in ieder geval het begin van alles."

Betty Mellaerts

'De mythe van de genereuze, liefdevolle moeder wilde ik doorprikken. Mythes zijn gevaarlijk, ze houden leugens in stand'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234