Maandag 18/10/2021

Jeroen op reis met camera en pen

Het begon op een redactievergadering, ook wel eens brainstorm genoemd. 'Waarom trek je niet op reportage naar het buitenland? Kies een bestemming met pit, en neem vriend en fotograaf Stephan Vanfleteren mee.' Stephan zat naast me: 'Misschien moet je in je eentje gaan, je hebt altijd al volk om je heen. Een week alleen, in een onbekende stad. Wat denk je?'

Zaterdagavond. Morgen vertrek ik naar Beiroet. Ik heb mezelf voorzien van een 'kodak'. Voor de rest ben ik eigenlijk niet voorbereid. De reden hiervoor is simpel en dubbel: ik heb in mijn dagelijkse leven gewoonweg geen tijd om mij voor te bereiden op een reis, én ik wil eigenlijk zonder veel voorkennis kunnen ontdekken. Via Herman, een bevriende fotograaf, heb ik een taxichauffeur geregeld om me rond te rijden. Dat is alles.

De service in Luzine is momenteel volop aan de gang maar Koen en Didier, mijn prachtige vennoten, hebben zoals altijd de boel onder controle. Ik trek me terug in mijn bureau. De reacties van de mensen aan wie ik de afgelopen weken vertelde dat ik naar Libanon vertrek, boezemen me een beetje angst in. Onlangs nog beschoten, buurland van Syrië, Hezbollah. Anderen reageerden net tegenovergesteld: hippe stad, topkeuken, bruisend.

Een eerste tegenstelling. Het zal niet de laatste worden.

Persoonlijk vertrek ik met gemengde gevoelens. De primaire euforie om eens alleen te zijn, even de pauzeknop in te drukken, is wat weggeëbd. Er is veel veranderd in mijn leven. Ik ben gezinshoofd geworden, iets waar ik extreem trots op ben en wat ik ook erg serieus neem. Georges is drie maanden oud. Ik voel me een beetje laf. Een beetje egoïstisch ook. Ik laat Steph alleen met Georges. Alhoewel ze me altijd in alles steunt. Het zal je deugd doen, zei ze nog.

Het is zondag. Mijn vader dropt me in Zaventem. Fijne man, mijn vader. Hij klonk wat ongeruster dan gewoonlijk.

Ik vlieg eerst naar Istanbul en moet daar lang wachten. Mijn reis is nu officieel begonnen en dus begin ik wat dingen op te zoeken. Wat ik me herinner is dat er een lange burgeroorlog heeft gewoed in Libanon. Als kleine jongen werd ik geconfronteerd met de beelden van die oorlog. Enig opzoekwerk nu leert mij dat die oorlog woedde tussen 1975 en 1990, mijn herinneringen kloppen dus. Een burgeroorlog tussen religies. In 2006 was het weer raak. Maar dan met Israël.

Ik kom ook iets leukers te weten via internet. Anthony Bourdain, een van mijn culinaire helden, maakt al een tijdje het prachtige programma No reservations voor Discovery Channel. Hij schrijft, hij eet, hij reist. Een beetje zoals ik nu. Ik ontdek een aflevering van hem in Beiroet. Het zal mijn leidraad worden. Als een gek noteer ik alles in mijn Moleskine-schriftje. Ik voel me als een journalist. Het went snel.

Tijd om in te checken. De vlucht naar Beiroet is stipt. De man naast me bidt voor een veilige vlucht. Zelf ben ik niet zo religieus, maar ik zie er wel iets moois in. Zou ik ook in zijn gebed voorkomen? Ik zet mijn iPod op en luister naar 'Atlantic City' van Bruce Springsteen. Everything dies baby that's a fact. But maybe everything that dies someday comes back. Ik schaam me voor de man naast mij. Wat als hij dat zou horen? Alweer een tegenstelling.

Ik sluit mijn ogen en denk aan Georges. Het afscheid deze morgen was kort. Gelukkig was er vannacht quality time. Toen ik thuiskwam van Luzine was het net tijd voor zijn nachtflesje. Ik serveerde het hem met liefde. Al geef ik toe dat ik niet de nieuwste man ter wereld ben en mijn wondermooie wederhelft veel van de verzorgende taken op zich neemt. Maar niet zo vannacht. Mijn zoon op de arm. De queeste van mijn trip. Kan ik het gemis van mijn gezin aan? Doe niet flauw. Wat is nu een week? Ik weet het, en toch voelt het anders aan. Zou het dat zijn wat Stephan bedoelde toen hij zei: 'Kom jezelf maar eens tegen'?

We gaan landen. Ik ben nu bijna twaalf uur op pad en heb nog geen woord gesproken. Vreemd. Maar ik fantaseer wel. Wie gaat naar waar. Ik reis al de hele dag parallel met iemand. Hij van mijn land naar het zijne en ik andersom. En toch spreken we niet. Dat is goed voor mij. Met rustige muziek in je oren lijkt reizen een slowmotionfilm.

We zijn geland, ik neem een taxi naar het Albergohotel. Een prachtig verblijf gelegen in de christelijke Achrafiehwijk. Op het dak is er een gezellig terras. Een gin-tonic vraagt of hij erbij mag komen zitten. Mijn hartelijke gastvrijheidszin antwoordt daar positief op. Honger, dat ook, maar het hotel serveert internationaal eten en ik wil iets Libanees. Abdel Wahab in dezelfde straat blijkt een aanrader te zijn. De Libanese keuken is fantastisch, dat wist ik. Maar ik ben verre van een kenner en dus laat ik de ober in mijn plaats kiezen.

Ik eet heerlijke dingen waar ik de naam niet van ken, maar het Kuifje in mij zoekt het nadien op. Hommous, sawda djej (kippenlevertjes in een bepaald zoetzuur), kibbeh nayyeh (rauwe americain van lam gemixt met geweekte tarwe en kruiden), tabbouleh (verse kruidensalade met bulgur), labneh (soort van Libanese tzatziki).

Vooral die kibbeh nayyeh blijft me bij. Extreem lekker. Zeker als je het juist eet, want je hoort het op een stukje Libanees brood te smeren en te eten met de ingrediënten die op het bordje naast je liggen. Dat werd me net geruisloos geserveerd. Ui, verse munt, groene chili, radijs en olijven lachen me toe. Een vaste waarde in deze cultuur, dat bordje. Maar je hoort wel te weten bij welke gerechten ze thuis horen. Bij die kibbeh hoor je arak te drinken, de nationale pastis, drink of lions. Het hoort erbij omdat arak eventuele bacteriën in het vlees doodt. Ik pas. Mijn herinnering aan anijsdrankjes behoort niet bepaald tot mijn top 5 van beste momenten in mijn leven. Say no more.

Ik kus virtueel mijn vrouw en zoon en ga slapen. Morgen word ik om negen uur opgepikt door de taxichauffeur. Op zoek naar de bruid van het Midden-Oosten. Mooi gezegd. Gepikt uit een boekje.

Elie, mijn chauffeur, blijkt slager geweest te zijn en kan behoorlijk goed uit de voeten in de keuken. Wat een heerlijk toeval. Hoewel, toeval voor hem niet bestaat. Elie is namelijk een diepgelovige christen.

We hebben één match, een culinaire. Heb je al ontbeten? Hij troont me mee naar een lokaal adresje, Abou Abdallah, in een buurt waar geen toeristen komen. We eten samen Fool (bonen), bayd bi kawar- ma (omelet met gekruid gehakt) en opnieuw dat bordje. De ingrediënten zijn nog steeds dezelfde, alleen krijgt het nu een naam: jat khodra. Elie onder de arm nemen blijkt een goed idee te zijn geweest. Hij kent alle straten en buurten, spreekt Engels en is gastronoom. Maar bovenal is het een lieve man. Hij bestelt nog een bordje debes ter afsluiting, een soort zoete melasse gemaakt van druiven gemengd mat tahin, een pasta van sesamzaad.

De man heeft een plan met mij. Niet meteen mijn plan, want ik wil zo snel mogelijk de stad zien. Hij niet, hij neemt me mee de stad uit, de bergen in. Ik verzet me niet. Vreemd, want normaal ben ik diegene die beslissingen neemt. Het voelt nogal onwennig. Ik moet me ontspannen, maar vraag me af hoe dat moet. Ik werk eigenlijk voortdurend. Vanaf het moment dat ik mijn ogen open doe ben ik bezig. Tijdens het ontbijt handel ik mails af en begin te telefoneren. Op naar mijn eerste afspraak, opnamen, vergaderingen, koken. Dat is mijn tempo. Ik ben gezegend met een heerlijk leven. Ik scheid de dingen niet. Ik bén mijn werk. Maar hier voel ik me schuldig. Ik ben hier en mijn collega's zijn aan het werk. Ik voel me haast verplicht om te presteren. Om ervoor te zorgen dat iedereen gelukkig is.

We zijn net buiten Beiroet en het uitzicht is fenomenaal. Het leven is hier goed, zegt Elie. Hij gelooft in het huidige systeem waarin de macht verdeeld werd. De president is een christen, de eerste minister een soenniet en de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden een sjiiet. Soennieten en sjiieten vormen de twee grootste ideologische stromingen binnen de islam, die goed is voor zo'n zestig procent van de bevolking. Grofweg vier op de tien Libanezen zijn christenen. De koek is dus eerlijk verdeeld. Daarnaast bestaat er nog een minderheid van druzen. Zij noemen zichzelf het volk van de eenheid (Ahl al-tawheed). In de bergen ontmoet ik er een paar. Ze gaan gekleed in een soort MC Hammer-broek met een witte muts. Ze baten een bakkerij uit waar op authentieke wijze brood word gebakken op basis van volkoren bloem, water, zout en suiker. Saj bread. Vers gebakken is het van het beste wat er bestaat. Ik drink er Arabische koffie bij. Eindelijk koffie. Maar toch. Het is anders. Ik mag hier niet uit de hoogte doen want het smaakt wel degelijk. Je mag gewoon geen espresso verwachten. Ze koken de bonen in hun geheel en malen ze dan met de hand, samen met kardemom. Ik versta het niet zo goed, maar ik drink toch gretig een tweede kopje. Wat een vriendelijke mensen.

We rijden verder en ik begin Elie uit te vragen. Hij is 31 en groeide op in een kelder. Niet omdat ze geen huis hadden, wel omwille van bombardementen. Hij vertelt voorzichtig. De oorlog is taboe, hij ligt nog vers in het geheugen. Elie werd geboren tijdens de oorlog. Hij had niet de jeugd die ik heb gehad. Wat een kanjer van een tegenstelling krijg ik hier gepresenteerd. We zijn van dezelfde generatie, maar ik stelde mij tijdens mijn eerste communie aan toen het ijslam werd aangesneden, terwijl Elie hier bommen en granaten op zijn donder kreeg.

Elie vertelt voorzichtig zijn verhaal. Ze zaten de hele tijd in de kelder en mochten er om veiligheidsredenen niet uit. Zijn oma deed de boodschappen. Er werd plots hevig geschoten en ze vernamen in de kelder dat er een vrouw was omgekomen. Paniek. Hij was de jongste, maar de snelste, de behendigste. Tien jaar. Hij moest gaan kijken. Hij rende tussen de brokstukken en platgebombardeerde gebouwen door. De vrouw lag op de grond en onder het stof. Opluchting. Het was niet zijn oma maar zijn buurvrouw. "Ik kan zo de geur van de dood weer oproepen. Dat vergeet je nooit. Wij hebben zo veel meegemaakt dat het ons eigenlijk niks meer kan schelen. Als er morgen geschoten wordt, gaan we gewoon door met onze bezigheden. We hebben alles al gezien." Dat baart hem zorgen. De normen zijn vervaagd. De waarden weg.

Ik krijg een eerste tik. We rijden terug naar de stad. Stil, want ik besef dat dit slechts een van zijn vele verhalen moet zijn. Ik vertel wijselijk niks over mijn ijslam.

Het is al ruim in de namiddag en we trekken naar het noordelijke deel van de stad. De noordelijke dahia. Dahia betekent gewoon voorstad. Het is er anders dan in het centrum. We eten een sandwich bij Al Mazar, in El Bouchrieh. De sandwich is een soort wrap met een vulling naar keuze. Meestal gegrild vlees zoals kip of gehakt (kebab) maar ook specialere dingen zoals lamskloten en hersenen. Alles is op ijzeren priemen gespiest en ligt klaar. Ze grillen het voor je neus en rollen het met groenten op in een 'modern' broodje. Elie bestelt veel en laat alles halveren. Een man naar mijn hart. Vooral de lamskloten zijn bijzonder. Je bent pas een man in Libanon als je dit gegeten hebt, weet Elie. Ik eet alles op en voel me op en top man.

Elie rijdt me rond en legt de structuur van zijn stad uit. Je hebt twee dahia's. De noordelijk en de zuidelijke. De noordelijke is mixed area, hier wonen christenen en soennieten. De zuidelijke is van de sjiieten. Veel sjiieten zijn ook aanhanger van Hezbollah, een politieke partij maar ook een militante beweging met voornamelijk antiwesterse sentimenten. En dat klopt ook. Elie verbiedt me om het zuidelijke deel te bezoeken. Ik wil er naartoe maar iets zegt me dat ik hem beter geloof. Jammer, want ik word ertoe aangetrokken. Elie is een lieve kerel, maar katholiek en dus gekleurd. Ik blijf neutraal en wil geen oordeel vellen. Een verhaal heeft altijd meerdere kanten. In het geval van Libanon is het geen simpele kwestie. Het is complex en vooral religieus. Een heiden zoals ik moet dus extra inspanningen leveren om het te begrijpen, te vatten. Wat een zinloze oorlog was dit toch. Er werd alleen maar verloren. Maar goed, wie ben ik om daarover te oordelen?

Tussen de twee dahia's ligt het centrum met zijn dure en trendy wijken zoals Hamra, Achrafieh, Downtown en Beiroet Souks. Ultraveilig en zeer westers. Vroeger uitsluitend christelijk maar nu verdeeld. De moslims zijn talrijker dan vroeger. Ze noemden Beiroet vroeger het Parijs van het Midden-Oosten. Het blijkt te kloppen. Hamra is de winkelstraat zoals je bij ons de Meir of de Nieuwstraat hebt. Ketenwinkels voor iedereen. Beiroet Souks daarentegen is steriel en duur. Ik hoor Engels en veel Frans. Niet verwonderlijk, want Libanon stond tot 1943 onder Frans mandaat. Frans is hier "trendy". Een woord dat steeds minder bij me past. Niet dat ik per se anders of alternatief wil zijn, maar ik proef hier smakeloze, dure oppervlakkigheid. Alles is hetzelfde. De gebouwen zijn hypermodern maar identiek. De restaurants zijn franchiseformules zonder ziel, de vrouwen zijn beige met goud en wandelen aan de arm van gladjanussen met stijf gestreken kragen. Ze doen maar, maar ik ben hier weg. Ik struikel bijna over een bedelende man die door iedereen genegeerd wordt. De tegenstellingen stapelen zich op.

Ik dring aan om toch de zuidelijke dahia te mogen zien. Het klikt tussen Elie en mij, en na enig aandringen geeft hij toe. "Op voorwaarde dat je geen mensen fotografeert." Deal. Het is een indrukwekkend gezicht. Hoe gerenoveerd de noordelijke dahia en het centrum ook zijn, zo 'versleten' is de zuidelijke dahia. Je kunt hier onmogelijk naast de oorlog kijken, nog in 2006 kreeg deze wijk het een en ander op zijn donder. De Israëlische bombardementen waren niet zozeer tegen Libanon gericht, maar tegen Hezbollah.

De gebouwen hier zijn nog steeds getekend door kogelgaten en mortierinslagen. Mijn ogen kijken opeens in zwart-wit. Ik beeld me in hoe het hier zo kort geleden geweest moet zijn. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik een kogelgat zie. Ik denk aan Elies verhaal en kan het me nu ook helemaal inbeelden.

Elie heeft een chronisch sip gelaat, merk ik nu, ook als hij lacht. We rijden stil verder en de avond valt over de stad. De neonreclames springen aan. We trekken naar een trendy keet, gelegen aan de corniche, Beiroets paradedijk, met reuzenrad(je) en al. Ik volg Elie met enige tegenzin een blinkend witte keet met kille airco in, maar ik durf hem niet tegen te spreken.

Hij bestelt shisha. We gaan dus waterpijp roken. Ik laat hem doen. Het eigenlijke woord voor deze fruittabak is argeeli. Hij besteld een tabak op basis van appel, munt, limoen en aardbei. Hier hebben ze volgens hem de beste kwaliteit. Het is de nationale sport. Ze hebben geen FIFA maar wel SHISHA, grapt hij.

Een man komt met mijn pijp en steekt hem aan. Dat is zijn beroep. Professioneel aansteker. Ik houd het bij één pijp.Ik ben wat teleurgesteld want ik wil eigenlijk helemaal niet roken. Elie wordt wat losser en begint te vertellen. Hij mag niet roken van God, net zoals hij geen seks voor het huwelijk mag hebben. Bestaat dit echt nog? Ik respecteer zijn overtuiging zolang hij mij maar niet veroordeelt. Ik vertel hem dat ik 'in zonde' leef, ik ben een papa zonder christelijk huwelijk. Hij fronst voorzichtig en begint over zijn God te praten. Het lijkt alsof hij mij alsnog wil bekeren. Het is bij wijlen zelfs een beetje akelig. En ik ondertussen maar aan die pijp lurken. Tegenstelling nummer hoeveel? Ik ben de tel al kwijt.

Het is nog redelijk vroeg en honger heb ik niet. De lamskloten zakken langzamer dan verwacht. Elie dropt me aan het hotel en ik maak hem wijs dat ik ga slapen. Want na deze hersenspoeling durf ik hem niet te vertellen dat ik nog op zoek ga naar een leuke bar om een duivelse pint te drinken. Ik heb behoefte aan alleen-zijn.

Ik vertrek richting Gemmayzee Street. Eén enkele straat met alleen maar pubs. Veel trendy spul met jonge mensen.

Gaston oogt leuk want er zit niemand. Een bandje is aan het opruimen en er klinkt blues. Michel Abi Nader is eigenaar en staat achter de toog. Wat een toffe peer. Michel is christen maar niet praktiserend. Zo strikt als Elie zijn geloof belijdt, zo ruimdenkend doet Michel dat. Zelfde leeftijd, zelfde geschiedenis, zelfde geloof. Progressief en conservatief, zou je kunnen stellen. Ik heb een schuiladres gevonden. Overdag luister ik aandachtig naar Elie, 's avonds op de barkruk van Gaston kan ik relativeren.

Op weg naar het hotel denk ik aan Georges en zijn toekomstige leven. Hij mag van geluk spreken. Er bestaan slechtere plaatsen of omstandigheden om aan een leven te beginnen. Ik stuur een berichtje. Papa mist zijn kleine jongen.

Ik sta voor mijn doen vroeg op. Elie vroeg me gisteren te bellen voor het-maakt-niet-uit-wat. Ik bel hem. Ontbijten?

Deze keer rijden we naar een andere tent. Lokaler kan haast niet. "We'll have Libanese pizza". Fine by me. Het is een flinterdunne pizza die ze mana'ish noemen. Naargelang de topping verandert de naam. De authentiekste is de mana'ish met zaatar. Ik probeer het op de juiste manier uit te spreken, maar moet concluderen dat ik sommige klanken niet kan produceren. Misschien lukte het beter als ik geconstipeerd was, maar dat is nu niet het geval. Zaatar is een kruid dat erg op tijm lijkt en het wordt gemengd met sumac (gedroogde en vermalen besjes), sesamzaadjes, zout en komijn. Er komen nog verschillende mana'ish. De lekkerste vind ik de lahm bi ajeen, eentje met fijngemalen lam, tomaat, ui en chili. We drinken er yoghurt bij. Een geweldig stevig ontbijt. Laat de dag maar beginnen.

We rijden de stad uit in noordoostelijke richting, naar Baalbek. Ik begrijp Elie wel. Hij wil me Libanon laten zien. Beiroet interesseert hem eigenlijk niet. Hij wil mijn beeld over zijn land vormen. Libanon is een klein land. In één dag rijd je van noord naar zuid. Baalbek ligt tegen de grens met Syrië en is volledig sheaa, zoals ze de sjiieten hier noemen. En ook de Hezbollah is hier volop van de partij. Hun leider, Hasan Nasrallah, prijkt overal. Ik neem een foto van een Palestijnse universiteit (Galily) en word onmiddellijk aangesproken. Wat, wie, hoe en waarom. Het klinkt allemaal erg onvriendelijk maar dat is het eigenlijk niet. Dat verzekert Elie mij, die nu betrekkelijk neutraal blijft, wat ik bijzonder waardeer. We zijn allemaal mensen van God zegt hij. Het ding met de Arabische taal is dat het onvriendelijk en kwaad klinkt in onze oren, maar dat is nu net eigen aan die taal. De man was gewoon nieuwsgierig. Leg dan maar eens uit dat je geen journalist bent, maar een kok die voor een krant aan het werken is. Niet makkelijk. En een tweede foto neem ik niet.

Baalbek is de belangrijkste Romeinse site in Libanon. Een hoop oud gesteente waar je stil van het wordt. Ik vraag uitleg aan Elie, maar verder dan "It's a 'Romain' castle" komt hij niet. Ik vind dat uitermate grappig maar uit beleefdheid lach ik niet. Ik doe wel alsof ik hem niet versta om het hem nog eens te horen zeggen, "a Romain castle".

In gedachten ga ik naar de eerste eeuw voor Christus. De tour in en rond de Jupiter- en Bacchustempel is indrukwekkend. Hoe hebben ze dat geflikt?, dat is de hamvraag. Over ham gesproken. Het ruikt hier naar vlees. Mooi dus, die Romeinse site, maar ik ben afgeleid. Als een magneet word ik door de geur van gebakken vlees aangetrokken.

Het centrum van Baalbek is van het mooiste wat ik ooit zag. Iets droevigs en tegelijk weelderigs. Weer zo'n tegenstelling. De jeugd hier hangt wat rond, rookt shisha of loopt wat te pronken met niks. De oudere mensen doen hun boodschappen op de lokale markt die voornamelijk bestaat uit slagers.

Geslachte dieren hangen buiten in de zon te wachten op een mes dat hen verdeelt. Het lemmet reflecteert in de zon waardoor een gebundelde zonnestraal weerkaatst op de Jupitertempel en er een geheim graf openschuift. Stop. Dat was Indiana Jones, Meus. Ik leef me alleszins erg in. Ik hou hier ontzettend van. Een straatkind achtervolgt me en geeft aan honger te hebben. Wat doe ik, vraag ik aan Elie. Geef ik geld? Dat moet jij weten. Je kunt ze niet allemaal iets geven. Dat is waar, maar niets doen vind ik veel erger. Mijn vaderhart breekt, ik haal mijn geld boven, wandel naar een kraam en koop er enkele sfeeha, gekruid vlees, fijngemalen en gebakken in een fijn lapje deeg. Uitermate lekker, zeker als het vers uit de oven komt.

Ik vrees dat het jongetje liever geld had gekregen, want later vertelt Elie me dat de meeste bedelende kinderen werken voor volwassenen. Ze worden 's ochtends afgezet en 's avonds weer opgepikt en hun geld afgenomen. Je doet er dus beter aan ze iets te eten te geven. Dat hebben ze dan toch gehad.

We rijden terug naar de stad. Een twee uur durende tocht, die meer dan de moeite waard is. Elk zicht is een foto. Het landschap is onherbergzaam en puur. Ik las dat je in Libanon kunt skiën en aan het strand liggen op dezelfde dag. Het fantastische boekje Bet you didn't know this about Beiroet weerlegt dat enigszins. Het is fysiek mogelijk omdat de skipistes van Faraya een veertigtal minuten verwijderd zijn van de kust. Je kunt je skilaarzen en pak dus omwisselen voor bikini en zwembroek en gaan zwemmen. In tijd kan dat inderdaad. In temperatuur niet. Tenzij je opgroeide aan de Noordpool, voegt het boekje eraan toe.

We zijn terug. Elie vraagt of ik hem vandaag nog nodig heb. Ik bedank. Het is vroeg in de namiddag en ik ben volledig vrij.Ik trek me terug in mijn hotelkamer en begin de foto's in te laden. Verdorie, dat duurt langer dan ik dacht. Ik had al een lamsschoudertje in de oven kunnen garen. Ik lees ondertussen en telefoneer met het thuisfront. Alles prima met zoon en vrouw. Ik ben een gelukkig man die het erg getroffen heeft. Steph is mijn haven en wacht me aan wal altijd op. Een groot gevoel van dankbaarheid welt in me op.

Tegen de avond aan duik ik de stad weer in. In Hamra Street zijn pubs en nachtclubs. Ik dwaal rond, maar vind mijn draai hier minder, en dus wil ik terug naar Gaston. Maar eerst iets eten. In mijn schriftje staat nog een Anthony Bourdain-adres. Le Chef in Gemmayzee Street. Recht tegenover Gaston. Specialiteit: family food. De echte Libanese keuken, zoals de mensen ze thuis klaarmaken. Het kader is prachtig. Tot op de draad versleten stoelen. Een verzameling van hebbedingetjes aan muren en plafond. Religieuze en heidense afbeeldingen hangen stijlvol naast elkaar. Het eten laat ik over aan 'Le Chef'. Eerst komt er hommous bi kawarma (de klassieke hummus maar met gehakt erbij), daarna Roz Aa Djej (letterlijk, kip op rijst). Een heerlijk gerecht met boter- malse kip, rijst, noten, rozijnen en een saus op basis van kaneel.

Bij Gaston zit niemand, Michel vergadert, maar van de hippe barman krijg ik een gouden tip. "Probeer Torino Express eens. Ook in Gemmayzee Street." Zodra ik hier arriveer begrijp ik meteen waarom ik hier moest zijn. Mijn muziek, fris bier, toffe mensen. Dit is de oudste pub van de straat en toch is hij jong. Roy Orbison neemt naadloos over van Iggy Pop, waarna Frank Sinatra op moet. Eclectisch noemen ze dat zeker. Wel, daar hou ik van. Torino Express wakkert mijn emotionele bui aan en ik begin iets heel raars te doen. Automatisch, vanuit het niets begin ik mijn zoon te schrijven. De woorden komen vanzelf. Ik schrijf een brief naar hem met in gedachte een puberteit die er zonder twijfel ooit zal aankomen. Een tijd waarin, zo beeld ik me in, mijn vaderlijk gezag een dreun zal krijgen. Dan geef ik hem af. Hij is oprecht en uit het hart. Mijn tweede tik is een feit. Maar fijn. Het doet me deugd. Heel veel zelfs.

Ik slaap uit tot 10 uur. Ik heb pas later afgesproken met Elie. We gaan weer op pad, maar blijven in Beiroet. We rijden eerst wat rond en ik neem foto's. Als u in de jaren 70 en 80 de trotse eigenaar was van een Mercedes en u zich afvraagt waar die zou kunnen zijn, wel, die rijdt in Libanon. Ik vind ze prachtig.

Elie bidt dagelijks voor het behoud van zijn auto. Met 330.000 km op zijn teller worden zijn gebeden voorlopig gehoord. Totdat de joint de culasse het begeeft, want dat is de duivel. Dat weet ik.

We gaan eten in het Armeense restaurant Onno. Een verborgen juweeltje dat zelfs de locals niet kennen. Ik ken het via Anthony Bourdain. Broer en zus. Ultraklein. Maar wat eten we goed. Op mijn aandringen bestelt Elie zowat de hele kaart. Ik wil niet veel eten, ik wil vooral veel proeven.

Het begint super. Salades, gebakken aardappeltjes, lamstong, wijnbladeren gevuld met groentjes, kaasrolletjes, hummus. Nadien de warme gerechten. Steak Onno, kikkerbilletjes, gehaktballetjes met yoghurt en amandelen, kleine gevulde deegjes gevuld met vlees.

Maar het meest in het oog springen toch the little birds. Elie, een begenadigd jager, legt me uit dat deze little birds eigenlijk spreeuwtjes zijn die maar één keer per jaar gedurende één maand langs vliegen. Ze komen van Syrië en vliegen over Libanon naar Cyprus. Ik vraag me in stilte af of ze dit jaar met wat minder waren.

Het eten van spreeuwen en ortolanen is bij ons verboden. Ik vraag hoe ik dat moet eten. Wat met het karkasje? "Alles opeten. Kapot bijten die handel. De tanden erin", is het advies van Elie. Ik gehoorzaam, neem een stukje van dat moderne brood, vouw er een vogel in en smikkel het naar binnen.

Buitengewoon. Een smaak die ik nog nooit proefde. Echt geniaal. Het karkas is zacht en eetbaar. De lever en longen zitten er nog, waardoor de smaak zeer intens is. Nu ik ze heb binnengespeeld, schiet me opeens dat mooie liedje van Dolly Parton te binnen, 'Little Sparrows'. Ocharme.

Het schuldgevoel ebt snel weg bij het volgende gerechtje. Kleine gehaktballetjes met kersen, amandelen en gefrituurd brood. Het valt me op hoe goed Elie met zijn handen kan eten. Hij maakt echte mandjes met het brood waarmee hij eten schept. Hij probeert het me te leren, maar het is niet gemakkelijk. Eigenlijk eten ze met hun handen zonder ze vuil te maken.

We zijn dik gegeten. Echt decadent. Maar wat een ervaring. Elie had nog plannen maar die blazen we af. Het is al bijna avond. Ik trek met mijn fototoestel nog even de stad in.

Het licht is mooi. Ik ontdek enkele authentieke gebouwen die de oorlogen hebben overleefd. Ze zijn ronduit prachtig. Ik beeld me in hoe de stad er zou uitzien met alleen maar dit soort gebouwen. Koloniaal, met wiegende palmbomen, mooie tapijten en witte wuivende linnen gordijnen? Weelderige tuinen met mooie terrassen, kaarslicht, lage betegelde tafeltjes, dikke kussens in velours en damast, spelende kinderen, oosterse muziek, mooie vrouwen en heel veel lekker eten.

Maar niet dus. Jammer.

De gebouwen die men hier bouwde na de oorlog zijn om begrijpelijke redenen vooral functioneel. Veel middelen om ze mooi te maken hadden ze niet, waardoor Beiroet voor mij nu een stad is die bestaat uit rechte hoeken, beton en lijnen. Ook daar zie ik wel een bepaalde schoonheid in, zij het dan weer een droeve. Stephan zou hier prachtige foto's maken.

De avond valt als een sluier over de stad. Ik ben gerust want ik krijg een foto van Steph doorgestuurd. Georges slaapt.

Ik sta op, schrob mijn tanden, trek een propere onderbroek aan en trek erop uit. Nu ik de stad begin te kennen, voel ik me steeds beter op mijn gemak. De ongerustheid en de angst die mensen me aanpraatten, blijken volledig onterecht. Beiroet is een hartelijke stad waar je gemakkelijk en rustig in kunt bewegen.

Wat ook zalig is, is dat iedereen hier Engels of Frans spreekt. Wat een meerwaarde voor mij. Het boekje dat ik bij me had met Arabisch voor beginners, ligt veilig op de bodem van mijn valies. De zon schijnt. Ik wandel gewoon door de stad. Mijn manier van reizen. Ik ben niet de grootste museumbezoeker. Ik los graag op in het gewoel. Vind ik iets leuk of word ik geprikkeld, dan ga ik binnen en vraag uitleg. Met een oprechte interesse en een flinke portie beleefdheid en vriendelijkheid lukt alles.

Ik kom voorbij Yousawak, een lunchbar waar elke dag andere koks koken. Het zijn uitsluitend vrouwen uit de bergen die hier hun gerechten tonen in de vorm van een buffet. Alles is bio en family food. Ik snuif de sfeer op maar eet er niet. Ik spaar voor vanavond. Ik nodigde Elie en zijn verloofde uit. Ze 'praten' al twee jaar en zijn twee jaar verloofd. Vier jaar samen dus. Een mooi koppel. Ik kan me dat dus echt niet voorstellen. Geen seks voor het huwelijk. Ik verbied mezelf om eraan te denken. Twee maagden en een heiden samen op restaurant. Het lijkt wel een mop.

Rémy en Elie zijn zo lief voor elkaar. Ik leer behalve sukran (dank u) nog een ander woord, hadidi. Hadidi is schatje. Rémy, Elies vriendin, wil een foto van mijn zoontje zien. Ik krijg het weer. Krop in de keel. Mijn kleine hadidi. Ik mis Steph en Georges opeens enorm en wil naar huis. Het is goed geweest.

We eten in Al Mayas, vlakbij het hotel. Top. Zo lekker. Ik ken nu het geheim. Hier eten ze samen. Ze delen hun eten. Eten is hier echt een sociale gebeurtenis, in tegenstelling tot bij ons. Wij hebben allemaal ons eigen bord voor onze neus en we praten wel tijdens het eten, maar hier eten ze echt samen van dezelfde borden. Ik hou hier enorm van.

Eenmaal terug in het hotel nestel ik me helemaal alleen op het dak. Ik hoor een kerkklok en een minaret. Het typeert de stad perfect. Een Hummer raast voorbij een oude versleten Volvo Amazone. Een hippe rijkaard passeert een bedelaar. Het luxecomplex staat zij aan zij met een aan flarden geschoten krot. Dit is voor mij Beiroet ten voeten uit.

Ik begin met wat angst aan dit stuk te schrijven. En toch doet het me deugd en schep ik er plezier in. "Ik denk dus ik ben" werd me op school geleerd. Wel, dat heb ik hier in de praktijk gebracht. Een doordenker. Ik heb een drempel overwonnen want ook in mijn geest was misschien wel een verrechtsing aan de gang. Beiroet heeft me een les geleerd.

Ik schrijf tot diep in de nacht. Half vier. De batterij van mijn computer geeft aan dat ik nog acht minuten respijt heb. Ik wacht nog even en sla alles op. Op mijn computer bedoel ik dan, want vergeten zal ik dit nooit. Mijn gedachten zijn bij Michel, Elie en zijn vriendin, mijn broers, mijn ouders, mijn vennoten, mijn collega's maar bovenal bij mijn vrouw en zoon.

Ik vertrek. Zeg dag tegen Elie. Hij noemt me een rare Europeaan. Veel emotioneler wordt ons afscheid niet. Ik voorzag een huwelijkscadeau en geef het hem. Hij is dankbaar maar zijn droeve ogen blijven. Ik draai me om, leg mezelf weer zwijgplicht op om die meteen daarna eventjes te verbreken. Ik vraag een gesluierde moslimvrouw hoe oud haar kind is. Zes maanden, zegt ze. Ik zeg haar dat mijn zoontje drie maanden oud is. Ze lacht breed van onder haar sluier. Ook zij zien graag kinderen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234