Zaterdag 21/09/2019
Noors premier Jens Stoltenberg.

Interview

Jens Stoltenberg: ‘Pas 48 uur na de aanslag ben ik in huilen uitgebarsten’

Noors premier Jens Stoltenberg. Beeld AFP

Dit interview verscheen in De Morgen op 8 oktober 2011. We publiceren het opnieuw naar aanleiding van 40 jaar De Morgen.

Net zoals zijn land na de aanslagen door Anders Breivik nooit meer hetzelfde zal zijn, heeft de terreurdaad ook de Noorse premier veranderd. Maar in een uitzonderlijk openhartig interview in Oslo verzekert Jens Stoltenberg ons dat zijn geloof in openheid en democratie niet is aangetast. ‘Ik ben niet naïef geweest’.

Hij heeft helse weken en maanden achter de rug, zegt hij. “Maar het allermoeilijkste moment was toen ik de ochtend na Utoya naar het hotel ging waar overlevenden en familieleden waren verzameld. De jongeren waren in shock. Ze hadden vrienden voor hun ogen zien sterven. Sommigen hadden twee uur op een klein strand gezeten met de dode lichamen rondom zich. Dat is meer horror dan de meeste soldaten zien tijdens een oorlog. Ouders waren uit heel Noorwegen ’s nachts naar Oslo gereisd. Toen ik de lobby van het hotel binnenkwam, was net de lijst met de namen voorgelezen van jongeren die gewond in het ziekenhuis lagen. Bij de ouders die hun kind niet hadden gevonden in het hotel of wier naam niet was afgeroepen, drong op dat moment het besef door dat hun kind het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet had gehaald.

“Ik ging het hotel binnen, mensen zaten in kleine groepjes bij elkaar. Ik ging zitten bij de eerste familie die ik trof. Ze huilden en vertelden me over hun zoon of dochter. Ik probeerde hen te troosten. Dat was hard. Na een kwartier stond ik op. Ik verplaatste me een halve meter en ging bij het volgende gezin zitten. En dan bij het volgende en het volgende en het volgende... Er kwam geen einde aan de treurende families.

“Ik stond mezelf niet toe om te huilen. Ik voelde heel sterk dat het mijn taak was om te troosten en om er te zijn voor hen die hun geliefden hadden verloren. Toen ik het hotel binnenkwam, leefden sommigen nog in de hoop dat ze hun kind levend zouden terugvinden. Ze dachten dat zijn of haar naam misschien vergeten was op de lijst van de overlevenden, dat er een vergissing was gebeurd. Bij het binnengaan sprak ik een moeder die zei te hopen dat haar dochter nog in leven was. Vele uren later, toen ik het hotel verliet, liep ik dezelfde vrouw tegen het lijf. Ze huilde en zei dat ze hoopte dat haar dochter niet te veel had geleden voor ze stierf.”

Jens Stoltenberg zet de toppen van zijn vingers gespannen op elkaar. Even een korte pauze. We zitten in de woonkamer van zijn elegante residentie in een groene wijk van Oslo, pal achter het koninklijk paleis. De open, warme blik van de Noorse premier heeft een intens verdrietig patina gekregen. Van zijn gezicht zijn nog altijd de schok en het onbegrip af te lezen over wat zijn land is overkomen. Dan schieten zijn ogen weer vol leven. Haast gretig vertelt hij hoe die helse dag in juli begon. Alsof hij het allemaal zelf nog moet verwerken, door zijn verhaal steeds opnieuw met anderen te delen.

“Daar zat ik te werken.” Stoltenberg draait zich half om in zijn stoel en wijst naar zijn bureau. “Het was vrijdag 22 juli, iets voor half vier. Ik was de speech aan het voorbereiden die ik de volgende dag zou geven op Utoya. Opeens hoorde ik een dof dreunend geluid in de verte. Seconden daarna ging mijn gsm. Een van mijn naaste medewerkers hing hijgend aan de lijn. ‘Ben je ongedeerd’, vroeg hij. Ik begreep niet wat hij bedoelde. ‘Natuurlijk. Waarom vraag je dat?’, antwoordde ik bijna laconiek. ‘Er is een explosie geweest in het regeringsgebouw. We weten nog niet of het een aanslag is. Ik ren nu de trap af want de liften doen het niet. De verwoesting is enorm. Blijf waar je bent. Ik kom naar je toe.’

“Van de politie vernam ik dat er een bomauto ontploft was voor mijn kantoor in het centrum. Pas toen mijn medewerker hier in mijn ambtswoning arriveerde, drong de ernst van de situatie tot me door. Hij had een grote wonde op zijn voorhoofd, zijn kleren hingen vol bloed. Op slag besefte ik hoe enorm de vernieling moest zijn. Mijn collega was aan het werk op de vijftiende verdieping en hij was er al zo slecht aan toe. Hoe erg was het dan niet gesteld met de mensen lager in het gebouw?

“Ik begreep meteen dat ik het doelwit was. Natuurlijk wel. Ik ga elke dag het regeringsgebouw in en uit. Toch voelde ik me niet bang. Zo is mijn aard, ik voel me niet snel onveilig. Terwijl we hier in de woonkamer stonden te praten, kwamen twee bewakingsagenten binnengelopen. Ze zeiden dat we naar de beveiligde bunker moesten. Ik vond dat overdreven. Waarom moesten we daar in dat kleine kamertje in de kelder gaan zitten? Maar ze drongen aan. Ze vreesden een tweede aanslag. Terecht, bleek later.

“De ministers die op dat moment in Oslo waren, kwamen meteen hierheen. Vanuit de kelder begonnen we te werken. We namen alle ruimtes beneden in beslag. Zelfs in de fitnesszaal zaten we met mobiele telefoons en laptops te overleggen, met politie en reddingsdiensten. Het was hectisch, maar we deden wat we konden om zoveel mogelijk levens te redden.

“Iets na vijf uur kwamen de eerste telefoontjes vanop Utoya. Ik kende daar heel veel mensen. Het was de jongerenafdeling van mijn partij die er haar jaarlijkse zomerkamp hield. Terwijl de schietpartij nog aan de gang was, belden mensen vanop Utoya mij en mijn collega’s op onze mobiele telefoons. Jongeren die zich in doodsangst probeerden te verstoppen. Ook ouders belden die hun kinderen hadden gesproken of sms’jes van ze hadden gekregen.

“Die eerste uren na de aanslagen waren zo verschrikkelijk verwarrend. Wat in Oslo was gebeurd, konden we vatten. Daar was een bom afgegaan in een fysiek beperkte ruimte. Daar konden we de slachtoffers tellen. Maar het was enorm moeilijk om een precies beeld te krijgen van wat zich op Utoya had afgespeeld. Toen ik die avond vanuit de kelder mijn eerste persconferentie gaf, rond half elf, lag het officiële dodenaantal op tien. We begrepen toen al allemaal dat dat een veel te lage schatting was. Zouden het er twintig, dertig, veertig zijn... niemand kon het zeggen. Die nacht deed ik geen oog dicht.”

Uiteindelijk zou blijken dat Anders Behring Breivik op Utoya 69 mensen, overwegend tieners en prille twintigers, in koelen bloede had afgemaakt. Hij riep zijn weerloze slachtoffers dingen als ‘Hoera!’, ‘In de roos!’ of ‘Hebbes!’ toe nadat hij ze beheerst had neergeschoten, getuigden overlevenden later. Bij de bomaanslag in het centrum van Oslo vielen acht doden.

Voor Jens Stoltenberg brak een emotioneel afmattende periode aan. Hij werd persoonlijk getroffen door het drama. Hij verloor vrienden en collega’s, veel jonge beloftevolle politici uit zijn partij gingen heen. Toch loodste hij zijn land door de ergst denkbare nachtmerrie met een verbazingwekkende moed en bewonderenswaardige sereniteit. “We zullen deze aanslag beantwoorden met meer democratie, meer openheid, meer menselijkheid”, zei de premier meteen in de eerste uren. Die boodschap zou hij blijven herhalen, ook tijdens de vele begrafenissen en herdenkingsplechtigheden die hij bijwoonde in de weken die volgden.

Stoltenberg toonde zich een indrukwekkend staatsman. Niet bang om zijn verdriet en kwetsbaarheid te tonen - meermaals huilde hij in het openbaar - maar tegelijk vastbesloten in zijn onwil om zijn land aan wraak ten prooi te zien vallen. Hoewel met gekraakte stem uitgesproken, weerklonk zijn boodschap van verdraagzaamheid luid over de hele wereld. Stoltenberg zou niet toelaten dat de slachting zou worden aangewend om (vermeende) rekeningen te vereffenen.

Mijnheer Stoltenberg, u wordt alom geprezen om uw waardige reactie, maar het moet ontzettend zwaar voor u zijn. Waar haalt u de kracht vandaan?

“Die eerste dagen was er natuurlijk heel veel werk. Ik had geen tijd om stil te staan. Dat was goed, het hield me op de been. Als je te veel nadenkt, word je te emotioneel en kun je niet meer adequaat handelen. Pas op zondagochtend, 48 uur na de aanslagen, ben ik voor het eerst in huilen uitgebarsten. Meteen na het ontwaken zag ik de voorpagina van de krant. Daarop stond in grote letters: ‘We zijn allemaal jong-socialisten’. Toen werd het me even te machtig.

“Mijn familie is een belangrijke steun voor me. Ik haal ook veel kracht uit mijn ontmoetingen met slachtoffers en nabestaanden. Het troost me dat ik een troost voor hen kan zijn. Het is zalvend te zien hoe Noorwegen gereageerd heeft op de aanslagen. Hoe mensen voor elkaar hebben gezorgd, hoeveel warmte en solidariteit er is losgeweekt. Het is de vreselijke paradox van 22 juli: het was de hel, maar tegelijk heeft het zo veel goeds gemobiliseerd bij de Noren. Ik ben trots op mijn land.”

Wist u meteen hoe u moest reageren? Na terreuraanslagen weerklinkt doorgaans luid de roep om wraak en repressie. Kijk naar hoe president George Bush reageerde na de aanslagen van 9/11.

“Het doel van een terroristische aanslag is om de democratische samenleving ten gronde te richten door angst en paniek te zaaien. Terroristen willen minder openheid en meer repressie. De beste manier om ze het zwijgen op te leggen, is net het tegenovergestelde te doen van wat ze willen.

“Ik heb geen moment getwijfeld over mijn antwoord aan de terreur. Ik geloof heel sterk in openheid en democratie. Dat zijn basiswaarden die ik koester als sociaaldemocraat én als mens. Het zijn ook de pijlers van de Noorse samenleving. Noorwegen is een land met veel vertrouwen. Als we in een peiling de vraag stellen of mensen hun buurman vertrouwen, liggen de scores altijd erg hoog. Veel Noren doen hun huizen ook niet op slot als ze weggaan. Of ze leggen de sleutel gewoon onder de deurmat. Ook het feit dat politici bereikbaar zijn, vinden we heel normaal. Ik ging voor de aanslagen altijd te voet naar mijn kantoor (de ambtswoning en de regeringskantoren liggen op twintig minuten wandelen van elkaar, IDG) en daar hecht ik veel belang aan. Omdat ik dan mensen - gewone Noren - kan ontmoeten.”

Denkt u niet dat u toch naïef bent geweest en te veel vertrouwen hebt gehad in uw burgers? Breivik, een Noorse jongeman die hier letterlijk om de hoek is opgegroeid, nam u recht in het vizier.

“Neen, ik heb niet het gevoel dat ik naïef ben geweest. Eerst en vooral hebben we de veiligheidsmaatregelen de voorbije jaren wel degelijk opgevoerd. Toen ik in 2000-2001voor het eerst premier werd, had ik geen bodyguards. Ik wandelde alleen op straat, ging zonder beveiliging hardlopen of skiën of met mijn gezin op vakantie. Na de aanslagen van 11 september in New York, na de moord op de Zweedse minister Anna Lindh in 2003 en tijdens de Noorse deelname aan de oorlogen in Afghanistan (die het land op dreigementen van moslimfundamentalisten kwam te staan, IDG), veranderde dat. Ik kreeg bodyguards, overheidsgebouwen in Oslo werden zichtbaar beveiligd.”

Toch kon Breivik vrij zijn busje, dat volgestouwd zat met munitie, parkeren voor uw kantoor, op de stoep zelfs. Niemand reageerde. Zeker nu weerklinkt de roep om meer beveiliging en antiterreurmaatregelen weer luid.

“Het is een discussie die we zeker moeten voeren. Ik verwelkom het debat, maar ik vind het belangrijk dat de afstand tussen politici en burgers zo klein mogelijk blijft. We moeten ook niet zo naïef zijn om te denken dat meer beveiliging ons zal behoeden voor terroristische aanslagen. Kijk naar andere landen die veel meer in veiligheidsmaatregelen investeren dan Noorwegen. Ook zij zijn de afgelopen jaren hard getroffen door terreur.

“Kijk naar de Verenigde Staten. Naar Spanje dat zich al decennia bewapent tegen de Eta. In 2004 ontplofte een bom op een treinstation in Madrid. Kijk naar Groot-Brittannië, dat al zolang een gevecht levert met de IRA. In 2005 verwoestte een bom in de Londense metro het leven van zoveel mensen.”

U pleit hartstochtelijk voor een open en democratisch Noorwegen, maar toch zei u in interviews dat uw land onvermijdelijk zou veranderen na 2011. In welke zin dan?

“Ik heb gezegd dat er onvermijdelijk een Noorwegen zal zijn van voor de aanslagen en een Noorwegen van na 22 juli, maar dat ik tegelijk hoop dat we Noorwegen nog zullen herkennen.

“De terreuraanslagen worden een deel van onze geschiedenis en van onze identiteit. Ze waren het absolute kwaad en onvoorstelbaar wreedaardig, maar ik hoop dat ze ons toleranter zullen maken.

“Veel Noren dachten onmiddellijk aan een moslimterrorist toen ze hoorden van de aanslagen. Later die dag bleek de dader een blanke etnische Noor te zijn die zijn christelijke geloof aanwendde als motief voor zijn daad. 22/07 was een confrontatie met onszelf, met onze eigen vooroordelen.

“Op een bepaalde manier is dat iets goeds dat uit het kwaad is voortgekomen. Het bewustzijn is gegroeid dat het niet etnische groepen zijn die terreur plegen maar individuen. Of ze nu bruin of zwart of blank zijn.”

Was het toch niet in enig opzicht een opluchting voor u en uw regering dat de dader geen moslimfundamentalist was?

“We weten niet hoe de Noren dan gereageerd zouden hebben, maar ik hoop met evenveel warmte en solidariteit.”

Breivik viseerde uw partij omdat hij vond dat u te laks bent als het om migratie gaat. Hoe tolerant Noorwegen ook is, ook in uw land woedt het migratiedebat volop.

“Net als in de andere Europese landen is migratie hier een belangrijk politiek thema. Er wordt veel over gedebatteerd en dat juich ik toe. We moeten aanvaarden dat daarover uiteenlopende standpunten bestaan.

“Ik zal altijd het recht op extreme meningen blijven verdedigen. Die moeten geuit kunnen worden in een democratie. Maar ik zal nooit ofte nimmer aanvaarden dat mensen geweld gebruiken om hun mening aan andere mensen op te dringen.”

Maar extreme standpunten moeten kunnen?

“Extreem in de zin dat ze heel erg verschillend zijn van mijn standpunten. In Noorwegen gaan stemmen op om de grenzen volledig te sluiten voor migranten en asielzoekers. Daar ben ik het niet mee eens, maar ik moet accepteren dat mensen dat vinden.”

Een vierde van de Noren steunt de rechts-populistische Vooruitgangspartij waar Breivik een tijd lid van was.

“Het zou heel erg verkeerd zijn om Breivik met die partij of met andere nationalistische partijen te vereenzelvigen, ook al zijn er misschien overeenkomsten in hun standpunten. De Vooruitgangspartij respecteert de regels van de democratie. Ze gebruikt geen geweld. Dat is een essentieel verschil.”

Heeft u als sociaaldemocraat een medicijn tegen de rechts-populistische partijen die overal in Europa het migratiedebat domineren?

“Mijn partij is de afgelopen jaren vrij strikt geweest als het om migratie gaat. We accepteren dat er verschillende culturen en godsdiensten zijn, maar de mensenrechten moeten gerespecteerd worden. Vrijheid van meningsuiting, gelijke rechten voor man en vrouw, het gezag van de wet: dat zijn basisprincipes die gelden voor iedereen. Religie kan geen motief zijn om vrouwen te discrimineren of om gedwongen huwelijken af te sluiten. Daar zijn we heel duidelijk over.

“Migranten moeten Noors leren. Ze moeten participeren aan de maatschappij en gaan werken. Een uitkering ontvangen zonder dat je daar iets tegenover plaatst, dat kan niet. Daar zijn wij als sociaal-democraten heel strikt in. Het verklaart waarom we twee nationale verkiezingen op rij hebben gewonnen, in 2005 en 2009.”

De Duitse bondskanselier Angela Merkel verklaarde eerder dit jaar dat de multiculturele samenleving mislukt is. Wat vindt u daarvan?

“Het is me niet helemaal duidelijk wat ze daarmee bedoelde. Migratie is een moeilijk debat en daarom moeten we er heel genuanceerd over discussiëren. Wat de multiculturele samenleving betreft: die is gewoon een feit, of je dat nu wilt of niet. We moeten manieren vinden om ze leefbaar te houden.”

De Noorse politie en staatsveiligheid kregen bakken kritiek na de aanslagen. Er stond geen helikopter klaar, de politie nam niet de kortste weg naar Utoya, de staatsveiligheid heeft de dreiging die van Breivik uitging mogelijk onderschat. U heeft een onafhankelijke onderzoekscommissie geïnstalleerd. Bent u niet bang dat ze tot conclusies zal komen die uw regering in moeilijkheden zullen brengen?

“Het antwoord op die vraag is volmondig neen. We moeten eerlijk en wars van ieder sentiment onderzoeken hoe het Noorse veiligheidsapparaat gereageerd heeft op de aanslagen. Ik behoor tot de groep van mensen die daar net het meeste belang bij heeft. Ik heb veel vrienden verloren op Utoya, mensen die bij mij op kantoor werkten zijn gestorven. Het interesseert me oprecht om te weten wat we in de toekomst anders en beter kunnen doen.”

Ziet u zelf al dingen die fout gelopen zijn?

“Laat me eerst en vooral nog eens benadrukken dat er er maar één man verantwoordelijk is voor dit geweld en dat is de dader. Ten tweede kan geen enkele maatschappij zich verdedigen tegen dit soort terreur. Breivik was een eenzame wolf. Die kom je moeilijk op het spoor omdat hij geen organisatie achter zich heeft. Wat wil je dan doen? Natuurlijk kun je een hek bouwen rond overheidsgebouwen, maar je kunt en wilt toch geen politiemacht sturen naar jeugdkampen of muziekfestivals? Wat we zeker moeten evalueren, is de reactie van de politie. Kwamen ze snel genoeg in actie? Hebben we voldoende helikopters? Hebben we meer politieboten nodig? Daaruit kunnen we leren.”

We zijn nu meer dan twee maanden na de aanslagen. De officiële rouwperiode is voorbij. Lukt het Noorwegen om de draad van het gewone leven weer op te pikken?

“Dat is moeilijk, maar we moesten terug naar een soort van normaliteit. We moeten vooruit, het kan niet anders. Ik maak me wel zorgen om de jongeren die niet terug kunnen naar het normale leven. Veel overlevenden zijn ernstig gewond. Het exacte aantal heb ik niet, maar veel jongeren blijven gehandicapt. Ze zijn een arm of een been kwijt, ze staan voor lange maanden en jaren van revalidatie. Anderen zijn mentaal gewond en zullen dat blijven voor de rest van hun leven.

“Ik hoop dat we als maatschappij genoeg aandacht voor hen zullen blijven hebben. Als premier doe ik wat ik kan om te garanderen dat ze voldoende professionele hulp krijgen. Maar we moeten er ook als mens voor hen zijn.”

Hebt u Utoya sinds de aanslagen al bezocht?

“Ik ben teruggekeerd met de overlevenden en nabestaanden voor een herdenkingsdienst. Het was een vreemde ervaring. Ik had er heel ge- mengde gevoelens bij. Zoals ik in mijn toespraken heb gezegd, was Utoya het paradijs van mijn jeugd, en is dat de hel geworden. Ik heb de plaats bezocht waar zoveel mensen vermoord zijn, maar ik zag er ook hoe jongeren elkaar troostten en steunden. Dat was hartverwarmend. Het was opnieuw die paradox van 22 juli.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234