Donderdag 21/10/2021

John Prine 1971

John Prine, Atlantic

Tijdens mijn staatsbezoeken aan de toekomstige republiek Vlaanderen, gebeurt het wel eens dat iemand mij vraagt wie mijn favoriete zanger ooit is. Meestal antwoord ik dan "Elvis Presley". Omdat dat zo is. En ook een beetje om ervan af te zijn, eerlijk gezegd, want spontane gesprekken met wildvreemden zijn niet echt een discipline waarin ik ooit olympisch goud zal halen.

Maar wanneer ik voel dat mijn aanspreker/aanspreekster écht van muziek houdt, dan laat ik ook wel eens de naam John Prine vallen. Meestal wordt het dan stil aan de andere kant. Of één enkele keer klinkt het van "John wie?"

Kijk, zo'n antwoord stemt mij droef. Omdat advocaten van americana en het betere singer-songwriterwerk tout court, samen met mij, al ruim vier decennia lang schreeuwen dat John Prine in dat genre misschien wel de allergrootste is. Omdat Prine bij zijn zeldzame bezoeken aan ons land altijd zonder meer perfecte concerten geeft. Omdat mensen die er écht iets van kennen - ze heten van hun eigen Dylan, Kristofferson, Cash - vaak niet nalaten of -lieten zijn loftrompet te steken. Omdat Roger Waters van Pink Floyd, toen ze hem vroegen wat hij van Radiohead vond, antwoordde : "Ik vind helemaal niets van Radiohead. Eer muziek mij kan ontroeren, moet ze tenminste van het niveau van die van John Prine zijn."

Nu, ik ben een koele minnaar van Pink Floyd, maar ik ga Heer Waters niet tegenspreken. Want vanaf de dag dat mijn toenmalige huisgenoot Willem Dauw (Toulousestraat, 18 te 1000 Brussel) mij in de zomer van 1971 de eerste langspeelplaat van John Prine liet beluisteren, werd ik al een onvoorwaardelijke fan en dat ben ik nog altijd.

Ik kende toen, eerlijk gezegd, al één enkele song van Prine, 'Sam Stone' van op een goedkope Atlantic verzamel-lp. En dat was meteen ook maar het mooiste liedje dat er ooit over de Vietnam-oorlog geschreven werd. Een duister verhaal over een ex-G.I. die 'after serving in the conflict overseas' helemaal over de rooie gaat en zwaar verslaafd raakt aan pijnstillers, wat prachtzinnen oplevert als 'There's a hole in daddy's arm where all the money goes' en 'And the gold rolled trough his veins/Like a thousand railroad trains' en vooral de trieste conclusie dat 'sweet songs never last too long on broken radios'.

Ja, dames en heren, John Prine is een dichter. Maar hij is ook een zeer getalenteerde verhalenverteller, een moderne troubadour, een ouderwetse rocker, een cowboy zonder paard die wel weet wat het Westen soms zo wild maakt, een countrybard van de allerhoogste orde, een zeldzaam intelligente stand-upcomedian, een performer hors catégorie, een superieure satiricus die soms verward wordt met een sarcast.

En ook mijn favoriete singer-songwriter dus, waarvan ik tot het einde mijner dagen songs zal koesteren als 'Souvenirs', 'Angel From Montgomery', 'Hello in There' en de mooiste van de mooisten 'Speed at the Sound of Loneliness', 'Lake Marie' en 'Donald & Lydia'. Al kan hij de diepe ontroering en tristesse die ik na het beluisteren van dat slag nummers altijd voel opkomen, ook meteen weer wegspoelen door lachliedjes met prachtige titels als als 'They Oughta Name a Drink After You' en 'Let's Talk Dirty in Hawaian', waarvan de min of meer meidenpunkgroep Those Darlins overigens ook ooit een mooie cover maakte.

Maar dat debuut, dus: John Prine, van John Prine. Zeker zo goed als Dylans eerste Bob Dylan, van een ruim decennium eerder. Een plaat die drieënveertig jaar na de release nog altijd staat als een geweldig huis vol countryblues en zuiderse folkrock. Met stille trom ingehaald toen de zeventiger jaren nog piep waren, maar nu niet anders te benoemen dan als een meeslepende collectie klassieke songs.

Ik ben bijna jaloers op u omdat u ze wellicht nog moet ontdekken, maar neem er alstublieft uw tijd voor en als het moet ook een tekstblad bij. Want behalve 'Sam Stone' staan de twee kanten van deze zwarte schijf nog vol andere ontroerende verhalen over mooie meisjes en oude koppels, over mild druggebruik en schrijnende eenzaamheid.

Waar het genie van deze voormalige postbode precies aan ligt, is moeilijk te omschrijven. Behalve aan zijn superieure beheersing van het songschrijversambt heeft het wellicht ook te maken met zijn bijzonder aangename stem en zijn innemende podiumpersoonlijkheid. En het zit zeker ook in het eclatante spelplezier dat van die hele Prine afstraalt, zelfs wanneer hij die vaak zo triestige liedjes brengt, alleen of met altijd opmerkelijke mede-muzikanten.

Als u Prine nog nooit live hebt meegemaakt, kan het helpen één van zijn live-lp's te beluisteren. U zou kunnen beginnen met zijn eerste (John Prine Live, 1988) of instappen bij de tweede (Live on Tour, 1997), maar het grootste geluk valt toch te rapen bij de derde, eerder recente In Person & On Stage uit 2010. Die plaat laat Prine laat horen zoals hij vandaag is: een door het leven gelooide, zingende en spelende oudere man die de strijd met het succes verloren heeft, maar die met keelkanker met glans gewonnen en die vanuit zijn thuisstad Nashville, Tennessee nog een paar keer per jaar de hort optrekt en er dan zeker van kan zijn dat overal waar hij ter wereld verschijnt, een paar honderd getrouwen om acht uur 's avonds op hem zitten wachten en om élf uur weer naar huis gaan met een glimlach om de lippen en ook beseffen dat samen met anderen eenzaam zijn toch iets draaglijker is dan helemaal alleen.

Waar Prine ook heel goed in is, dat is in duetten zingen. Hij heeft zijn songs gedeeld met Bonnie Raitt, Emmylou Harris, Joan Baez, Marianne Faithfull en Lucinda Williams, maar zijn mooiste tweezangen zijn toch te horen wanneer hij zijn grote talent koppelt aan dat van dat andere 'onbekende' wonder, Iris DeMent.

DeMent - haar familienaam spreekt boekdelen eens u haar gehoord hebt - is de ideale partner voor Prine. Ze is zelf een getalenteerde songschrijfster en ook een voldragen aandeelhoudster van de nv Eros & Thanatos. Zoals de allergrootsten beseft ze dat diepe ernst beslist hand in hand kan gaan met totale waanzin. En tegen Prine's eigen ebbenhouten en doorrookte diepe stemgeluid zet zij met graagte haar eigen, ietwat bizarre en geflipte sonoriteit. Als u wilt begrijpen wat ik daarmee bedoel, doe uzelf dan een lol en ga naar YouTube voor een voorsmaak van John Prine & Iris DeMent en hun geinige 'In Spite of Ourselves'.

John Prine is na zijn foutloos debuut niet de nieuwe Dylan geworden die de betere Amerikaanse critici in hem zagen. Dat was ook in het geheel niet nodig, want op de twintig platen die nog op John Prine volgden, is de zanger-schrijver altijd geheel zichzelf gebleven en dat bleek in alle gevallen meer dan genoeg.

John Prine is de broer die u nooit gehad heeft, de vader die u in zijn armen zal sluiten als de uwe reeds verschwunden is, de vriend die zo goed kan zeggen waarom u zich zo slecht voelt.

In de categorie singer-songwriters rijdt hij al zijn hele leven in de kopgroep van de allereerste divisie.

Zorg dat u hem ontdekt eer het te laat is.

John Prine is de broer die u nooit gehad heeft, de vader die u in zijn armen zal sluiten als de uwe reeds verschwunden is, de vriend die zo goed kan zeggen waarom u zich zo slecht voelt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234