Donderdag 02/07/2020

Jonathan Littell zoekt

Lomaïa, secretaris van de Georgische Veiligheidsraad: 'Georgië heeft zich opgeofferd om de ogen van de rest

de waarheid achter

de Georgische oorlog

'Pishite pravilno", krijg je de hele tijd te horen. "Schrijf correct, schrijf wat er echt gebeurd is." Je hoort het overal, in Zuid-Ossetië en Abchazië, net zo goed als in Georgië zelf, en we zouden het graag doen, schrijven wat er echt gebeurd is. Maar gemakkelijk is het niet. "Iedereen produceert verhalen die zijn eigen vooringenomen ideeën rechtvaardigen", suggereert Dan Kunnin, een Amerikaanse adviseur van de Georgische president Mikhail Saakasjvili, in zijn kantoor op het nieuwe presidentiële paleis in Tbilisi. Wie is de agressor, wie is het slachtoffer? Voor de Georgiërs is de 'territoriale integriteit', en dus hun recht om twee separatistische regio's met welk middel ook opnieuw onder controle te krijgen, heilig; voor de Ossetiërs, en vooral de Abchaziërs, gaat het om een historisch onrecht, en de gedachte ooit bij Georgië te horen komt hen grotesk voor. "Wat ik niet begrijp, is waarom de westerlingen, die toch zulke tegenstanders van Stalin zeggen te zijn, ons net grenzen willen opleggen die door Stalin getrokken zijn", werpt me op zekere dag, in de Abchazische hoofdstad Soukhoumi, historicus Stanislav Lakoba toe, secretaris van de Abchazische Veiligheidsraad. Voor de Abchaziërs heeft hun voortdurend met de Georgische prinsdommen wedijverende natie nooit deel uitgemaakt van Sakartvelo, Georgië dus; volgens een wijdverbreid geloof, dat weliswaar betwist wordt door onderzoekers voor wie de werkelijkheid complexer is, is het de Georgiër Stalin die Abchazië in 1931 als autonome republiek aan Georgië 'gegeven' zou hebben, terwijl het eerder een gelijkwaardige status zou hebben genoten. In december 1991 hebben de drie Slavische presidenten van de USSR, Boris Jeltsin en zijn Wit-Russische en Oekraïense ambtsgenoten, beslist dat de ontbinding van de Sovjet-Unie de grenzen van de vijftien Sovjetrepublieken zal volgen, zonder autonome republieken als Abchazië, Tsjetsjenië of Nagorno-Karabach ook maar een enkel recht te verlenen - een eenzijdige beslissing die genomen werd zonder de betrokkenen te raadplegen en onmiddellijk erkend werd door een ongeruste internationale gemeenschap, die bovendien al sinds de Tweede Wereldoorlog getraumatiseerd is door de minste neiging om grenzen ter discussie te stellen. Tegenover dat verhaal plaatsen de Georgiërs een feit: in 1991 maakten de Abchaziërs maar 17,8 procent van de Abchazische bevolking uit (tegenover 45,7 procent Georgiërs), en bekleedden zij er de macht enkel krachtens het Sovjetprincipe van de 'rechtmatige natie'. Waarop de Abchaziërs het koloniseringsbeleid van Beria oproepen, en de Georgiërs de etnische schoonmaak die op de oorlog van 1993 gevolgd is... Uitzichtloos getouwtrek waar tot dusver alleen het geweld de knoop heeft doorgehakt, geweld dat tenminste het vermogen heeft feiten te creëren, hoe tragisch die ook zijn. Maar die feiten roepen op hun beurt twisten in het leven, waarvan de inzet vitaal is voor wat daarna komt: wie is begonnen? Wie moet met de vinger gewezen worden voor al die doden en vernielingen?

Volgens de versie die zij vandaag naar voor schuiven, zouden de Georgiërs niet meer gedaan hebben dan zich verdedigen tegen een al lang geplande Russische invasie. Sinds begin augustus was de spanning met Zuid-Ossetië, doorspekt als ze was met aanslagen en bombardementen op Georgische dorpen in de buurt van de Ossetische hoofdstad Tsjkinvali, ten top gestegen. De internationale gemeenschap reageerde zwakjes en nam genoegen door tegen de Georgiërs te herhalen: "Zwicht niet voor provocaties", terwijl ze echter geenszins druk uitoefende op de Russen opdat zij hun Ossetische cliënten in toom zouden houden. De zware gevechten zijn in de nacht van 7 op 8 augustus uitgebroken, met een Georgisch bombardement op Tsjkinvali, gevolgd door een geregelde aanval. Gewettigde zelfverdediging, bevestigen de Georgiërs: in wat de aanzet tot een invasie was, waren honderden Russische pantserwagens al door de Rokitunnel gereden die Zuid-Ossetië met Rusland verbindt, het doel van de Georgische operaties was de Russische aanval te stoppen of minstens te vertragen. Een maand na de gebeurtenissen komt de Georgische regering met een gedeeltelijk bewijs op de proppen: opnamen van telefoongesprekken tussen Ossetische grenswachten die om 3 uur in de ochtend van 7 augustus plaatsvonden en waarin sprake is van Russische pantservoertuigen in de tunnel. Maar zoals The New York Times opmerkt, die het verhaal over de afgeluisterde gesprekken uitbrengt: we weten nog steeds niet om hoeveel pantserwagens het gaat, noch wat het precieze doel van hun opdracht was; op dat vlak zijn de opnamen niet bepalend. En als het dan al om zelfverdediging ging, dan kon die niet anders dan suïcidaal zijn. "Maar welke keuze hadden we?" werpen de Georgiërs op. "Dit was de kroniek van een aangekondigde oorlog", verklaart, bij een glas rode wijn in de grote hal van het Marriott Tbilisi, viceminister van Buitenlandse Zaken Guiga Bokeria, een vertrouweling van Saakasjvili en wellicht een van de invloedrijkste politici van Georgië. "Net als in García Márquez. Iedereen kende het script." Dat laatste begon met provocaties die de Georgiërs tot een offensief zouden aanzetten, en het Russische antwoord had als doel beide separatistische republieken te bezetten, het Georgische leger te vernietigen en zo mogelijk de politieke infrastructuur van het land te ondermijnen en het regime omver te werpen. "We hadden die omvang niet verwacht, maar we wisten dat er wat te gebeuren stond, en dat we gingen verliezen", gaat Guiga door. "Maar we moesten hen een prijs laten betalen, en die betalen ze nu. Voor die dorpen en die strook van tien kilometer betalen ze een hoge prijs in de ogen van de internationale gemeenschap. Voor hen zou de enige echte overwinning een regimewissel geweest zijn. Zonder dat hebben ze niets gewonnen."

Het probleem met dit verhaal is dat het alle Georgische verklaringen op het moment van de feiten tegenspreekt. In de nacht van 7 augustus, bij het begin van de aanval op Tsjkinvali, verklaarde generaal Mamouka Qourashvili, commandant van de Georgische vredestroepen, dat Georgië een operatie ontketend had "om de grondwettelijke orde in Zuid-Ossetië te herstellen"; even later richtte Dmitri Sanakoev, een oud-separatist die zich aan de kant van Tbilisi geschaard heeft, zich in hun taal tot de Ossetiërs om uit te leggen dat Georgië de democratie kwam brengen. Niemand had voor 8 augustus publiekelijk over Russische pantservoertuigen gerept. Privé lagen de zaken echter moeilijker. Terwijl de ambassadeur van Frankrijk in Tbilisi, Eric Fournier, categorisch bevestigt dat "de Georgiërs hun Europese bondgenoten nooit gebeld hebben om te zeggen 'de Russen vallen ons aan'", hoor ik van Matthew Bryza, een hoge VS-diplomaat die al sinds de aanvang van de regering-Bush met het Georgische dossier belast is: "Dat de Georgiërs meer open geweest zijn met ons dan met de Europeanen is normaal, gezien onze geprivilegieerde relatie. Eka Tkeshelashvili, hun minister van Buitenlandse Zaken, heeft me om 11.30 uur gebeld en gezegd: 'De Russen komen Zuid-Ossetië binnen met tanks en meer dan duizend manschappen. We hebben geen keuze. We verbreken het staakt-het-vuren.'"

Als ze al niet oprecht is, dan heeft de Russische versie daarentegen de verdienste duidelijk te zijn: Saakasjvili is een psychopaat, gedrogeerd nog wel, die een genocidair offensief begonnen is waartegen Rusland enkel maar verzet kon bieden. De Russen zijn echter de enigen niet die Saakasjvili de schuld geven voor het uitbreken van de vijandelijkheden. Sinds hij in 2004 aan de macht kwam in het kielzog van de Rozenrevolutie heeft Saakasjvili inderdaad altijd een erg agressief discours gehanteerd jegens beide separatistische regio's en zichzelf graag met de grote koning David de Bouwer vergeleken. Heeft hij er niet van meet af aan van gedroomd deze gebieden met geweld terug te nemen? In vier jaar tijd heeft hij een exorbitant percentage van zijn bruto nationaal product tegen het leger aangegooid, een bedrag dat flink hoger lag ook dan wat door de NAVO aanbevolen was. En in Irak droegen alle straten van de Georgische militaire basis namen van Abchazische steden: Gagra, Pitsunda, Gali; de marsliederen van de door de Amerikanen opgeleide troepen gaan over de herrovering van Abchazië.

Die concurrerende versies, met reële politieke inzet, worden door een compleet en min of meer gesofistikeerd communicatieapparaat ondersteund, wat vroeger propaganda heette. Aan Russische kant blijven de methodes nogal primitief; hoewel hun burgers dankzij een absolute greep van de macht op de pers haast enkel toegang hebben tot de officiële versie van de feiten, overtuigt die laatste maar weinig buitenlandse waarnemers, net zomin als zij door de aanvankelijke beschuldigingen van 'genocide' overtuigd werden. Aan Georgische zijde wordt daarentegen spitstechnologie aangewend. Zo heeft de regering een Belgisch communicatiekantoor in de arm genomen, Aspect Consulting, om haar versie van de feiten naar de buitenwereld te promoten. De oprichter ervan, Patrick Worms, door de Russische media omgedoopt tot 'de Belgische meester van de zwarte communicatie', heeft in alle Europese hoofdsteden teams opgezet die dagelijks informatie distilleren en spin die het verhaal van zijn werkgevers geloofwaardig maakt.

Dat gezegd zijnde, de openheid van de Georgiërs jegens de buitenlandse pers is reëel; en al is ook daar sprake van manipulatie van het nieuws, dan staat die haaks op de lompe methoden van de Russen. Het volstaat om twee 'begeleide bezoeken' aan het conflictgebied, opgezet door ieder van de partijen, met elkaar te vergelijken. Op maandag 18 augustus, een week na de Georgische nederlaag, was ik in Gori aangekomen, een industriestad vlak bij Zuid-Ossetië. 's Avonds, op het grote plein dat door het immense bronzen standbeeld van Stalin wordt overheerst, had ik voor het administratief centrum met zijn door de ontploffingen gebroken ramen, Kakha Lomaïa getroffen, de secretaris van de Georgische Veiligheidsraad die mij telefonisch voorgesteld had enkele verwoeste dorpen ten noorden van Gori te bezoeken. "Ziehier het Russische antwoord op de Rozenrevolutie!", had hij me bij mijn aankomst toegeroepen. 's Anderendaags blijkt de zaak echter algauw een minder discrete wending te nemen dan voorzien: op het centrale plein stormen tientallen journalisten op Lomaïa af met de vraag hem te mogen volgen. Viatsjeslav Borisov, de Russische generaal die het bevel voert over het gebied, mengt zich onder de massa vooraleer hij met Lomaïa in het gebouw van de administratie verdwijnt; eindelijk, enkele uren later, komt een lang konvooi op gang, een rij ambulances en gele bussen geladen met humanitaire hulp, het voorwendsel voor ons bezoek, gevolgd door een half dozijn auto's vol journalisten. Borisov heeft Lomaïa vier paracommando's als escorte meegegeven; het gebied ten noorden van Gori stikt dan ook van Ossetische irregulieren die door de Georgiërs verantwoordelijk gehouden worden voor de gewelddaden die ze ons zullen laten zien. Ikzelf reis in het voertuig van Lomaïa mee, met wie ik tussen de haltes door discussieer. In de dorpen laat hij de journalisten helemaal vrij in hun werk; terwijl hij omringd door zijn lijfwachten met de bewoners praat, verspreiden de journalisten zich, bezoeken ze huizen en spreken ze met de dorpsbewoners. En zo zien we enkele uren lang de reële gruwel die deze oorlog, zo ver en alles welbeschouwd onbelangrijk als hij lijkt vanaf de terrassen van Tbilisi, betekend heeft voor de mensen die dicht bij de Ossetische grens wonen. Sinds 11 augustus, de dag van de Georgische aftocht, gaan de Ossetische milities volstrekt straffeloos hun gang in deze van iedere autoriteit ontdane dorpen; huizen hebben ze geplunderd en in brand gestoken, burgers die niet wilden vluchten vermoord. In de huizen zijn meubelen, matrassen en lades omgekeerd, opengereten; familiefoto's liggen bezaaid over de vloer, getuigend van de haast van het vertrek; op erven waar hongerige kippen of koeien ronddwalen, kreunen de fruitbomen onder de vruchten; ik verorber ze met een bitter gevoel van groot medelijden jegens deze voor niets verwoeste, geruïneerde levens; soms stuiten we op een weerzinwekkende plas bloed, en ligt in een kelder of tuin een lijk dat een buur of familielid met enkele snelle schoppen aarde heeft bedekt. Al zijn de overlevenden dan dolblij met de humanitaire hulp en sigaretten die Lomaïa's collega's distribueren, niet iedereen neemt ze even dankbaar in ontvangst, en we zijn getuige van homerische scheldpartijen, mannen die door het dolle heen zijn en Lomaïa toeschreeuwen: "Misja heeft ons laten vallen! We willen een Russisch paspoort, net als de Ossetiërs! Anders dan jullie zullen de Russen ons misschien beschermen!" Alle dorpen op onze weg bevinden zich op Georgisch kerngrondgebied, in de 'veiligheidszone' die voorzien werd in het akkoord dat Nicolas Sarkozy in Moskou onderhandeld heeft en als dusdanig kennelijk alleen voor de Russen geldt; aan de andere kant van de grens, die gesloten blijft, zou een etnische schoonmaak in regel aan de gang zijn. Edouard Kokoïty, de zelfverklaarde Ossetische president, heeft het openlijk bevestigd: geen enkele Georgiër zal naar 'Ossetisch territorium' mogen terugkeren; en in de etnisch Georgische dorpen wordt de bevolking systematisch verjaagd, terwijl volgens de beschikbare informatie hun huizen met de grond gelijk gemaakt worden om elke terugkeer te verhinderen.

Het bezoek aan Zuid-Ossetië dat de Russen twee dagen later opzetten, is van een heel andere orde. Lomaïa kwam niet tussen, antwoordde op vragen van journalisten maar probeerde geen uitgekiend verhaal te verkopen: het schouwspel sprak voor zich, en dat volstond. Het Russische bezoek wordt ingekaderd door een onstuimige persman, Aleksandr Matsjevski, een breed geschouderd zongebruind mannetje dat de hele tijd schreeuwt en die de journalisten al snel "kleine Goebbels" noemen. In een eerste Georgisch dorp dat we met Lomaïa al bezocht hebben, houdt hij een geïmproviseerde persconferentie; hij aarzelt niet om voor de camera's te verklaren dat de huizen verwoest werden hetzij als gevolg van gasexplosies of kortsluitingen nadat ze verlaten werden, hetzij omdat Georgische speciale troepen de Russen in diskrediet hadden willen brengen. "Sacha", werpt een geïrriteerde Britse journalist hem uiteindelijk toe terwijl hij over zijn kleine bril heen kijkt en blijft noteren in het schriftje waarin hij alles nauwgezet heeft opgetekend, "geloof je echt ook maar een woord van wat je daar vertelt?" "Denk je dat ik lieg?", schreeuwt Sacha. "Eigenlijk wel, ja", antwoordt de journalist zachtjes, een reactie die op razernij onthaald wordt en de journalist bijna op uitzetting te staan komt.

In Tsjkinvali zelf worden we eerst meegenomen naar een erg verwoeste buurt, de zogenaamde 'joodse wijk' (die al sinds de eerste bolsjewiekse jaren niets joods meer heeft. "Ze hebben die naam recent weer bovengehaald", legt Patrick Worms in Tbilisi uit, "dat staat altijd mooi in de internationale publieke opinie, een gebombardeerde joodse wijk kunnen tonen."). Het probleem, zeggen journalisten die Tsjkinvali voor de oorlog gekend hebben, is dat deze buurt ook in 1991 al gebombardeerd werd en er sindsdien maar weinig van was wederopgebouwd; en het is moeilijk om bij zo'n kort bezoek de oude verwoestingen van de recente te onderscheiden, of de verwoestingen na de Georgische bombardementen van 7 en 8 augustus te onderscheiden van die die door de Russen zijn veroorzaakt bij hun tegenoffensief op 9 en 10 augustus; de bewoners helpen ook al niet, want iedere vraag die een beetje nauwkeurig is, lokt heftige, hysterische reacties uit, alsof daarmee de werkelijkheid van de 'genocide' ter discussie stond die allen menen ondergaan te hebben: "De Georgiërs zouden ons allemaal omgebracht hebben, allemaal. Dankzij God heeft Rusland ons gered", gaat Fatima Tadtaeva tekeer, een actrice die in deze buurt woont; dan legt ze me uit dat haar neef Fedel Tadtaev samen met zijn vrouw en drie kinderen door een Georgische pantserwagen gedood werd toen hij per auto de stad probeerde uit te vluchten. Het bezoek gaat verder langs de basis van de Russische vredestroepen, Mirotvortsjeskie Sily of MS in het Russisch, ten zuidwesten van de stad en danig toegetakeld door het Georgische offensief. Terwijl hij voor het bestookte en uitgebrande gebouw staat waartegen intussen rode bloemenkransen met linten zijn neergelegd, spreekt kolonel Igor Konatsjenkov, de aanvoerder van ons konvooi, over de verliezen die de MS geleden hebben; 15 doden en bijna 150 gewonden, de meesten, geeft hij te verstaan, op verraderlijke wijze omgebracht toen ze tijdens hun slaap werden gebombardeerd. Voor hem hoeft er aan het Georgische opzet niet te worden getwijfeld: "Al een half jaar lang waarschuwen wij, de MS, dat de Georgiërs de oorlog voorbereiden: ze lieten manschappen aanrukken, sloegen wapens en munitie in. Het was zonneklaar dat ze een aanval voorbereidden." Terwijl de meeste journalisten de ruïnes fotograferen of zich laten achtervolgen door een steeds woestere Sacha, ga ik naar de achterkant van de basis, waar soldaten enkele pantersvoertuigen herstellen of rust zoeken bij gebouwen die wat minder toegetakeld zijn. Een groep nodigt me uit om het aperitief met ze te delen, tsjatsja (een plaatselijk elixir van 60°) en compot, sap van gemarineerd fruit met water, en legt me gedetailleerd de slag om de basis uit. Het zijn beroepssoldaten, aangeworven voor één jaar voor 770 euro per maand; in werkelijkheid bevond iedereen zich in staat van alarm sinds de aanvang van het Georgische offensief op de stad, de nacht van 7 augustus, en hun eerste verliezen deden zich voor de 8ste, 's morgens, toen hun tegenstanders met artillerievuur de aanval op de basis inzetten. Een deel van de basis is gevallen en noopte tot een gedeeltelijke evacuatie te voet: de ruïnes werden pas weer ingenomen tijdens het grote tegenoffensief van 10 augustus.

De clou van deze Magical Mystery Tour is een klassiek concert dat 's avonds voor de ruïnes van het plaatselijke parlement ten beste gegeven wordt door Valery Guerguiev en het orkest van het Marinskytheater uit Sint-Petersburg. Al jaren poogden de Georgiërs Guerguiev, een Noord-Ossetiër en grote vriend van Poetin, voor een 'verzoeningsconcert' in Tbilisi uit de nodigen; omringd door kinderen zal hij in Tsjkinvali een rechtstreeks op de Russische tv uitgezonden concert brengen, gelardeerd met redevoeringen in het Russisch en het Engels over de 'genocide' die de Georgiërs hebben uitgevoerd; terwijl die laatsten met de 9/11-terroristen worden vergeleken, en het Ossetische parket zelf nog slechts over 133 doden spreekt, wordt er niet geaarzeld om het aanvankelijke cijfer van 2.000 slachtoffers weer op te pikken. Voor ik de metaaldetectoren passeer die toegang geven tot het concert, moet ik plassen en ga ik verderop, te midden van de Ossetische strijders die daar opeengepakt staan, naar de toiletten op zoek. Op de pui van het gebouw wijzen drie vrouwen me naar de etage; zonder dat ik meteen snap dat dit het ministerie van Binnenlandse Zaken is, ga ik naar boven, zonder dat ook maar iemand me iets vraagt; een officier in uniform sluit zich voor mij in het toilet op en terwijl ik wacht, kijk ik door het raam: net onder mij, op een binnenplein dat als een grote kooi is ingericht, staan veertig tot vijftig burgers bij elkaar gepakt, duidelijk Georgiërs, de meesten zichtbaar oud. Ik schiet snel enkele beelden met mijn gsm, waarvan een op de achtergrond de vlaggen en lichten van het concert te zien geeft: deze gijzelaars zullen met ons naar de muziek luisteren. "Veel comfort is hier niet", excuseert de officier zich bij het buitengaan; hij moet het over de toiletten hebben. Het concert zelf is een sublieme oefening in Sovjetpropaganda: een massa die wijselijk samengesteld is uit bejaarden en kinderen die kaarsen dragen of portretten van hun doden, militairen ook die futloos met nieuwe vlaggen zwaaien, en journalisten. Alles, tot het programma toe, is zorgvuldig berekend: om te beginnen de tweede beweging uit de Vijfde Symfonie van Tsjaikovski, droevig en melancholisch; vervolgens een stuk met ritmisch tromgeroffel uit de Zevende Symfonie van Sjostakovitsj, martiaal, krachtig, onverzettelijk, gecomponeerd in 1943, tijdens het beleg van Leningrad. Helaas, Sacha zal ons het einde niet laten horen: "Time to go! Time to go!"

Wat me tijdens dit verblijf het meest verrast zal hebben, is het Russische leger. Het leger dat ik in 1996 in Tsjetsjenië had leren kennen, had vooral uit opgeroepenen bestaan, jongetjes haast die uitgehongerd waren en doodsangsten uitstonden; dat in de jaren 1999-2000 bestond uit dronkelappen, brutale, corrupte kontraktniki die in de onderbuik van de Russische samenleving gerekruteerd waren, en wier hiërarchie hun de vrije loop gaf, als het vuile karwei maar geklaard werd. De enige eerlijke en decente Russische officier die ik in die dagen ontmoet heb, werd uiteindelijk door zijn eigen manschappen vermoord, omdat hij hun trafiekjes hinderde. De Russische soldaten in Georgië vormen echter een frappant contrast: ze zijn gedisciplineerd, relatief vriendelijk, zelfverzekerd. In een van de dorpen die ik met Lomaïa bezocht, had ik de onderofficier aangeklampt die de Russische escorte leidde, iemand van de befaamde 76ste divisie van Pskov, een elite-eenheid. Ik wou hem een sigaret aanbieden die hij rustig afsloeg. "Hoezo? Een soldaat die niet rookt? Dat heb ik nooit gezien", lach ik. Onvermurwbaar, zijn kalasjnikov dwars over de armen, antwoordt hij: "Vandaag staat het goed om niet te roken en aan sport te doen. U begrijpt, met de val van de Sovjet-Unie, is iedereen beginnen drinken en roken, hebben ze zich laten gaan. Maar nu Rusland weer overeind komt, hebben de mensen zich beter in de hand." De gewone soldaten die in en om Gori geposteerd zijn, ogen even zelfverzekerd. De eerste ochtend in Gori, voor het vertrek met Lomaïa, discussieer ik met degenen die de centrale brug bewaken, jongens van de 42ste divisie in Chali, Tsjetsjenië, en ik stel hen de vraag die iedereen hier bezighoudt, die over het door Medvedev beloofde vertrek. "Ze zeggen dat jullie troepen de onze zullen vervangen", vraagt hun luitenant die snel op me was afgestapt, nog voor ik een woord kan zeggen. "Bent u op de hoogte? Weet u ergens van? Weet u of we vertrekken?"

Hun commandant, generaal Viatsjeslav Nikolajevitsj Borisov, is daarentegen een officier van de oude garde: dik, rood aanlopend, ongemanierd, zijn gezicht getekend door de alcohol, iemand die vettig en brutaal spreekt; eigenlijk gaat het om een erg hooggeplaatste officier, het nummer 2 van de Russische luchttroepen (VDV), die speciaal voor deze operatie met zijn para's in Georgië gedetacheerd is. De coördinatie tussen Borisov en generaal Marat Koulakhmetov, die zelf het bevel heeft over de in Zuid-Ossetië gestationeerde MS, is moeilijk ontwarbaar; het lijkt alsof ze naast elkaar werken en allebei aan generaal Sergej Makarov verantwoording afleggen, de stafchef van de SKVO en blijkbaar een van de hoogste operationele verantwoordelijken voor de invasie van Georgië. Borisov, die zijn diepe gehaaidheid goed verbergt, speelt handig in op de verwarring in de onderhandelingen met de Georgiërs over de eventuele terugtrekking uit Gori. "Hij houdt niet op me te zeggen: 'Ik neem geen beslissingen, ik heb vele oversten, ik sta klaar om te vertrekken maar heb geen orders'", legt Lomaïa me op zekere ochtend uit. "Het is een spel. Er heerst verwarring, maar ze gebruiken de verwarring om de zaak te laten aanslepen." In deze tweede week van het conflict woedt inderdaad een zenuwoorlog. Sinds het akkoord dat Sarkozy bedongen heeft worden de Russische troepen geacht zich "op hun eerdere posities" terug te plooien, althans het Georgische gebied als dusdanig te verlaten. Welnu, de Russische controleposten houden de trassa nog steeds gesloten, de snelweg Tbilisi-Gori-Poti die beide uiteinden van het land verbindt; ze blijven het plaatselijke verkeer verstikken en blokkeren journalisten, humanitaire zendingen en zelfs hoge westerse diplomaten; het weekend daarvoor hebben de Russen ook een vitale spoorwegbrug gedynamiteerd, en daarmee de hele handel over spoor, niet enkel met Tbilisi maar ook met Armenië en Azerbeidjan. Ten slotte controleren ze ook het hele gebied ten noorden van Gori dat we dinsdag de 19de bezocht hebben, en doen ze niets om de geweldplegingen door Ossetische militieleden tegen te gaan, terwijl ze de Georgiërs wel verbieden hun bedreigde burgers te beschermen. Ze plunderen ook systematisch de infrastructuur die ze bezet houden, tot de toiletten en aanrechten toe. "Voor Borisov maakt plunderen van de oorlogswet deel uit", stelt Lomaïa vast. Op woensdag 20 augustus probeert Lomaïa opnieuw dorpen te bezoeken ten noorden van Gori, met een nieuw hulpkonvooi en enkele journalisten; bij de eerste controlepost weigert de officier van wacht, die een dag eerder zonder morren Borisovs para's gehoorzaamd had, ons categorisch door te laten. "Ik hang niet van Borisov af", bevestigt hij tegenover Lomaïa. "Zijn gebied eindigt daar (hij wijst in de richting van Gori). Ik, ik hang van Koulakhmetov af. En uw kwestie is niet geregeld." Later op de dag, aan de telefoon, bevestigt Borisov tegenover Lomaïa dat hij niet langer bevelen verstrekt. "Een erg slecht teken", luidt Lomaïa's commentaar. "Ik ben erg depressief. Gisteren was ik optimistisch, vandaag ben ik depressief." 's Avonds, rond 17 uur, pakken alle Russische checkpoints in de stad hun biezen en verdwijnen ze haastig, zonder waarschuwing. Op de administratie houden de Georgische verantwoordelijken beraad, ze zijn nerveus. Lomaïa vreest dat Ossetische plunderaars van een machtsvacuüm zullen profiteren om Gori te belegeren. "En jullie politie?" vraag ik hem. "Ik weet niet wat te doen. Sinds gisteren herhalen ze in Moskou onophoudelijk dat we hen zullen provoceren tijdens de terugtrekking. Ik ben bang dat het om een valstrik gaat." Hij heeft moeilijkheden om openlijk met Tbilisi te praten: de lijnen zijn niet beveiligd, de Russen horen alles. "En u Jonathan, wat zou u doen?" interpelleert hij me plotsklaps op de trappen van de administratie. "Wat adviseert u mij te doen?" Ik twijfel: "Ik zou het niet weten... Als u echt bang bent voor de veiligheid van uw stad, dan zou het goed zijn uw politie te laten komen. Kunt u Borisov niet bellen en vragen of hij het daarmee eens is?" Hij luistert zonder iets te zeggen, en verdwijnt vervolgens in het gebouw. Ervoor, tussen de trappen en de rug van het Stalinbeeld, hangt een twaalftal mannen nietsdoend rond. Een van hen is Vladimir Vardzelasjvili, de jonge gouverneur van de regio Gori, een erg elegante oud-voetballer die een roze zijdehemd draagt met gouden manchetknopen. Lomaïa vertrekt naar de trassa om er de checkpoints te inspecteren en ik begeleid hem: alle controleposten zijn verdwenen, we kruisen een konvooi van een zestigtal vrachtwagens en Russische pantsers, volgestouwd met geplunderde meubelen, dat geparkeerd staat aan de kant van de weg. De nacht valt in als we terug in Gori zijn, er staat veel wind en het is broeierig; Lado, de gouverneur, zit op de trappen, omringd door mannen die roken en discussiëren. Even later voegt hij zich bij Lomaïa en andere ambtenaren voor een vergadering in zijn bureau. Daarin staan zwartlederen, gloednieuwe Ikeacanapés en een tv-toestel met plat scherm. Het decor wordt gevormd door een grote kaart van de regio, talrijke ikonen en exotische namaakwapens, een samoeraizwaard, een pistool uit de negentiende eeuw, een middeleeuwse knots. De vergadering gaat over bevoorradingskwesties, het herstel van de buslijnen naar de dorpen in de buurt áls de terugtrekking inderdaad een feit wordt. Omstreeks halftien horen we gedreun op het plein en iedereen, hoge ambtenaren, journalisten, lijfwachten, rept zich naar de ramen: een BMP-kolonne, Russische lichte pantservoertuigen, komt voor het gebouw voorbij, gevolgd door nog meer voertuigen. Lomaïa, somber en gespannen, stuurt manschappen uit om poolshoogte te nemen: alle checkpoints staan er weer, er staan nieuwe soldaten en een nieuwe commandant. Hij schudt het hoof: "Ze spelen kat en muis met ons." Even later staan we weer op de trappen. Vardzelasjvili vertelt ons dat Borisov deze namiddag gebeld heeft. "'Waarom hebt u uw politie nog niet gebracht?' vroeg hij. "Breng jullie politie." Half glimlachend neemt Lomaïa me terzijde. "Ziet u, Jonathan, u hebt me slecht geadviseerd. Nu ben ik er zeker van dat het een provocatie was. Als we onze politie hierheen gebracht hadden, waren ze nu allemaal gearresteerd." 's Anderendaags, in ons vervallen hotel, worden we wakker met het geluid van fijne regen. De lucht is fris, we horen een vreemd gekrab. Een gemeentearbeider maakt met veel zorg de boorden van de bloemperken schoon en duwt met zijn schop een teil vooruit. Lomaïa, die enkele Zuid-Ossetische vertegenwoordigers moet zien om over de burgergijzelaars te spreken, heeft aanvaard dat ik met hem meega. Uiteindelijk wordt er kort na de middag vergaderd in het militair ziekenhuis. Borisov arriveert op het binnenplein met enkele soldaten als escorte, een andere generaal van de luchttroepen en ene Sanakojev, die zich als 'adviseur voor de mensenrechten' van president Kokoïty aandient. Sanakojev is met twee gele autocars gekomen vol Georgische burgers, vrouwen, oudere mannen en kinderen. Iedereen schudt de hand voor er naar boven gegaan wordt, naar de vergaderzaal. De Georgische delegatie bestaat uit Lomaïa, een viceminister van Defensie en Guivi Targamadze, voorzitter van de parlementaire commissie voor veiligheid en defensie, een vertrouweling van Saakasjvili. Ik zit achter de brede rug van Targamadz en ben de enige niet officiële aanwezige in de kamer, de enige ook die niet voorgesteld wordt; de hele vergadering lang zal de tweede generaal me onophoudelijk aanstaren, hij neemt me ongetwijfeld voor een Amerikaanse adviseur. De toon is beleefd, formeel, de gesprekspartner stellen zich voor als David Guerguevitsj, Viatsjeslav Nikolajevitsj; Kakha, verneem ik, blijkt ene Aleksandr Borisovitsj. Borisov, die in het midden zit, leidt de vergadering; hij komt maar zelden tussen, zij het altijd kort en beslissend, erg handig ook op momenten dat de onderhandelingen dreigen vast te lopen. Voor de rest van de burgers vrijgelaten worden, zoals degenen die ik in de kooi in Tsjkinvali zag, vraagt Sanakojev dat de Georgiërs niet alleen de tijdens de gevechten gevangengenomen soldaten op vrije voeten laten, zoals ze van plan zijn te doen, maar ook een twintigtal Ossetische misdadigers die al jaren in Georgië in de cel zitten. Targamadze mort, er wordt gediscussieerd, een gegêneerde Sanakojev legt uit: "Ik wil de situatie niet politiseren... Maar u begrijpt, als ik met lege handen terugkeer, wordt het moeilijk om het proces voort te zetten." "Alleen de president kan hierover beslissen", stelt Targamadze ertegenover. Uiteindelijk hakt Borisov de knoop door: "Ladno, we gaan niet muggenziften voor een handvol autodieven. Maak een A- en een B-lijst op, geef hun hun dieven en junkies terug en houd de anderen. Zo is iedereen tevreden." Lomaïa vraagt Borisov vervolgens om uitleg over de gebeurtenissen van de avond tevoren, die onverklaarde terugtrekking van enkele uren, waarna de posten weer ingenomen werden. De generaal kakelt, een vettig, kortstondig gegrinnik: "Ach, dat was niets. De generaal die me vervangen heeft, die van de 42ste divisie, is nog jong, hij begrijpt niets. We hadden hem bevolen een blokpost te ontruimen om een konvooi te laten passeren en hij heeft zich vergist en ze allemaal weggehaald. Makarov was razend, hij heeft hem flink gesodemieterd (hij maakt een obsceen gebaar), en hop, we hebben ze teruggeplaatst. Dat is het." Echt? Onmiddellijk na de vergadering zal hij een journalist vertellen dat het de Georgiërs waren die hem gevraagd hadden de posten opnieuw te bemannen: "Ze hebben me verteld dat ze de veiligheid niet voor elkaar konden krijgen."

's Anderendaags, vrijdag de 22ste, de datum waarop Medvedev de terugtrekking beloofd had, gaat het spel door. Bij de checkpoints op de trassa babbelen de journalisten met de soldaten en wachten ze. Niemand kan door, maar ik loop Vardzelasjvili tegen het lijf die naar Gori terugkeert en hij neemt me mee. We zullen de hele middag rondjes blijven draaien, twijfelend en onbeslist. Uiteindelijk zal ik, zittend in de koffer van een auto vol Amerikaanse fotojournalisten, op weg langs de trassa, het vertrek van de twee laatste Russische kolonnes meemaken, evenals de aankomst in Gori van de eerste politie-pick-ups; die maken een triomfantelijke rondrit door de lege straten alvorens zich in de stad te verspreiden. De Russische posities zijn verlaten. Later bevind ik me met Lomaïa in het militair ziekenhuis; hij moet me met mijn collega naar Tbilisi meenemen. We discussiëren over politiek, hij vraagt me mijn mening over de kansen van Georgië om, na al deze gebeurtenissen, tot de NAVO toe te treden, en ik verkondig hem de mening van een Europese diplomaat: "Wat ze zich op de NAVO afvragen, is in hoeverre je een land kunt vertrouwen dat een oorlog begint zonder zijn bondgenoten op de hoogte te brengen. De kanselarijen wantrouwen u. En bovendien, dat mag ik u zeggen, veel mensen in het Westen denken dat uw president gek is, dat hij niet te vertrouwen is." Terwijl hij verstrooid luisterde, springt hij op: "Gek? Wie is gek?" "Wel... er zijn mensen die zeggen dat Misja gek is." "Misja? De president? Gek?" Beledigd en duidelijk geshockeerd laat hij me bruusk in de steek en verdwijnt hij in het ziekenhuis. Een half uur later komt hij naar buiten en neemt hij ons zonder vrijwel een woord te zeggen in zijn 4x4 mee. Op de trassa doorpriemen zijn koplampen de duisternis, Lomaïa pleegt zijn avondlijke telefoontje naar Baghdassarian, belt enkele Georgiërs, waarna een lange stilte klinkt. Plots wendt hij zich tot mij: "Weet je, Jonathan", begint hij zachtjes, "ik denk al de hele tijd aan wat u daarnet gezegd hebt. Ik begrijp best dat Misja de mensen ongerust maakt. Ik kan je objectief zeggen dat hij niet een... compleet evenwichtige persoon is. Hij is... onvoorspelbaar, erg emotioneel. En dat zijn niet echt kwaliteiten die ik persoonlijk het meest bij hem apprecieer. Maar... u moet begrijpen, soms hebben we iemand nodig die... gewoon doet, dingen doet die niemand anders zou doen. Of dezelfde dingen doet maar op een nieuwe manier. En dat heeft Misja gedaan. Iedereen denkt dat we gek zijn door ons tegen dat grote, machtige land, Rusland te verzetten. Dat dit kleine land het recht niet heeft zicht met zo'n groot en gevaarlijk land te meten. En we bevinden zich op zo'n moment, waarop de hele internationale gemeenschap aan het veranderen is. Die toestand waarin Amerika de enige unipolaire grootmacht was, die is aan het veranderen, om vele redenen, de fouten van Amerika, olie en gas, dat alles, en nu voelen Rusland en andere landen dat het hun moment is om de situatie en de internationale context te herdefiniëren. En wij... wij hebben zoveel levens verloren, zoveel levens opgeofferd, misschien opdat de wereld zich daar bewust van wordt, van wat Rusland is, opdat hij eindelijk naar behoren op deze nieuwe toestand begint te reageren." Zijn stem klinkt hoe langer hoe emotioneler, ferventer; zelfs als ik zijn zienswijze en verhaal niet aanvaard, dan nog erken ik dat ze recht uit zijn hart komen, dat hijzelf er echt in gelooft, dat het geen spin is maar zijn waarheid, die waarin hij leeft. "Georgië heeft zich opgeofferd opdat de internationale gemeenschap eindelijk beseft wat ze tegenover zich staan heeft en kan reageren. Georgië heeft zich opgeofferd om de ogen van de rest van de wereld te openen."

Ik zou daar kunnen stoppen, maar een beetje perspectief kan nooit kwaad, en daarom zou ik ook de hatelijke uitval van een Ossetisch militielid willen citeren; hij droeg een baret met het portret van Ché, 's anderendaags bij het checkpoint aan de ingang van Akhalgori, een Georgisch stadje waarover de Osseten zonet de controle hadden genomen. Terwijl hij me een lokaal bier ziet drinken, vraagt hij me: "Lekker?" "Normaal." "Neen, geen lekker bier, en weet je waarom? Omdat het Georgisch is. Alleen daarom." In Soukhoumi, de dinsdag daarop, leidt de aankondiging van de erkenning van de Abchazische onafhankelijkheid door Rusland tot een explosie van vreugde: "Zodra Medvedev zijn mond geopend heeft, is de hele stadsjeugd op straat gekomen, hebben ze geclaxonneerd, gezongen, in de lucht geschoten, zijn ze met vlaggen in alle richtingen gereden", vertelt Manana Gourgoulia, de chef van het Abchazische persagentschap Apsnypress, mij als ik die woensdag aankom. Hiervandaan bekeken lijken de Georgische aanspraken op de regio inderdaad een "atavisme uit de tijd van Stalin", zoals Sergej Chamba ironiseert, de Abchazische minister van Buitenlandse Zaken. De Abchazen, die anders dan de Ossetiërs over een echte regering beschikken en echte nationale gevoelens, zijn niet van gisteren als het over de Russische ambities gaat: "Natuurlijk bestaat het risico op kolonisering", erkent Chamba. "Maar als de keuze gaat tussen Rusland en Georgië, dan kiezen we Rusland." Rusland van zijn kant wil niemand de keuze laten: "De wereld mag een kruis maken over de territoriale integriteit van Georgië", hamert de Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov. "Denkt u dat we onze bloedneus hadden moeten schoonvegen en het hoofd hadden moeten buigen?" voegt Poetin op zijn onnavolgbare wijze toe. "Saakasjvili is een politiek lijk", besluit Medvedev, terwijl hij duidelijk te verstaan geeft dat hij het daar niet bij zal laten. Maar het is aan Régis Genté, een Franse journalist die sinds lang in Tbilisi woont, dat ik het laatste woord verkies te geven: "De Georgiërs zouden hun obsessie met de separatistische republieken voor tien of vijftien jaar moeten laten varen. Ze zouden zich op de ontwikkeling van hun land moeten concentreren, op de economie, de instellingen, hun democratie. De tijd verglijdt, en op den duur zullen ze naast al datgene grijpen wat ze werkelijk willen."

© Jonathan Littells volledige verslag

verscheen eerder in Le Monde 2.

De welwillenden van Jonathan Littell verschijnt op 13 november bij de Arbeiderspers (39,95 euro).

van de wereld te openen'Soms stuiten we op een weerzinwekkende plas bloed, en ligt in een kelder of tuin een lijk dat een buur of familielid met enkele snelle schoppen aarde heeft bedekt

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234