Maandag 23/05/2022

‘Jij bent de absolute harmonie’

Afgelopen zaterdag overleed op 83-jarige leeftijd de Nederlandse schrijver Harry Mulisch. Bij de viering van zijn tachtigste verjaardag schreef Connie Palmen onderstaande laudatio, waarin ze een treffend beeld schetst van de man en zijn literaire nalatenschap.

harry mulisch

Lieve Harry,

Laatst merkte je in een interview terecht op dat er gradaties van dood zijn bestaan en dat het zaak was tijdig je Connie Palmen te ontmoeten.

Hier sta ik.

Hoewel we elkaar al kenden zoals iedereen elkaar kent in een klein gilde, vond de echte ontmoeting met jou plaats in mijn persoonlijke rampjaar 1995.

Ik weet niet of dat voor jou tijdig genoeg was, voor mij was het op tijd.

Jij was een antidotum tegen een staat van dood zijn. Je hebt je over mij ontfermd. Je nodigde me uit samen met Sjoerdje, Anna en Frieda te gaan eten bij Mirafiori. Op die avond zat je tegenover me en het enige wat je wilde, was me wegpraten bij de poort van de hel. Wat je allemaal zei, weet ik niet meer. Wat ik me wel herinner, is hoe je voorovergebogen zat en je gloedvol tot me richtte. De literatuur en de dood, die vrienden voor het leven, zaten mee aan.

De zorg en de barmhartigheid waarmee je me wilde verlossen van de wanhoop, vergeet ik nooit.

Sinds die dag houd ik van je.

En dat wordt alleen maar erger.

Tot aan die dag van onze ontmoeting beleefde ik nog wel enig plezier aan het lezen van een van die beroemde eerste zinnen uit de Nederlandse letterkunde. Het is die waarin Nescio zegt dat hij, naast de man die de Sarphatistraat de mooiste straat van Europa vond, nooit een wonderlijker kerel ontmoette dan de uitvreter.

Sinds ik jou ken vind ik die hele uitvreter een lachertje.

Het is duidelijk dat Nescio jou nooit heeft gekend.

Anders had hij die zin niet kunnen opschrijven zonder zichzelf onsterfelijk belachelijk te maken. Iedereen die jou kent, weet dat er geen wonderlijker kerel bestaat dan Harry Mulisch.

Volgens mij vind jij dat zelf ook.

Maar jij hoeft jezelf nooit te ontmoeten, hoogstens in de spiegel, en daarin zie jij al tachtig jaar dezelfde Harry Mulisch.

Zo is ons uit de literaire annalen bekend dat je in 1936 in de spiegel keek. Je was toen negen jaar oud. Tweeëntwintig jaar later schreef je die huiveringwekkende scène op. Daarbij herhaalde je het tafereel, keek opnieuw in de spiegel en zag als eenendertigjarige geen ander dan in 1936. Het inzicht dat jou daarbij ten deel viel, leidde tot een voorspelling. Hoewel je de wereld vaak hebt verbijsterd met een welhaast griezelig vooruitziende blik, was deze toekomstvoorspelling een grove misser.

Dat kunnen we vandaag namelijk empirisch vaststellen.

Op je eenendertigste meende je er in 1999 uit te zien als een “verwoeste, brekende, verpulverde, ontploffende grijsaard”.

We tekenen 15 september 2007.

En niets is minder waar. Van die verwoeste grijsaard is nog geen spoor te bekennen. Je naaste omgeving zal beamen wat je zelf in de spiegel zag: in alle jaren dat je er bent, ben je geen ander dan nu.

Paradoxaal genoeg vormt deze onveranderlijkheid de kern van het mysterie Harry Mulisch.

Beetje ongeboren, beetje onsterfelijk

Ik ken geen man die in de omgang zo eerlijk, open, onopgesmukt, transparant, ik zou bijna zeggen zo simpel en eenvoudig is als jij en toch ben je volstrekt ongrijpbaar, haast onaards. Gesprekken met jou kenmerken zich door een onomzichtige directheid, je geeft naar eer en geweten antwoord en juist dat maakt dat iedereen van zijn stoel valt van verbazing en zeker weet met een uiterst vreemd wezen van doen te hebben.

Het vervreemdende aan jouw antwoorden is nu juist dat je alles méént wat je zegt, met hoeveel ironie je het ook weet te brengen. Want de essentie van de mulischiaanse ironie is dat ze ironie is en tegelijkertijd niet. Een geringere god wil de stijlfiguur nog wel eens hanteren om het tegendeel te beweren van wat hij eigenlijk bedoelt.

Met mulischiaanse ironie zinspeelt de gebruiker op wat iedereen meent dat je niet van iets mag vinden en hij ironiseert dit door het wel degelijk te menen, maar te laten merken dat hij weet dat je zoiets niet menen mag. Het is schijnbare ironie, als zoiets al bestaat.

Dezelfde paradox ligt aan jouw imago ten grondslag. Je hebt het imago hooghartig, zelfgenoegzaam, megalomaan en ijdel te zijn. Je laat iedereen in de waan dat dit slechts een imago is, een soort maskerade. Op die manier weet je handig te verbergen dat je het ook allemaal echt bent. En je bent het omdat je er geen enkel kwaad in ziet gezegend te zijn met een krachtig zelfbewustzijn. Je zou het hypocriet en leugenachtig vinden om bescheiden opvattingen over jezelf te delibreren en daarmee de waarheid geweld aan te doen.

Je hebt jezelf een ontaard kind en een ontaarde vader genoemd, onaards ligt daar dichtbij. Of, zoals Jan Hein Donner zo mooi over jou zei: “Een beetje ongeboren, een beetje onsterfelijk.”

De vrouwen in je leven

Jan Hein Donner mocht denken dat hij de enige was die jou echt begreep, de vrouwen in je leven doen dat ook. Maar, zoals het vrouwen betaamt, doen ze het hoogstwaarschijnlijk op een geheel andere wijze dan je aartsvriend voor ogen stond en zeer zeker op een andere wijze dan jou lief is.

In alle deemoed reken ik mezelf tot een van de vrouwen in je leven. Te beginnen met je grootmoeder, je moeder, de huishoudster Frieda, Sjoerdje, Kitty, je twee dochters, je vier kleindochters, bevind ik me in de negende cirkel van het mulischiaanse universum. Maar dat is dan ook de kring waarin ik me het beste thuis voel.

Het voordeel me een vriendin van je te weten, is dat ik op z’n minst door jouzelf word beschouwd als een vrouw met een goede smaak. Dat vind je namelijk van alle vrouwen die een genie herkennen als ze hem tegenkomen. En het is waar, ik herken en vooral erken het genie. Niet alleen vind ik dat je de Nederlandse literatuur hebt verrijkt met een grandioos oeuvre, ik vind je vooral ook een bewonderenswaardige, aimabele en lieve man.

Je hebt van het coincidentia oppositorum, het samenvallen van de tegendelen, de basis van jouw persoonlijke filosofie gemaakt. Alle filosofie is autobiografisch. Je moest wel, want door de Tweede Wereldoorlog, of nauwkeuriger gezegd door Adolf Hitler, raakte de basis van jouw leven van de tegenstelling doordesemd. Zonder Hitler was je moeder gewoon je moeder geweest en je vader je vader. Door Hitler werden zij een Jodin en een collaborateur. Door Hitler werden je ouders zelf een coincidentia oppositorum. Daardoor raken de tegenstellingen in jouw leven niet alleen aan het domein van de metafysica, maar ook aan dat van de ethiek. Los van hun individuele aard en karakter smelt de geschiedenis in jouw ouders goed en kwaad aaneen.

Dat ontaarde, dat je als kind in jezelf ontdekte en dat je nooit verliet, is wezenlijk aan jou. De ontaarde is degene die voorbij is aan goed en kwaad.

En zo meen ik dat jij bent. Het werd de kern van je filosofie: daar waar de tegenstellingen samenvallen, heerst absolute harmonie.

Ergo Harry, jij bént de absolute harmonie.

En dat harmonieuze is de essentie van je mysterie.

Voor de vrouwen in je leven is een man in wie de absolute harmonie verpersoonlijkt wordt een zegen, want je hebt er geen kind aan. Je moet natuurlijk aan wat basisvoorwaarden voldoen. Voor de kinderen zorgen, strijken, boenen, koken, koffiezetten, de koffie op bed of naar de werkkamer brengen, gasten ontvangen en bedienen, de honden uitlaten, de administratie doen en eens een website ontwerpen, maar daar is het dan ook mee gezegd. Dan ben je er ook van af.

Zeuren om aandacht, jammeren om begrip, praten over de relatie en meer van dat soort ellendige liefdeskommer, blijven je met jou bespaard. Eenmaal verzorgd, ben jij jezelf genoeg.

Het punt is, Harry, dat deze heroïsche zelfgenoegzaamheid bij vrouwen een diepe compassie loswoelt. Tot in de negende cirkel van jouw universum zal iedere vrouw het op haar klompen aanvoelen dat een man alleen zichzelf genoeg is, omdat hij zichzelf als jongen genoeg móést zijn, ook toen hij er nog lang niet rijp voor was.

Wat ons vrouwen voor jou doet vallen is niet je ravissante schoonheid, je goddelijke lichaam, je voorname gelaatstrekken, je aristocratische houding, je ongeëvenaarde intelligentie, je talent, roem of status.

Nee, je ontroert ons, we hebben met je te doen.

En dat is het geheim van je legendarische aantrekkingskracht.

Slachtofferschap is ondenkbaar

Maar het meest bewonderenswaardige aan jou is een andere soevereiniteit. Op een gouden schaal bood de twintigste eeuw je talloze kansen aan op het inmiddels zo begeerde slachtofferschap. Je had maar te kiezen. Je had zo Jood kunnen zijn, of zoon van een collaborateur, je had je al kunnen aansluiten bij de allochtonen toen zelfs het woord nog niet gangbaar was, of bij de kinderen van gescheiden ouders toen de effecten van een scheiding nog traumatisch heetten te zijn. Maar nee, je liet elke kans op het stigma van de verwonden van de eeuw liggen.

Slachtofferschap is voor jou ondenkbaar.

Deel uitmaken van een groep zou betekenen dat je moest toegeven de eigenschappen van een soort te bezitten en die met anderen te delen.

Het idee alleen al moet je weerzinwekkend voorkomen.

Anderen de gelegenheid geven jou te reduceren tot de karakteristieken van een gemeenschap, ze middelen aan te reiken jou te kunnen etiketteren met algemene kenmerken, zou betekenen dat je van het leven had verloren.

In plaats van het begeerde en grootse Niets, zou het je tot Niemand maken.

Jezelf benoemen zie je als een zwakte. Voor jou betekent dat het opgeven van de belangrijkste autonomie, de autonomie van een schrijver.

Vanuit die autonomie bepaal jij dagelijks zelf wat goed en fout is, een keuze die jou niet voorgeschreven wordt omdat je bij een groep hoort en denkt zoals een lid van een groep hoort te denken.

Wat anderen kon breken, maakte jou sterker. Als jij gepest, gehoond, verguisd, verstoten, geridiculiseerd werd, kon dat in jouw ogen alleen maar tot de conclusie leiden dat je anders bent, bijzonder. Als je gehaat werd, bewees dat eens te meer je gelijk. Jij bent een wereld op jezelf, elke vergelijking met anderen loopt spaak. De canonisering, niet van je oeuvre, maar wel die van jouw persoon, baart me dan ook af en toe zorgen.

Ze berust natuurlijk op een vergissing.

Soms meen ik dat ik je heel goed begrijp. De schaterlach die het woord ‘ik’ aan je ontlokt. Je uitspraak niet te bestaan en daardoor juist meer te bestaan. Je verlangen de raadselachtige uniciteit van Hitler te doorgronden en wat dat te maken heeft met het lachen om het ‘ik’ en met het Niets. Waarom het Niets sacraal is, ja, soms meen ik dat allemaal te begrijpen. En toch, het blijft, om jou te citeren: “een poging om bij het licht van een lucifer te tonen hoe de zon eruitziet”.

Het leven is een onafgebroken feest

Lieve Harry, van je zeventigste verjaardag herinner ik me dat die naadloos overging in de viering van je vijfenzeventigste verjaardag en ook de afgelopen vijf jaar komen me voor als een doorlopende viering van die vorige verjaardag. Het leven met jou is al ruim tien jaar een onafgebroken feest.

Het past bij je.

Het past bij je levenslust, bij je nieuwsgierigheid, bij je gebrek aan geborneerdheid. Zelden zag ik de eenzaamheid van het verstand zo glorievol, goddelijk en genotvol gedragen als door jou. Iedereen die met jou feestviert om dit mysterieuze bestaan te lauweren, wil deelhebben aan dat zeldzame geluk.

Het past ook bij jou om je eigen sterfelijkheid in twijfel te trekken.

Mede namens de heren van de club wil ik de hoop uitdrukken dat je weer eens gelijk krijgt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234