Vrijdag 05/03/2021

Jezelf kunnen vergeten, daar draait het om

Bent Van Looy laat flink op zich wachten vandaag. Pas drie kwartier na het afgesproken tijdstip staat hij eindelijk op het zonovergoten terrasje waar we hebben afgesproken. De zanger ziet eruit alsof hij eigenlijk een uitje naar het strand had gepland: kniebroek, mocassins, ruitjeshemd en het blonde haar keurig gekapt. Het feit dat de nieuwe cd vijf jaar in de kast is blijven liggen heeft op het eerste gezicht geen diepe sporen nagelaten. Van Looy straalt zelfvertrouwen uit, grinnikt veel en praat zonder ophouden. “Nu vind ik alles wat ons overkomen is eigenlijk een voordeel. Omdat ik weet: zolang de nummers goed genoeg zijn, zitten de zalen vol, of je nu bij een grote platenfirma zit of niet.”

Met het oog op een internationale doorbraak zat Das Pop vorig jaar onder contract bij multinational Sony. Maar vier weken voor de cd zou verschijnen stonden jullie plots weer op straat. Wat heeft die ervaring jou bijgebracht?

“Allemaal dingen die ik al lang wist. Om goed samen te werken is het belangrijk dat beide partijen elkaar goed verstaan. Je moet elkaars voornaam kennen en desgevallend ook het bijbehorende telefoonnummer. Dat geldt zowel voor eenmansbedrijfjes als multinationals. Eerst zaten we bij zo’n klein sublabel, maar toen die door de crisis allemaal opgedoekt werden, kwamen we plots bij Sony zelf te zitten. Een plek waar we niemand kenden. Bleek dat ze Das Pop wel goed vonden, maar verder geen flauw idee hadden van wat ze met ons moesten doen.”

Ben je onderweg veel illusies kwijtgeraakt?

“Eigenlijk niet. Ik vind in een popgroepje spelen nog altijd een ontzettend romantisch bestaan. Het is een luxe om de wereld rond te kunnen reizen met mijn beste vrienden. Ik leer elke dag nieuwe mensen kennen, ontdek steden waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. En als het meezit, spelen we elke avond onze muziek voor een volle zaal. Fysiek is dat één van de allerleukste dingen die er zijn. Zeg nu zelf: dat is geen slecht leven. Als tiener fantaseerde ik al van dit bestaan. Eigenlijk is er maar één verschil: ik dacht toen dat ik nu veel rijker zou zijn. (lacht)”

Als ik je nu op het podium zie staan kijk ik naar een frontman met een nauwelijks in te tomen zelfvertrouwen. Waar komt dan de manifestatiedrang vandaan?

“(denkt na) Die is er geleidelijk gekomen. Het was in eerste instantie zeker geen ambitie om op een podium te staan. Ik wilde vooral dingen maken, en op een gegeven moment bleek dat ik ook de gave had om een verhaal te vertellen. In eerste instantie zong ik van achter een drumstel. Dat was een behoorlijk intensieve combinatie, en het was keer op keer afwachten of ik het einde wel zou halen. In die periode ben ik vaak halfdood van het podium gestapt. Zo ben ik stap voor stap tot een frontman geëvolueerd. En voor ik er erg in had, stond ik in een pistachegroene short voor dertigduizend mensen te dansen op het podium van Pukkelpop.”

Goed dat je er zelf over begint: je durft nu heel complexloos jezelf te zijn. Roze hemdjes, groene shorts... Daarvoor vond je jezelf vroeger te cool.

“Dat is waar. In het begin waren we geforceerd arty, maar toen we aan deze cd begonnen, besloten we letterlijk een nieuwe groep te worden. We hebben zelfs een naamsverandering overwogen, ook al omdat we onderweg onze gitarist waren kwijtgespeeld. Op dat vlak is een popband als chemie of als koken: als je één element wegneemt, verandert het geheel totaal. Onze nieuwe nummers klonken gewoon heel anders. Vroeger probeerden we krampachtig een popgroep te worden, nu zijn we er één. We verbergen ook niet langer dat we plezíér hebben op het podium. In het begin deden we dat wel, omdat we dachten dat dat zo hoorde. Maar het is moeilijk om cool te zijn. Véél te moeilijk.”

Ik heb je op basis van jullie eerste cd’s altijd als een anglofiel beschouwd. Gek dat je uitgerekend in Frankrijk bent gaan wonen.

“Dat vind ik ook. Het is nooit gepland geweest, maar zoals veel dingen in het leven gebeurde het gewoon terwijl ik erbij stond. Waarom ben ik naar Parijs gegaan? Ten eerste omdat mijn Zwitserse vriendin daar al een jaar woonde. Telkens als ik haar ging bezoeken leek het me een erg aangename stad. Ten tweede wilde ik - nee: móést ik - dringend weg. Ik had het gevoel dat ik het na veertien jaar echt wel gezien had in Gent. Het was een risico, maar tegelijk was het zo klaar als een klontje dat een nieuwe omgeving ook een invloed zou hebben op wie ik zelf zou worden.”

Hoe heeft Parijs je veranderd?

“Ik was niets toen ik er aankwam. Ik had geen geschiedenis. Niemand wist wie ik was. Die nieuwe omgeving vereiste een zekere nederigheid, en ik moest me leren open te stellen voor nieuwe impulsen. Voor nieuwe mensen ook. Het kostte moed om mijn eigen geschiedenis achter te laten. Ik heb dus meer lef gekweekt. Ben iets opener geworden. Al heb ik gemerkt dat het muziekmilieu in Parijs nog kleiner is dan dat van België. Iedereen kent iedereen. De luitspelende hippie praat er met de knoppendraaiende elektroproducer. Na een maand was ik daar al helemaal geïntegreerd.”

Ik heb jullie jaren geleden geïnterviewd in Gent, waar Das Pop toen écht deel uitmaakte van een scene.

“Dat is waar, en het wás ook een heerlijke tijd. Maar altijd hetzelfde doen, altijd dezelfde mensen tegenkomen, muzikaal steeds weer dezelfde dingen doen... Op de duur waren we daar gewoon op uitgekeken. We zaten op een dood spoor. Daarom leek het me wel eens spannend om in Parijs een heel nieuw leven uit te beitelen. Ik ben niet buitengewoon sociaal, maar ook wat dat betreft heb ik mijn grenzen verlegd. Ginds moest ik zélf op de mensen afstappen. In Parijs moet het vooruitgaan. Belgen hebben soms de neiging om in lethargie te vervallen. Net omdat het er zo gezellig is en alles er relatief gemakkelijk gaat.”

Piet Goddaer heeft ook een tijd in Parijs gewoond. Hebben jullie daar vaak met elkaar opgetrokken?

“Nee. Ik ben hem daar nooit tegengekomen, terwijl ik daar toch voortdurend op straat loop. Dat is namelijk de enige manier waarop ik nummers kan schrijven. Ik componeer wandelend, met een notaboekje. Het komt erop aan beweging te voelen wanneer ik componeer. Op de trein zitten helpt ook. Als een song dringend af moet, maak ik een ommetje. Regen of geen regen. En als de inspiratie komt, ga ik even schuilen in een bushokje om wat zinnen op te schrijven. Er komt altijd wel iets. De songs schrijven zichzelf. Uiteindelijk: in de popmuziek gaat het sowieso altijd over de liefde, en het klopt dat alles al eens gezegd is. Maar niet door ons. (lacht)”

Nu klink je als een workaholic, eerlijk gezegd.

“Zo zie ik mezelf niet. Mocht ik verwarmingsinstallaties plaatsen, dan zou ik overal spierpijn hebben. Ik maak popmuziek. Dat is weliswaar een echte job, maar moe word ik er niet van. Al zijn er ook nadelen. Als songschrijver zit ik voortdurend met nummers in mijn hoofd. Dat kan ik niet van me afschudden als ik thuis ben. Soms heb ik mijn vriendin weken niet gezien en gaan we wandelen. Maar dan krijg ik plots een ingeving, en loop ik wat afwezig voor me uit te staren. Leuk is anders, maar ofwel aanvaard ik dat, ofwel laat ik me opnemen in een gekkenhuis. Want ophouden doet het sowieso niet.”

Hoe kijk je eigenlijk tegen je vak aan?

“Ik heb een boekje waarin ik heel keurig al mijn teksten heb opgeschreven. Uit een soort romantiek. Ik gebruik daarvoor ook een heel ander lettertype dan wanneer ik een boodschappenlijstje opstel. Omdat een songtekst toch specialer is dan het feit dat ik in de supermarkt een pak melk en twee bloedworsten moet halen. Ik vind: het is een ambacht dat je met ontzag moet benaderen.”

Das Pop is zolang weg geweest dat een hele generatie jongeren jullie als een nieuwe groep zal beschouwen. Dat lijkt me een pluspunt.

“Dat is waar. In België zijn we inmiddels oude rotten, maar Britten of Duitsers beschouwen ons als een nieuwe band. Ik ben wel een beetje bang, eerlijk gezegd. In die vijf jaar is de wereld erg veranderd. Platen hebben nu ook een minder lang leven dan toen. Met een beetje geluk krijg je nu nog twee singles op de radio, en dan is het wel weer afgelopen met de aandacht.”

En dat is het allemaal waard?

“(lacht) Dat is een heel goeie vraag. Mochten we van tevoren geweten hebben dat het zo lang zou duren voor de cd zou uitkomen, waren we er wellicht niet aan begonnen. Maar we leven van dag tot dag. Is dat het allemaal waard? Já. Omdat we een droom nastreven, waarbij de lat telkens hoger wordt gelegd. Ik ben het gelukkigst als ik na een optreden van het podium stap en niet meer weet wat ik het uur voordien gedaan heb. Jezelf kunnen vergeten: daar draait het om.”

Na vijf jaar tegenslag komt dan de eerste doos met nieuwe cd’s toe uit de perserij. Wat voelde je toen je dat plaatje eindelijk in handen had?

“Ik heb enorm uitgekeken naar dat moment, maar de dag zelf bleek het toch lang niet zo opwindend als gedacht. Het was toch weer gewoon een stuk plastic met een gat in het midden. Het is wel leuk om een periode van vijf jaar met iets tastbaars af te ronden, maar ik ben gewoon niet snel tevreden. C’est tout.”

Is dat een vloek of een zegen?

“Allebei. Natuurlijk is het niet leuk om me blind te staren op alles wat beter had gekund, maar dat blijft wel de enige manier om vooruit te raken. Pas op: het overkomt me wel eens dat ik een nummer klaar heb en denk: dit zal nog moeilijk te overtreffen zijn. Alleen: twee weken nadien schrijven we dan toch alweer iets wat nog beter is. Kijk: ik beschouw popmuziek als een verfdoos met heel specifieke kleuren. Dat zijn andere tinten dan die waarmee je aan een boek werkt. Of aan een schilderij. Natuurlijk kan het allemaal veel complexer uitgedrukt worden, maar het mooie aan popmuziek is dat het allemaal niet hoeft. Dat je met zeventig woorden in twee minuten soms meer kunt zeggen dan anderen in een hele trilogie.”

Je zingt ergens op de plaat over een meisje dat ‘naar paarden en champagne’ ruikt. Moet ze dat een compliment vinden?

“Dat lijkt me wel. Ik gebruik het paard als een metafoor voor een onschuldig soort romantiek. Voor meisjes aan de jongens beginnen, gaan ze heel vaak een periode door dat ze alleen met paarden in de weer zijn. Vaak zit er sowieso een duisternis in de muziek die haaks staat op de vrij luchtige muziek. Dat hebben we van ABBA, een groep die op een virtuoze manier licht en donker met elkaar kon versmelten. Ze zongen over verschrikkelijke echtscheidingsdrama’s, maar wel onder een prachtige discobol. ABBA, daar krijg ik het warm en koud van. Dat is haast een religieuze ervaring.”

Aan ambitie heb je nooit gebrek gehad, maar wat beschouw je, realistisch gesproken, als een haalbare kaart?

“Dat is een moeilijke vraag. (denkt na) Kijk: er zijn een heleboel mensen die maar twee cd’s per jaar kopen. Als je het als muzikant gedaan krijgt om bij één van die twee te zitten maakt dat uiteraard een wereld van verschil. Ofwel verkoop je dan heel veel en verdien je er ook nog wat aan. Ofwel is het... wat minder. (lachje) Toen de vorige cd van dEUS uitkwam, ging ik toevallig een boek kopen in de fnac, en letterlijk iedereen nam daar niet alleen een kookboek van Jamie Oliver mee maar ook een exemplaar van Pocket Revolution. Er stond een heel palet cd’s aan de kassa en na twee uur was dat leeg. Zoiets hoop ik met Das Pop ook ooit mee te maken.”

Vorig jaar hebben jullie een kledinglijn ontworpen voor het Franse merk Mont St. Michel. Zijn mode en muziek onlosmakelijk met elkaar verbonden?

“Absoluut, want muzikanten die heel casual in T-shirt en jeans optreden, denken daar net zo goed over na. Mode en muziek inspireren elkaar voortdurend. En het basisprincipe is hetzelfde: ze streven het nieuwe na, maar citeren tegelijk toch uit het verleden. Natuurlijk: een nummer schrijven is iets heel anders dan een hemd ontwerpen of een schilderij maken. Maar wat telt, is dat ik mezelf verstaanbaar kan maken. Het gereedschap dat ik daarvoor gebruik, is eigenlijk niet zo belangrijk. Ik wil hetzelfde zeggen met alles wat ik maak.”

En wat is dat dan?

“Dat is de cruciale vraag natuurlijk. Maar mocht ik je daar een pasklaar antwoord op kunnen geven dan zou ik uiteraard niet keer op keer de rompslomp van het creatieve proces moeten doorploeteren. (zucht) Ik ervaar het gewoon als een noodzaak om mezelf op al die verschillende manieren uit te drukken. Want uiteindelijk komt het er gewoon op neer dat ik door iedereen begrepen wil worden. En soms, als we bij het laatste nummer van de avond zijn aanbeland en de hele zaal mee is, lukt dat ook. Omdat iedereen dan met mij in dat ene moment zit.”

Dat lijkt me een heel kort ogenblik van voldoening. Voor je het weet, is het alweer voorbij.

“Natuurlijk. Ik denk dat het met een nummeréénhit net zo moet zijn. Heel even denk je: zíé je nu wel, maar dan is het weer op naar het volgende. En om even op de optredens terug te komen: dat is sowieso de plek waar ik me het beste voel. Daar geef ik ook veel meer van mezelf prijs dan in gesprekken met vrienden. In een song ben je verplicht om je harnas af te leggen, hé. Anders komt het niet binnen bij de luisteraar. Daarom vind ik het vaak wat gênant om mijn eigen teksten na te lezen. Die confrontatie is te direct. Vergelijk het met naar je eigen stem luisteren op een antwoordapparaat. Daar gruwel ik ook altijd van.”

Moet je jezelf dwingen om op een podium te staan?

“De gewaarwording is dezelfde als bij verhuizen: zodra ik op dat podium stap, draait de knop zichzelf om. Het moment voor de show vind ik wel vervelend. Dan zou ik nog het liefst heel hard weglopen. Vaak voel ik me dan ook heel moe, plots, en zou ik het concert nog het liefst van al een paar uur uitstellen. ‘Ik doe het straks wel.’ Maar dat gaat natuurlijk niet. En de seconde dat ik mijn eerste voet op dat podium zet, is dat allemaal voorbij. Dan stop ik met nadenken.”

Optreden met Das Pop is een heel sociale bezigheid, maar naast muzikant ben je ook schilder. Dat staat bijna haaks tegenover elkaar, precies omdat je om te schilderen de eenzaamheid moet opzoeken.

“Dat is waar. Ik kan ook niet zeggen dat ik schilderen leuk vind. Het resultaat wel, natuurlijk, maar de handeling zelf ervaar ik als vervelend. Als ronduit irritant zelfs. Daarom haal ik in deze fase van mijn leven toch nog altijd de grootste bevrediging uit de muziek. Dat is ook veel fysieker, bovendien. Schilderen kan later ook nog. Het kost op de koop toe heel veel tijd om daar echt in te komen. Het is niet zo dat ik de dag na een tournee meteen weer aan een nieuw doek kan beginnen. Daar gaat een heel lange mentale voorbereiding aan vooraf.”

Zijn je ambities daar even groot als in de muziek?

“Ja. Ik doe niets als hobby. Hobby’s zijn bespottelijk, vind ik. Als je iets doet, doe het dan góéd. Met alles wat je hebt. Maar niet om de tijd te verdrijven. Daarom ben ik ook professioneel muzikant geworden. Om mezelf te dwingen er voortdurend mee bezig te zijn. De luxe van een valnet interesseert me niet, want mocht ik dat hebben, dan zou ik er wellicht mijn scherpte bij inschieten. Het mag niet te comfortabel worden. Mochten we doorbreken in Frankrijk - en dat zit erin, want de interesse is behoorlijk overweldigend - ben ik daar ook weer weg. Het laatste wat ik wil, is op mijn lauweren rusten.”

Hebben je ouders je van meet af aan gesteund toen bleek dat muziek meer was dan een gril van het moment?

“Ja, enorm. Mijn vader heeft een tijdlang professioneel bij de opera gezongen, dus muziek werd thuis als een volwaardige baan beschouwd. Al keek hij wel heel erg neer op pop. Het werd thuis nooit gedraaid, dus toen ik op mijn veertiende Michael Jackson ontdekte, ging er een heel nieuwe wereld voor me open. Het feit dat ik popmuziek zélf ontdekt had, maakte het natuurlijk nog veel spannender. Ik was bij een vriendje op bezoek toen daar op een zwart-wittelevisietje plots de clip van ‘The Way You Make Me Feel’ passeerde. Het voelde alsof ik door een bliksemschicht getroffen werd. Ik wist meteen: dit is het.”

Wat trok je er zo in aan?

“Het was gewoon anders dan alles wat ik tot dan toe gekend had. We woonden in een bos, omgeven door natuur. En dan had je daar plots een alien als Michael Jackson die een auto in elkaar stond te rammen. Dat vond ik toch wel wat. Ik zou liegen mocht ik zeggen dat mijn ouders daar erg opgetogen over waren, maar ze lieten me toch naar de Top 30 luisteren. Op voorwaarde dat ik de radio mee naar de schuur nam, zodat ze er zelf geen last van hadden. Ik heb nooit de behoefte gevoeld om tegen mijn ouders te revolteren. In diezelfde schuur heb ik later drums leren spelen, en droomde ik van een carrière en een eigen groepje.”

Je was ook toen al een dromer.

“Jazeker. Ik besefte wel dat het geen evidente zet was, maar ik heb ‘nee’ nooit als antwoord aanvaard. Ik heb het altijd vertikt om een plan B achter de hand te houden. En sindsdien ben ik daar alleen maar extremer in geworden. Ook op dat vlak staan we met de groep nu veel steviger in onze schoenen. Vroeger hadden we namelijk wél allemaal een plan B achter de hand. Mocht de top toen niet haalbaar zijn geweest, dan hadden we met het tweede beste ook nog wel vrede genomen. Maar dat is een foute attitude. Omdat ze je lakser maakt. Voor je het weet, wordt het allemaal wat te gezellig, en dat is nefast. Als je vooruit wilt, mag het nooit gezellig worden.”

Tot slot: hoe belangrijk is het om iets na te laten, om je muziek te laten overleven?

“Pfff... Ik vind het vooral belangrijk om gerespecteerd te worden. Of er over tweehonderd jaar nog iemand zal zijn die Das Pop kent, is geen vraag die me bezighoudt. Ik wil een soundtrack maken voor mijn tijdgenoten. Dat lijkt me al mooi genoeg. Als de kleinkinderen er later ook nog iets aan hebben: des te beter.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234