Maandag 06/12/2021
Jeroen Olyslaegers: ‘Ik kan gewoonweg geen hedendaagse romans meer schrijven. Er liggen nu hele eeuwen voor mij open.’

InterviewBoeken

Jeroen Olyslaegers over nieuwe roman ‘Wildevrouw’: ‘Ik moest gewoon episch gaan’

Jeroen Olyslaegers: ‘Ik kan gewoonweg geen hedendaagse romans meer schrijven. Er liggen nu hele eeuwen voor mij open.’Beeld Joris Casaer

Met Wildevrouw troont Jeroen Olyslaegers (53) ons mee naar het explosieve Antwerpen van de 16de eeuw. Epicentrum van de actie: een herberg, waar de samenzweringen ons rond de oren fluiten.

“Ik hoop dat elke Antwerpenaar én het stadsbestuur dit boek in zijn armen sluit. Ik heb ook het gevoel dat ik iets teruggeef aan de stad. Ze mogen er zelfs mee uitpakken.”

Jeroen Olyslaegers vertelt het met een gulle armzwaai. Want ja, zijn roman Wildevrouw ademt Antwerpen in elke papiervezel, alsof je in een ­teletijdmachine naar de 16de eeuw bent gestapt.

De schrijver glimt zichtbaar van trots over zijn volvette en bovendien statig vormgegeven boek, wanneer ik hem spreek via Skype in zijn geïsoleerde schuiloord in de Franse Ardennen. Al kan die indruk ook ontstaan door de felle lamp die zijn woest bebaarde gezicht beschijnt. “Ik ben vooral ontzettend opgelucht dat Wildevrouw hier eindelijk fysiek naast mij ligt”, verzucht Olyslaegers. “Want op een bepaald moment ging ik bijna kopje-onder in alle materiaal.” Dat krijg je dan als je je obsessief in een onderwerp vastbijt.

Maar geen paniek. Na het veelvuldig bekroonde Wil, waarin de ambigue maar verwoestende jaren van de Jodenvervolging in Antwerpen centraal stonden, laat Olyslaegers meer dan ooit de verteller in zichzelf gloriëren. “Mijn boeken gaan nogal sterk op hun doel af en er moet vaart in zitten. Dat hield ik me altijd voor ogen.”

Via de lange biecht van de door schuld en schaamte geplaagde herbergier Beer sleept Olyslaegers ons in Wildevrouw met grote intensiteit mee naar de snelle metamorfose van een stad. Van ongezien optimisme en dadendrang in 1564 gaat het richting religieuze spanningen, honger, terechtstellingen én twisten, tot de stad uit elkaar dreigt te spatten door de Beeldenstorm. En dan voegt Olyslaegers er nog een behaarde ‘Wildevrouw’ en haar dochter uit het Noorden aan toe, aan wal gebracht door wereldveroveraars.

BIO

• geboren in Mortsel op 5 oktober 1967 • schrijver van romans en theaterteksten • debuteerde in 1994 met Navel • brak met Wil, het laatste deel van de trilogie Wij, Winst en Wil definitief door en won er o.a. de Fintro Literatuurprijs mee • ontving in 2014 de Arkprijs van het Vrije Woord • getrouwd met zangeres/schrijfster Nikkie van Lierop

Olyslaegers slaat nagels met koppen over hebzucht, opportunisme en religieuze zeloten. Maar hij demonstreert ook hoezeer de sinjorenstad toen een ongeëvenaard broeinest was van grote geesten, boekmakers en kunst. Jazeker, als hoofd van de Antwerpse toeristische dienst zou ik wel weten wat me met deze roman te doen staat.

Logische vraag: van het Antwerpen in de Tweede Wereldoorlog naar de sinjorenstad in de 16de eeuw, vier eeuwen terug in de tijd. Hoe bent u daar in godsnaam terechtgekomen?

“Geloof het of niet, maar in feite is het allemaal de schuld van Bruegel. Toen ik zijn schilderij Dulle Griet nog eens onder ogen kreeg in het museum Mayer van den Bergh, was het alsof de complete 16de eeuw zich voor mij ontvouwde. Bovendien liep er in Wenen net een grote Bruegel-overzichtstentoonstelling. De naïeve basisvraag was voor mij: hoe is het mogelijk dat Bruegel een controversieel doek als Dulle Griet in opdracht maakte? Welk gesprek hebben opdrachtgever en schilder gevoerd om juist in die gouden periode zo’n apocalyptisch schilderij te produceren? Kortom, Dulle Griet – dat wel eens een horrorschilderij is genoemd – was mijn portaal naar de 16de eeuw. Bovendien leken de vrouwen er de baas.

“Je weet misschien dat er in Wil twee referenties zaten aan Dulle Griet? Maakte ik daar mezelf de belofte dat ik van de 20ste in de 16de eeuw zou uitkomen? Who knows. Ik moet bekennen dat ik na Wil Antwerpen soms alleen nog maar door het prisma van WO II zag. Dat werd heel beklemmend. Toen ik met de research voor Wildevrouw begon, voelde ik zelfs dat ik niet meer kon schrijven op mijn oude stek in Zurenborg. Daarom plaatste ik in december 2017 een oproep om in een 16de-eeuws huis te gaan werken. Zo kwam ik in het Vleeshuis terecht. Ik had intuïtief een omgeving nodig om mij naar de middeleeuwen te transporteren.”

Dat is aardig gelukt, want het is alsof Olyslaegers de lezer via zintuiglijke sensaties door de Antwerpse straten van de turbulente scharnierperiode 1564 tot 1566 loodst. De research van de schrijver schemert er volop in door. Er is Bruegel himself maar ook cartograaf Abraham Ortelius en de wiskundige en astroloog John Dee, of de schurk Jan Grauwels die zich van eenvoudige scheepsverzekeraar ontpopt tot machtswellusteling die terreur organiseert. En tijdens het lezen zit je fluks van alles op te zoeken, over deze spirituele maar evengoed zeer aardse cocktail van fictie en non-fictie.

“Ik heb gepoogd om het waarheidsgehalte zo getrouw mogelijk te maken. Je moet de lezer de illusie geven dat alles klopt. Hoe creëer je dat praktische leven, dat zo extreem anders is dan nu? En hoe zorg je voor ooggetuigen? Juist daarom ging ik mij te buiten aan research.”

Olyslaegers benadrukt het voortdurend tijdens ons gesprek: dit boek stond of viel met voorbereidend onderzoek. En dat was wel degelijk duowerk. “Dit had ik absoluut niet alleen kunnen doen”, verzekert hij. “In Angelsaksische landen is het trouwens normaal dat je met een researcher samenwerkt, bij ons is dat nog amper ingeburgerd. Het was mijn vriend Stef Franck die als wegbereider fungeerde. We kennen elkaar al dertig jaar, onze vriendschap loopt door dit boek als een bloedbaan. Stef is geen historicus, hij heeft Germaanse gedaan, maar had wel een basisbiblio­theek over de renaissance en de middeleeuwen. Hij bood me de juiste studies aan en weet perfect wat ik bruikbaar vind.”

Toch was de zoektocht eerst doelloos, verzekert Olyslaegers. “In tegenstelling tot de Tweede Wereldoorlog was er veel minder overzichtsliteratuur voorhanden. En dan werd een belangrijk boek juist gepubliceerd toen ik al bezig was: Gelukkige stad van Jan Lampo, een vrij mooi overzicht van de Antwerpse 16de eeuw.”

Olyslaegers doet er niet geheimzinnig over: hij geeft grif toe dat de hele onderneming bijna faliekant afliep. “Toen ik in januari 2018 effectief begon te schrijven, zat ik op een lange trip richting de middeleeuwen. Maar toen had ik nog geen roman, hooguit een vertelling of een prentenboek van allerhande scènes. Helaas ook een vertelling die onophoudelijk doorging. Deze schrijver moest uit zijn eigen roes stappen. Dat is de dionysische kant van het schrijven, maar je hebt ook de Apollo-kant nodig. Voor mij niet zo evident. De plotlijn was nog niet helemaal wat ze moest zijn. Pas dit voorjaar spraken de redacteuren van De Bezige Bij mij streng maar rechtvaardig toe: ‘Nu is de trip voorbij. Vergeet je niet van Wildevrouw een roman te maken?’ Heel confronterend, omdat je toch veel vertelplezier hebt. Bij Wildevrouw was het gevaar om te ontsporen veel groter dan bij Wil. Er zijn uiteindelijk veertig pagina’s gesneuveld en vijf versies overgegaan, tot dit eindresultaat. Maar het is gelukt. En daar ben ik apetrots op.”

‘Ik moet bekennen dat ik na ‘Wil’ Antwerpen soms alleen nog maar door het prisma van WO II zag. Dat werd heel beklemmend.' Beeld Joris Casaer
‘Ik moet bekennen dat ik na ‘Wil’ Antwerpen soms alleen nog maar door het prisma van WO II zag. Dat werd heel beklemmend.'Beeld Joris Casaer

De krachttoer was wellicht om het persoonlijke met het maatschappelijke leven te kruisen. Dat laat u samenvloeien in het markante hoofdpersonage van herbergier Beer, die vanuit zijn vluchtoord Amsterdam bij God te biecht gaat.

“Qua verhaalsetting is een herberg perfect. De wereld van Beers herberg In den Engel aan het Zand is een microkosmos, maar tegelijk ook een plek waar de hele artistieke, politieke en spirituele wereld samenkwam. Bovendien stuitte ik op het boek Het mandement van Bacchus van Paul Verhuyck waarin 82 Antwerpse kroegen anno de 16de eeuw worden beschreven. Er staat in detail te lezen wat ze aan bier en wijn schonken. Dat was een regelrechte schatkamer.”

Er wordt in dit boek trouwens veel wijn gedronken. Elke deal wordt er langdurig mee bezegeld.

“Zeg gerust dat er verschrikkelijk veel wordt ­gezopen! (lacht) Je kon toen ook nauwelijks water drinken en ook kinderen dronken bier. Dat kunnen we ons nu niet meer voorstellen.”

Beer – what’s in a name – is een dubbelzinnig personage. Hij worstelt met zijn opportunisme. ‘Gij zijt gelijk de boter die over het gebraad loopt’, spreekt hij zichzelf toe. ‘Elke opportuniteit kon haken in een andere, het een bracht van alles en nog wat met zich mee.’

“Beer is zeker een opportunist. Maar in hem zit vooral ook een soort mannelijke hysterie verscholen, een gravitas. Bij die eerste lezing krijg je die hard binnen. Tegelijk is Wildevrouw een tragikomedie. Beer is voor mijn part een typische Olyslaegers-figuur. Zowel in Wij, Winst en Wil kwamen er personages voor die graag ergens bij willen horen. Dat is juist hun tragiek en daarvoor worden ze afgestraft. Met Beer heb ik wél een meer romantische figuur geschapen, een Job-figuur die zich vervloekt voelt. Zijn verhouding tot God is ook zeer complex.”

Het boek opent met zijn immense trauma: al zijn drie vrouwen sterven in het kraambed. Als lezer ben je meteen van de wijs. U geeft veel weg, waarom precies die scène?

“In 2017 was ik writer in residence in het Wintertuinfestival te Nijmegen. Ik logeerde daar toen in een van de weinige overblijvende 16de-eeuwse huizen. De huisbewaarder liet me geheimzinnig weten dat er spoken in het huis rondwaarden. En ja, daar zit je dan ’s nachts in je eentje. Toen bleek dat er in dat huis drie vrouwen tijdens hun barensweeën waren gestorven. Ik droomde daar heel plastisch over. Ze stonden aan mijn bed en kwamen de hele nacht terug. ‘Ho maar,’ zei ik, ‘ik verblijf hier maar eventjes, ik ben gast.’ Een krankzinnige droom, geef toe? Maar ik dacht wel meteen: ik ga dit gebruiken, want op dat moment had ik toegang tot de pijn van Beer. Want wat doe je met je leven als je zoiets hebt meegemaakt? Wat gebeurt er bij de eerste, tweede en derde dood?”

Waarna u de eerst zo verguisde vroedvrouw Margreet een grote rol schenkt. Zij wordt Beers sparringpartner?

“Ja, Margreet is een emanciperende kracht. Zij prikt zijn illusies door, ze is op de achtergrond steeds aanwezig. Zij is een continue realitycheck, die hem af en toe een slag in het gezicht geeft. Ik zorgde trouwens voor een sterke vrouwelijke aanwezigheid in mijn boek, zoals ook met de Spaanse Maria. Ik stopte daar veel energie in.”

En dat schuilt natuurlijk ook in de Wildevrouw, die op de proppen komt door een soort scheepstransactie uit het Noorden, met een harige vacht én een dochter. Beer exploiteert haar eerst als een soort kermisattractie?

“Ik had vanaf het begin af twee delen in mijn hoofd: een Wildeman-deel en een Wildevrouw-deel. Even heb ik zelfs getwijfeld of ik het boek niet Wildeman zou noemen. Wildevrouw staat grotendeels voor het verlangen van Beer. Het loopt parallel met hoe ik dat wilde wezen zelf ontdekte, tijdens het schrijven. Zij moest het verhaal naar een langzaam crescendopunt brengen. En er is die vreemde toenadering tussen Beer en haar. De wildeman en de wildevrouw staan trouwens sinds de 15de eeuw op het wapenschild van Antwerpen. Uiteraard fascineerde me dat: hoe die twee voor eenheid staan, als een heidense vorm van Adam en Eva, en hoe die eenheid slechts een droom is.”

Toch lezen we al vroeg dat de wildevrouw komt te sterven?

“Ik had genoeg vertrouwen in mijn materiaal om me dat te kunnen veroorloven, vond ik. Beer kijkt terug en herbeleeft wat er is gebeurd, vanuit Amsterdam, waar hij een nieuwe herberg opricht. Ik probeer zijn schaamte met noodlottige gevolgen te doorgronden. Beers gave voor zelfbedrog is groot.”

Opvallend hoe de boekdrukkunst een vooraanstaande rol speelt in de plot. Was dat toen echt zo’n wemelende microkosmos?

“De aanwezigheid van drukkers was alom bepalend. Er waren er toen ook onwaarschijnlijk veel actief, Antwerpen was een erg literaire stad. Vergeet ook niet dat Lof der zotheid van Erasmus een van de grootste bestsellers was na de Bijbel. Men las de klassieken met plezier en doorgrondde dat wel degelijk met ironie. Iemand als Christoffel Plantin drukte aan de ene kant verboden boeken voor de inquisitie, terwijl hij ook in opdracht van de kerk juist een lijst met alle verboden boeken drukte.

“Dat waren geslepen mensen, met dubbele agenda’s.

“Kijk ook maar naar hun rol bij het verspreiden van gravures. Bruegel vestigde daar eerst zijn reputatie mee, pas later kreeg hij naam met zijn schilderijen. De drukkers gaven hem een duw in de rug. En dan is er Mercator, die ervan overtuigd was dat in 1588 de apocalyps zou uitbreken, of cartograaf Abraham Ortelius. En de fascinerende John Dee die twee keer naar Antwerpen komt als heraut van de Engelse kroon. Die intellectuele vriendschappen prikkelden elkaar.”

‘Een jaar of tien geleden zag ik het eventjes somber in. De Jeroen Olyslaegers van toen verkocht zo’n duizend boeken.’ Beeld Joris Casaer
‘Een jaar of tien geleden zag ik het eventjes somber in. De Jeroen Olyslaegers van toen verkocht zo’n duizend boeken.’Beeld Joris Casaer

Mogen we zeggen dat u af en toe ook knipoogt naar de bibliothriller, genre Umberto Eco?

“Je mag het zelfs een vette knipoog noemen. Ter voorbereiding van Wildevrouw heb ik nog eens geprobeerd De naam van de roos te lezen. Maar het viel me op hoeveel literaire theorie daarin verscholen zit. Toen ik het boek destijds las, bleef me vooral de verhaallijn bij. Maar nu dacht ik: dit is een cursus semiotiek uit de jaren 1980. Daar wilde ik van wegblijven. Maar met een figuur als John Dee en al die kabbala, wiskunde en astrologie in zijn Monas Hieroglyphica (1564) had ik ook de Dan Brown-toer kunnen opgaan. Ook dat heb ik wijselijk niet gedaan.”

Het valt me ook op hoe u telkens het mercantiele benadrukt dat in haven-metropool Antwerpen steeds om de hoek komt kijken, zelfs bij het propageren van het geloof.

“Ik vind dat superfascinerend, die verbinding tussen het spirituele en intellectuele met handel. Die gretigheid waarmee zaken wordt gedaan, zoals de religieuze beweging Familie der Liefde naast een absoluut spiritueel besef ook winstbejag herbergde. Raar genoeg zijn dat juist de voorlopers van de loge in de 19de eeuw. Een van de weinige mensen die mij er in de hedendaagse tijd doet aan denken, is ondernemer Jo Colruyt. Hij is bezig met spiritualiteit en boeddhisme maar tegelijk een zakenman pur sang. Ik heb hem dat ook verteld: ‘U bent een nazaat van die mannen van de zestiende eeuw’.” (lacht)

Of moeten we ook denken aan Katoennatie-tycoon Ferdinand Huts, die zojuist de Boerentoren op de kop heeft getikt?

“Hij past zeker in dat rijtje zakenmannen dat kunst als prestige aanwendt. Huts beweert zelfs dat de Antwerpenaren het kapitalisme in de 16de eeuw uitvonden. Ik kan me wel voorstellen dat het voor socialistische Antwerpenaren nu even slikken is dat die Boerentoren in zijn bezit is gekomen. Maar ik ben nieuwsgierig, al pak ik Huts met veel kilo’s zout, zoals hij mij ook met evenveel kilo’s zout neemt. Hij heeft een cultuurideologische agenda, maar ik vind dat niet intimiderend.”

In Wildevrouw stoeit Olyslaegers met de historische context alsof hij er zelf bij was. En we merken hoe de wel erg barre winter van 1564 een kantelpunt vormt, de aanvoer van tarwe stremt, de spanning opgedreven wordt en het verzet tegen de Spaanse koning Filips II aanvuurt, mede door de protestantse ‘geuzen’ en kleine adel. Het zal uitmonden in de Beeldenstorm.

“Het cliché wil dat de religieuze spanningen de motor daarvan waren en voor een deel is dat zo. Maar dat is niet de enige verklaring. Follow the money, is mijn devies. Als er zoveel financieel verkeer heerst én vruchtbare handel, is er wantrouwen tegen een centraal gezag. Er was rijkdom, en men wist dat de Spaanse staat failliet was. Men wilde die niet zomaar depanneren. Het was niet zo slim van Filips II om Antwerpen religieuze dogma’s op te dringen en de accijnzen te verhogen, terwijl hij die stad echt nodig had. Hij wilde Antwerpen gebruiken om de putten te dempen die hij elders met oorlogen veroorzaakte.”

Olyslaegers stond weleens met het zweet in de handen toen hij die passages te boek stelde. “Er kwamen twee dingen op mijn pad waarvoor ik terugdeinsde. Ik wilde de Schelde op grootse wijze in Wildevrouw verwerken. Het kostte me twee weken voor ik de branie had om dat te doen. Ik moest gewoon episch gaan. (lacht) En waar ik die bevroren stroom beschrijf, wel, dat is nu een van mijn favoriete passages. Het tweede is: moest ik die Beeldenstorm wél in dit boek stoppen? Ik heb het erop gewaagd.”

En met verve, want het is een van de hoogtepunten van Wildevrouw, een roman waarin Olyslaegers zich als taferelenschrijver pur sang ontpopt. “Taferelen… Ja, dat is het precieze woord. Ik denk ook dat de Bruegel in mij naar boven kwam, door hem zo lang te bestuderen. De stijl is erg door hem beïnvloed.”

Zo is er een nogal prangende terechtstellingsscène waarbij twee dievenjongens aan een rad worden gehesen. “Dan wil ik dat de lezer de walging fysiek voelt, dat totale excessieve geweld ondergaat.” En opnieuw hanteert Olyslaegers regelmatig de gij-vorm. “Die ‘gij’ zit in mijn schrijf-DNA. En er zit ook wat bombast in, ik speel daar graag mee, je kunt ermee schakelen tussen het verhevene en het volkse.”

Die climax in Wildevrouw komt er als Antwerpen de wapens tegen zichzelf opneemt. “Dat is een van de merkwaardigste dagen uit de geschiedenis, dat een tiende van de Antwerpse bevolking elkaar naar het leven staat, 10.000 inwoners van de 100.000, op alle centrale punten van de stad, van de Meir tot aan de stadspoorten. En ik ontdekte hoezeer alles op geruchten was gebaseerd. Ik noem het de ‘vliegmare’, men was ontzettend vatbaar voor roddels. Maar, ach, is het nu anders, met onze nieuwscyclus van één uur? Velen zien nieuws tegenwoordig als meningen, vermomd als feiten. Er heerst een groot wantrouwen en dan blijven er uiteindelijk louter geruchten en heel veel meningen over.”

Bent u nu voorgoed bekeerd tot de historische roman?

“Ik vrees het. Ik kan gewoonweg geen hedendaagse romans meer schrijven. Er liggen nu hele eeuwen voor mij open. Ik heb enigszins het gevoel dat ik daar in Vlaanderen alleen mee sta, terwijl er aan het genre veel te vernieuwen valt. Al heb ik ontzag voor wat Stefan Hertmans deed met De bekeerlinge en nu De opgang. Van mij moet je trouwens de eerste decennia ook geen autobiografisch proza verwachten. Ik lees dat zelf niet zo graag, ik word daar niet opgewonden van.”

Op welke reacties hoopt u?

“De ontvangst van een boek is een vreemd ding, ik zit daar altijd met verbazing naar te kijken. Met Wil was ik er honderd procent van overtuigd dat ik een controversieel boek had geschreven. Maar er gebeurde juist het tegenovergestelde: het werd met een grote golf van liefde ontvangen. Het was bijna een therapeutisch moment: ‘De Tweede Wereldoorlog is nu nog wat duidelijker geworden voor ons, dank u wel Jeroen’. Niemand die zei: ‘Die klootzak van een Olyslaegers heeft de mensen kwaad gemaakt’. (grinnikt) Nu hoop ik natuurlijk dat heel Antwerpen Wildevrouw in zijn armen sluit.”

Ook het stadsbestuur, zei u. Maar toch neemt u in Wildevrouw voortdurend de schouten, zoals ze toen heetten, schalks op de korrel. Of bent u tegenwoordig toch eerder de man van de verzoening, zo lijkt het op uw Facebookpagina?

“In mijn denken over macht en hoe die wordt aangewend, ben ik ongetwijfeld milder en genuanceerder geworden. Ik geloof in verantwoord leiderschap. Misschien ben ik wel in het centrum beland, waar tegenwoordig niemand meer zit. (lacht) In tijden van Occupy was ik radicaler en kwader. De samenleving was nog niet zo gepolariseerd. Ik voel me nu ook gedwongen tot meer compromisdenken, zeker in die onoverzichtelijke coronadebatten.”

Wordt het harder werken om dit boek de wereld in te sturen in coronatijden?

“Misschien, maar ik wil niet klagen, zeker omdat ik na Wil behoor tot de auteurs met makkelijke mediatoegang. Ik deed wél al eerder een oproep om boeken rechtstreekser naar de lezer te brengen. Ik ga ook langer promotie voeren, ik zie dat als een vorm van generositeit. En er is mijn Facebook-lezerscommunity waar ik al vroeg op inzette. Het valt me wel op dat er nu verschrikkelijk veel boeken tegelijk verschijnen en dat die allemaal rap-rap een plek moeten veroveren. Ik zie veel ambitie, gezonde concurrentie en veel straffe boeken. Maar toch moeten we uitkijken dat niet alle aandacht weer naar dezelfde auteurs gaat. Of dat het een survival of the fittest wordt.”

Hoezo dan?

“Het ligt niet in ieders aard om de digitale boer op te gaan. Er zijn veel midcareer-auteurs die wel een duwtje in de rug kunnen gebruiken. In die zin ben ik blij dat er een nieuwe Vlaamse literatuurprijs van 50.000 euro aankomt, met ook een jongerenprijs. Ik kan getuigen dat prijzen belangrijk zijn, nadat ik met Wil de Fintro Literatuurprijs kreeg. Het boek werd nog succesvoller. En toch besef ik dat ik geluk heb gehad.”

Ook omdat u doorbrak op latere leeftijd?

“Ik ben geen pessimist, maar een jaar of tien geleden zag ik het wel degelijk somber in. De Jeroen Olyslaegers van toen verkocht zo’n duizend boeken. Ik moest me telkens zorgen maken of een uitgever de rekensom zou maken en me nog wel wilde uitgeven.”

Was dat frustrerend?

“Dat is niet het juiste woord. Tot mijn grote verbazing was ik een koppige overlever. Ik beschouwde mezelf niet als een man met een ruggengraat. Achteraf bleek van wel. Ik ging ook niet jammeren: waarom overkomt het succes mij niet? Als ik wilde dat er iets gebeurde, dan moest ik zélf iets ondernemen. En dat heb ik gedaan. Ik had mijn lesje geleerd bij mijn grote held Louis Paul Boon, die zich in zijn laatste jaren helaas van iedereen afkeerde. Die periode was hartverscheurend, terwijl hij na Pieter Daens zo veel erkenning had gekregen. Hij saboteerde zichzelf. Wel, dat ging mij nu eens niet overkomen, zie.”

Op wildevrouw.be staan achtergrondessays van Jeroen Olyslaegers en Stef Franck.

Jeroen Olyslaegers, ‘Wildevrouw’, De Bezige Bij, 420 p., 25 euro. Beeld Jeroen Olyslaeghers
Jeroen Olyslaegers, ‘Wildevrouw’, De Bezige Bij, 420 p., 25 euro.Beeld Jeroen Olyslaeghers
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234