Zaterdag 20/07/2019

seksueel geweld

"Jongens mogen alleen uitgaan, meisjes moeten haast in VN-konvooi vertrekken. Dát bedoel ik met verkrachtingscultuur"

Liesbeth Kennes: expert, auteur én overlever van seksueel geweld. Beeld Wouter Van Vooren

Noem haar alsjeblieft niet enkel een slachtoffer. In haar boek Alleen ja telt bundelt pedagoog Liesbeth Kennes (33) allerlei expertise die we nodig hebben willen we seksueel geweld het zwijgen opleggen. "Zonder die achtergrondkennis had iedereen gedacht: daar heb je dat irrationele slachtoffer dat alleen maar daders wil castreren. Zo ben ik niet."

Jarenlang zweeg ze, “want anders…” Maar vandaag lijkt er geen stoppen aan als Liesbeth Kennes spreekt. Ze laat amper pauzes vallen, springt van de ene gedachte op de andere, druk roerend in haar chai latte. Alleen als het over haar kindertijd gaat, schakelt ze een versnelling lager. Ze aarzelt, speelt met haar vingertoppen. Liesbeth Kennes werd als kind het slachtoffer van zwaar seksueel misbruik, tot in haar tienerjaren toe. Door twee plegers in dichte kring, onder wie haar stiefvader.

We hebben afgesproken in Barboek in Leuven, waar ze daags nadien haar boek Alleen ja telt lanceert. Daarin maakt ze komaf met een aantal hardnekkige mythes die onze kijk op seksueel geweld vertroebelen. Zoals de mythe dat daders ‘monsters’ zijn met gele tanden en vettig haar. De misvatting dat vrouwen áltijd slachtoffer zijn, nooit pleger. Of de fabel dat we ons echt wel verdedigen, anders was het geen verkrachting.

Ze straalt als ze het eerste exemplaar aait. “Toch is het dubbel”, zal ze verder in ons gesprek bekennen. “Aan de ene kant ben ik trots: verdorie, ik heb het maar gedaan. Aan de andere kant confronteert het mij met al die jaren waarin ik heb gedacht dat ik niks waard was.”

U hebt hier anderhalf jaar aan gewerkt. Er is intussen veel gebeurd: nieuwe klachten tegen Roger Vangheluwe, de zaak tegen de Gentse dj, Trump en zijn ‘grab them by the pussy’, acteur Bill Cosby. Nu komt uw boek uit in volle #metoo-klimaat. Wat is uw bijdrage hierin?

Liesbeth Kennes: “Ik wil eens goed aanstippen waar de problemen precies liggen. Zo is het onzinnig om slachtoffers aan te sporen vaker aangifte te doen als er nog altijd zoveel klachten worden geseponeerd. Hoe we nu met seksueel geweld omgaan, zit niet juist. Die misvattingen spelen daar een grote rol in. Als een magistraat denkt dat de helft van de zedenzaken verzonnen is, zoals Jef Vermassen ooit heeft beweerd, dan zal die natuurlijk meer seponeren. Als hij weet dat dit maar een minderheid is – maximaal 9 procent – zal hij dat helemaal anders bekijken.

“Eerlijk gezegd, ik voelde me heel machteloos na die uitspraak van Vermassen. Ik heb meteen een tweet gestuurd om dat recht te zetten. Maar welk bereik heb ik tegenover zo’n strafpleiter?” (zucht)

U liet nochtans al eerder van u horen. Drie jaar geleden richtte u Wij Spreken Voor Onszelf op, een platform voor overlevers van seksueel geweld. Werd u zo niet de ‘patroonheilige’ van de slachtoffers?

(lacht eens luid) “Bij de opstart was dat eigenlijk wel zo. Ik was toen de enige die met naam en toenaam naar buiten kwam. De anderen vonden dat nog te moeilijk, te persoonlijk.

“Zelf zie ik mijn rol daar eerder als communicatiestrateeg. Ik wil het brede publiek kennis bijbrengen, zonder al te grote weerstand op te wekken. Ik weet nog hoe ik vijf uur lang zat te tikken aan mijn allereerste opiniestuk. Ik had daar gewoon te veel stress voor. Het is echt vanuit een sense of urgency dat ik ben beginnen schrijven. Een van mijn felste opinies kwam er na het bericht dat de centra voor zedenplegers minder middelen zouden krijgen. Dat werd amper aangeklaagd. Ik was kwaad, haast gefrustreerd: dit kunnen we toch niet zomaar laten passeren? Door die noodzaak – ik móét hierover schrijven, want niemand anders doet het – vergat ik mijn faalangst.”

Liesbeth Kennes: "Toen het misbruik nog aan de gang was, kon ik niet praten over wat er gebeurde. Mijn lichaam sprak voor mij: ik had een eetstoornis, sneed mezelf, was depressief." Beeld Wouter Van Vooren

Uw hoofd lijkt nooit stil te staan, ook niet op sociale media. Toen schrijfster Griet Op de Beeck tegenkanting kreeg, nadat ze met haar misbruikverhaal naar buiten was gekomen, koos u razendsnel haar kant. Velen stelden zich vragen bij haar hervonden herinneringen: zij wist van niks, tot ze in therapie ging.

“Ik vond dat ik haar móést verdedigen. Die reacties maakten me zo boos, ik voelde me verplicht om iets te doen. Het was nodig dat die mensen weerwerk kregen. Buitenstaanders reageren vanuit hun buikgevoel: ‘Hervonden herinneringen. Hmm, kan dat wel?’, of ‘Het is toch bewezen dat je iemand valse herinneringen kunt opdringen?’ Dan is het belangrijk dat er duiding komt, en die kon ik geven. (korte stilte) Tja, ik voel gewoon een heel grote verantwoordelijkheid.”

Raakte haar verhaal u persoonlijk? Had u zelf ook ervaring met hervonden herinneringen?

“Nee, wel kwamen er bij mij na verloop van tijd dingen naar boven, die ik telkens weer wegduwde. Liever dan daarover te babbelen, had ik het bij mijn psycholoog over een boek dat ik aan het lezen was. (lachje) Zo werkt het post­traumatisch stress-syndroom. Wel had ik altijd het gevoel dat die zaken niet zomaar uit het niets kwamen.

“Als tiener, toen het misbruik nog aan de gang was, kon ik niet praten over wat er gebeurde. Mijn lichaam sprak voor mij: ik had een eetstoornis, sneed mezelf, was depressief. Maar de woorden ontbraken. Ik maakte een soort afsplitsing van mezelf. Het ene moment speelde ik voorzitter van de leerlingenraad op school, op andere momenten lag ik te luisteren naar het Requiem van Mozart en wenste ik mezelf dood.

“Toen ik twintig was, ging het echt bergaf. Ik zat heel hard met de gedachte dat ik een slecht mens was. ‘Anders was dit niet gebeurd.’ Toen kreeg ik echt last van die opdringerige fragmenten: in nachtmerries, maar ook overdag. In passanten op straat herkende ik de houding van de persoon door wie ik was misbruikt. In een college over opvoedings­problemen zag ik plots een flard van hoe iemand me pijn deed. Op den duur was het niet meer leefbaar.
“De meeste slachtoffers geven dat aan: dat ze altijd dingen hebben geweten, maar dat het vaak flarden waren – zonder begin, midden of einde. Ik beschrijf dat ook in het boek: als je onder grote stress herinneringen aanmaakt, dan raken die verspreid in je brein. Dat is al van één ervaring het geval. En dus zeker zo bij langdurig misbruik.

“In therapie ben ik als het ware met een magneetje door mijn brein gegaan, om zo de fragmenten weer te laten samenklitten. Dan voel je ook die emoties weer boven komen. Van de schaamte: ‘het is mijn schuld’. Tot de angst: ‘gaat hij mij dood maken?’ Het is als een puzzel van 1.000 stukken waarbij je eerst niet ziet hoe die allemaal ooit in elkaar gaan passen.

“Pas op mijn 28ste drong het tot mij door: dit was echt onrecht. Toen voelde ik dat het niet mijn schuld was. Ik heb daar veel tijd voor nodig gehad.”

Vandaag bent u een kleurrijke verschijning. Ik vermoed dat dit vroeger niet zo was?

“Nee, ik ben daar nog al op aangesproken: dat het lijkt alsof ik jaren ‘ziek’ was en nu ‘genezen’. Met dat soort gretigheid en kleur leef ik nu. Therapeuten hebben het mij vroeger zo vaak gezegd: ‘Liesbeth, dat komt in orde met u.’ Maar ik voelde het niet. Het leven dat ik nu leid, heb ik zolang onmogelijk geacht. Tien jaar geleden dacht ik nog dood te zijn voor mijn dertigste. 

"Een hulpverleenster heeft me ooit letterlijk gezegd: ‘Ik snap dat jij er niet meer wilt zijn.’ Je zou je kunnen afvragen of zo’n uitspraak wel verantwoord is, maar ik voelde me op dat moment zo hard erkend. En uiteraard, het verleden speelt nu nog in mijn leven, maar niet meer op een manier dat het mij volledig overhoop haalt, dat ik niet meer kan functioneren.”

Bent u nooit tegen ongeloof gebotst, puur omdat u nooit uw hele verhaal hebt bloot­gelegd?

“Nee, en precies daarom doe ik het ook niet. Mocht ik mijn hele verhaal doen, dan zouden velen oordelen: ‘Kan niet. Voor iemand die dit heeft meegemaakt, is ze te sterk.’ Dat wil ik vermijden. Want dan gaat het niet langer over wat ik wil overbrengen, maar over mijn geloofwaardigheid. Dan schiet het zijn doel voorbij.

“Kijk, als buitenstaander kun je nooit weten wat er waar is of niet. Je kunt alleen luisteren naar een slachtoffer zonder daarover te oordelen, en zonder bij de dader te gaan aankloppen en te staan roepen: ‘Hey klootzak!’ Maar velen denken: omdat we geen rechter mogen spelen, mogen we wel het slachtoffer in twijfel trekken. Dat is nefast.”

Onlangs kwamen er opnieuw verhalen naar buiten van seksueel geweld in de sport. Zowel bij ons – uit de voetbalwereld –, als in de Verenigde Staten, waar een ploegarts verscheidene turnsters misbruikte. Moedigt u zulke getuigenissen aan?

“Ik vind het fenomenaal hoe die slachtoffers hebben gesproken. Maar, en daarvoor moeten we oppassen: als ‘moedige slachtoffers’ spreken, dan krijgen anderen die dat niet kunnen de boodschap dat zij niet sterk zijn. Terwijl er net heel veel slachtoffers niet in de mogelijkheid verkeren om te vertellen wat hen overkomt. Omdat ze loyaliteiten hebben: denk aan misbruik binnen een relatie, in een gezin. We moeten blijven beseffen dat de getuigenissen die we horen maar het topje van de ijsberg zijn. Veel extreme verhalen hebben we nog niet gezien, en zullen we ook niet zien.

“Weet je, na de zaak-Dutroux brachten de media de meest afgrijselijke verhalen. Zielige slachtoffers moesten sympathie opwekken bij het brede publiek. Vanuit het idee: we moeten gevoeligheid creëren, zodat de mensen weten hoe erg het allemaal is. Daartegenover heb je vandaag vaak het verhaal van de sterke overlever, het hokje waarin ze mij soms proberen weg te zetten. Maar dan denk ik: zo werkt het niet. Ja, er zijn mensen die zelfmoord plegen na misbruik, of die euthanasie vragen wegens psychisch lijden. Net zoals er ook slachtoffers zijn die hun leven opnieuw op de rails krijgen. Maar het is gevaarlijk om één van die twee polen uit te vergroten als ‘de regel’. Want als je de hele tijd slachtoffers krijgt te zien voor wie elk leven onmogelijk is, dan zullen velen denken: ‘Ik zal maar zwijgen, want ik heb juist heel hard geknokt om niet zo iemand te zijn.’”

"Het is fenomenaal hoe sommige slachtoffers getuigen", zegt Liesbeth Kennes. "Maar we moeten oppassen: als ‘moedige slachtoffers’ spreken, krijgen anderen de boodschap dat zij niet sterk zijn." Beeld Wouter Van Vooren

Hebt u dat zelf ook zo aangevoeld?

“Zeker. Waarom denk je dat ik colleges bij de rechten en seksuologie heb gevolgd, me heb verdiept in neuro­biologie? Ik dacht: ik moet voorkomen dat ze mij gewoon gaan wegzetten als een slim of mondig slachtoffer. Ik wist dat ik mezelf dubbel zo hard zou moeten bewijzen vooraleer ik als expert zou worden gezien, net omdat ik het zelf heb meegemaakt. Zonder die achtergrondkennis zou iedereen het beeld hebben van: daar is het irrationele slachtoffer dat alleen maar daders wil castreren. Zo ben ik niet.”

Was dit boek voor u dan een belangrijk opstapje: van ‘slachtoffer’ naar ‘expert’?

“Eigenlijk wel ja. Ik voel ook een enorme gedrevenheid bij dit boek: iedereen móét dit lezen en weten. Over alles wat erin staat, heb ik al colleges gegeven: aan politie, aan magistraten. En dan denk ik: ‘Een college voor zestig agenten is niet genoeg, Lies­beth.’ (lacht) Had ik zelf geen misbruik meegemaakt, dan was die gretigheid misschien niet zo groot.”

Precies die inzet maakt dat veel slachtoffers lovend zijn over u. Anderen hebben het dan weer lastiger met uw activisme, omdat u ook in hun naam lijkt te spreken. Terwijl hun verhaal van een totaal andere orde is, of zij er liever het zwijgen toe doen.

“In naam van álle slachtoffers spreken? Nee, dat zou zijn alsof één iemand die kanker heeft gehad voor alle kanker­patiënten spreekt, dat kan gewoon niet. Ik probeer toch een schot te zetten tussen wat ik heb meegemaakt en wat seksueel geweld is. Mijn ervaring is heel specifiek: kindermisbruik. Dat is helemaal anders dan, pakweg, een jong­volwassene die een verkrachting meemaakt. Élk verhaal is anders.

“Je kunt onmogelijk voor iedereen spreken, ook niet qua impact. Na een lezing stapte er ooit een man op mij af. Ook hij was als kind misbruikt, maar hij had er geen enkel trauma aan overgehouden. ‘Betekent dat nu dat er iets mis is met mij?’, vroeg hij zich af. Tuurlijk niet. Iedereen gaat er anders mee om, er is een minderheid van slachtoffers die er misschien nooit last van zal ondervinden.

“Alles hangt sterk af van de context, de mate waarin je ertoe gedwongen werd, je persoonlijkheid en netwerk. Maar als je de hele tijd verhalen hoort over hoe zwaar getraumatiseerd slachtoffers zijn, dan gaat zo iemand zich inderdaad afvragen of er iets verkeerd is met hem.”

U klaagt dikwijls de ‘verkrachtings­cultuur’ aan. Is dat niet wat overdreven?

“Belangrijk om weten is wat we precies bedoelen met verkrachtings­cultuur. Dat klinkt alsof onze samenleving het gewoon goedkeurt: ‘Aanranders, ga uw gang!’ Daar komt het dus níét op neer. Wel gaat het over een aantal onderbewuste dynamieken die seksueel geweld normaliseren. Zoals: terwijl onze puberzonen makkelijk op hun eentje mogen uitgaan, moeten meisjes haast in een VN-konvooi vertrekken. Of: vrouwen die alleen gaan shoppen, dragen geen hakken, opdat ze snel kunnen weglopen mocht er iets gebeuren. Of nog: hoeveel vrouwen lopen er niet met hun autosleutels in hun jaszak als ze in het donker over straat moeten, om toch maar een soort wapen te hebben als iemand hen lastigvalt? Dát is verkrachtings­cultuur. Een man loopt zo niet rond, punt. Niemand kan ontkennen dat dit een realiteit is. En dit is niet zoals het hoort. Daar mogen we ons niet bij neerleggen.

“In de Verenigde Staten heb je zelfs senatoren die stellen dat tienjarige meisjes zo sexy kunnen zijn dat mannen zich niet meer kunnen inhouden. Zo gortig werd het hier nog niet. Maar je leest in sommige van onze school­reglementen wel nog dat tiener­meisjes geen spaghetti­bandjes meer mogen dragen, “omdat hun borstjes de leraar zouden kunnen opwinden”. Dat zoiets passeert.” (verontwaardigd)

Betrapt u zichzelf wel­eens op een mythe of misvatting?

“Tuurlijk, niemand ontsnapt daaraan. Ik heb ook al weleens gedacht: ‘Hoe loopt die er nu bij? Als er nu iemand fluit, kan zij toch niet kwaad zijn?’ Maar dan tik ik mezelf op de vingers. Dat is evolutie: dat je merkt hoe die onder­stroom ook in je eigen denken aanwezig is. Net zoals feministes zichzelf kunnen betrappen op gender­stereotypen. Je daarvan bewust worden is een groeiproces.”

Sinds kort hebt u een vriend. Voelde ook dat als een groei­traject: de liefde toelaten?

(glundert) “Ik had het twee jaar geleden niet eens voor mogelijk gehouden. Voor hem is mijn verleden geen issue, zonder dat hij het daarom minimaliseert. Hij vergelijkt het met de zwaartekracht: mijn verleden is daar en we moeten ermee om. Maar daarom is het niet onleefbaar.
“Goede communicatie, daar staat hij op. Dat snap ik ook. Als partner van iemand die misbruik heeft doorgemaakt en die toen makkelijk blokkeerde, ben je bang om iets te doen wat je lief niet wilt. Maar je zíét het natuurlijk ook wanneer iemand niet meer mee is.

“Maar ook hier weer: het is soms dubbel. Het goeie kan net heel pijnlijk zijn. Dat hij zo zacht­aardig is, dat er geen greintje slechtheid in hem zit, dat kan me bij momenten ontzettend triest maken. Waarom konden die anderen niet zo lief voor me zijn? Het is een soort rouwproces waar ik door moet. Maar hey, ik ben er nog. En wat nog komt, kan ik wel hebben. Ik wou gewoon dat ik dat gevoel eerder had gehad. Dat is het erge. Dat je geen vertrouwen hebt wanneer je het ergste moet verwerken. En dat je door het ergste te verwerken pas vertrouwen krijgt om de rest aan te kunnen.”

Liesbeth Kennes, Alleen ja telt, Polis, 256 p., 21,99 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden