Woensdag 16/10/2019

'jeanne is jeanne

en Katrien is katrien'

Het grote publiek kent haar eendimensionaal, via VTM, als Jeanne, binnenkort te zien in het vijftiende seizoen van De kotmadam. 'Een klein doorslagje van het leven', noemt Katrien Devos haar rol. Het scherm heeft haar de voorbije vijftien jaar niet alleen getoond, maar ook verstopt. Katrien Devos is rock-'n-roll, een fragmentatiebom van gevoel, een vat vol zintuiglijke belevingen, en redelijk huiverig voor de platitude en de bloemetjesjurk.Ik zit vol indrukken. Je ziet dat hier ook vertaald, in dit huis. Het is één georganiseerde chaos. Een andere mens wordt er heel onrustig van. Voor mij zijn al deze spullen bijeen mijn noodzakelijke referentiepunten. Alsof ik mezelf wil blijven wijzen op wat deel uitmaakt van mijn leven. Het zijn de herinneringen die ik meeneem naar vandaag. Ze staan hier, zijn mijn maatjes rondom mij: foto's, de kast van mijn mama, schilderijen, speelgoed, een meubelstuk van mijn tante, tafels uit Mexico. Niets is zonder reisverhaal of familiegeschiedenis. Ik hou van deze bombast, ik moet die caleidoscoop zien van zaken die mijn innerlijke rijkdom in de vorm van materie vertolken. Ik moet die dingen kunnen betasten, eraan ruiken, ze laten refereren aan wat ze vroeger waren voor ik ze vond, uitkoos en naar hier meebracht. Ik voel me hier soms als het kind dat op de kermis staat te piekeren over welke draaimolen het zal nemen. Mijn geordende chaos zorgt er vooral voor dat ik de invulling van het woord verveling maar niet vind. Ik kan mezelf ook maar node tot de orde roepen. In mijn werk ben ik intussen geroutineerd, maar mijn vrije dagen kun je vergelijken met de vrije dagen van een kind. Dat kind trekt dan naar de tuin om hem vierkante meter per vierkante meter in te nemen. Ik laat mezelf los lopen, nog altijd. Dat kan deze vijftiger maar niet kwijt geraken. Ik blijf me verliezen in de impulsen van buitenaf en kan te allen tijde verrukt blijven."

"In alles ben ik een laatbloeier geweest. De humaniora heeft helaas een bruuske lijn dwars door mijn leven getrokken. Een zeer ontmoedigende periode was dat. Op school werd alles voorgekauwd, gepland. Ik had vragen maar kreeg er nooit bevredigende antwoorden op. Leerkrachten meden de vragen van die Devos, want wat ze ook zeiden, mijn vinger bleef maar gaten steken in de lucht, mijn vragen bleven razen. Daar schoot het leerplan niet echt mee op. Het meest haatte ik de les geschiedenis, in wezen nochtans een van de mooiste vakken die er bestaan. Bij ons was dat echter het leerboek vanbuiten kennen van pagina één tot achtenzeventig. Ooit zei ik tijdens een examen: 'Het antwoord op uw vraag staat op pagina tweeënveertig links boven, maar ik kan u niet vertellen wat het precies betekent.' Ik had geen inzicht, miste de verbanden. Op het conservatorium had ik ook die aandrang: ik wou het verband zien tussen kunstgeschiedenis, literatuur, toneel, schilderkunst, omdat dat golven zijn die elkaar raken of ontspringen. In de hogeschool slaagde ik daarin, in de humaniora niet. Als we leerden over de Vikings, wou ik meteen weten wat een mens aanzet tot een dergelijke roofzucht. Ik vroeg me af hoe het zat met de Eerste Wereldoorlog, wat het verschil was tussen het roven van de Noormannen toen en het veroveren door de Duitsers later. Je moet weten, ik woonde in de Westhoek, zag die witte graven. Er was geschiedenis rondom mij, maar mijn vinger bleef in de lucht zweven. Devos! Geen vragen! Dus liet ik me afleiden, gleed ik weg in fantasie. Ik dacht: ik moet vanavond nog soep maken voor mijn pop. Tot mijn veertiende heb ik met de poppen gespeeld en gespeeld tout court. Mijn grootvader keek vanop zijn tuinbank toe en gaf wel antwoorden. Mijn mama, mijn zus en ik woonden bij mijn grootouders. Mijn vader stierf toen ik twee jaar oud was. Samenleven met de vorige generatie was zo boeiend, wegens de ervaringen van die mensen, hun beleving, frustraties en vooral hun lange stiltes. En als het heel stil was, dook ik in mijn lievelingsboek De kleine Johannes, nam dat mee naar buiten, naar de grassprieten met hun dauw en hun mieren ertussen. Ik had ook een struik in de tuin. Mijn struik. Onder die struik ging ik zitten als mijn hartje klein was of als ik onder mijn voeten had gekregen. Ik kreeg nooit een klap, maar onder die struik kruipen was hetzelfde als het verwerken van een pak rammel. Ik stond dan even boven de wereld van onder mijn struik, ik kon er mezelf even luchten."

"Ik stopte met humaniora in het voorlaatste jaar. Ik was al van de Latijnse naar de economische richting gegaan. Ik werd alsmaar opstandiger, buisde nog meer. Heel oneerlijk was dat, want die buizen kwamen voort uit het niet beantwoorden van mijn vragen. Waarom was de stelling van Pythagoras wat ze was en geen Travhydro, een specifieke stelling van buizen. Nu klinkt het grappig allemaal, maar daar sprokkelde ik vroeger dus geen punten mee. Ik zocht naar een middel om mijn creativiteit uit te drukken. Even dacht ik... dan word ik maar laborante. Voor die verrassing van: wat bekom je als je a en b mengt? Zal het ontploffen, stinken, een medicijn worden of iets om uw vloer mee te kuisen. Dat had volgens mij niets met scheikunde te maken, maar met het openen van allerlei toverdozen. Ik keek naar wat uit de pipetten zou borrelen: schuim of groen slijm. Of, zou het ontploffen misschien? Uit de achtergrond dook echter een leerkracht op die me vroeg om de formules op te schrijven. Natuurlijk moest ik afhaken. Ik stopte in februari. Schoolmoe. Ik wou werken, maar ik had geen diploma. Het pms presenteerde me twee mogelijkheden: ofwel iets met mode ofwel esthetiek. Mode, het had gekund, want ik naaide en verknipte en ratelde met de Singernaaimachine dat het een aard had, maakte rokjes en verkleedkostuums uit gordijnen en tafelkleden. Esthetiek was iets met potjes, grime, make-up. Dat werd het en ik deed er ook nog en passant medische pedicure bij. Waarom? Het diploma, vond ik, kon niet vol genoeg zijn. Uiteindelijk heb ik die voeten nog het liefste van alles gedaan, oudere mensen, triestige gevallen, een betrekkelijk comfort bezorgen. De esthetiek op zich was echter veel te oppervlakkig, te voorbijgaand. Ik had mijn eigen schoonheidssalon ondergebracht bij een haute-coiffurezaak in de Gentse buurt van het Glazen Straatje. Daar kwamen én de chichi madammen én de 'madammen van achter 't raam' bijeen. Boeiende ontmoetingen, de vrouw van de apotheker die zanikt over haar man en de hoerenmadam ernaast die sakkert op haar pooier, en ook nog een paar travestieten tussendoor. Ik genoot van de situationele schetsen en de plastische bewoordingen, maar tegelijk werd ik gek. Ik zei het ooit aan een goede klant van mij, Lieve, de echtgenote van de mimespeler Frederik Van Melle. Ik zei dat ik het gezeur van de chique madammen over hun rimpeltjes beu was. Ik benaderde mijn vak iets te filosofisch, noemde esthetiek een aanvulling op het leven en niet een verdoezeling ervan. Intussen had ik al die impulsen, indrukken en verhalen als een spons opgezogen. Op een dag zei ik tegen Lieve: 'Hou me tegen of ik gooi een baksteen in die haardroger, ik moet met al die impulsen iets doen, creatief zijn.' Ze stelde voor om bij haar man de avondcursus non-verbaal theater te volgen. Twee weken later hing er voor mijn zaakje in de Brabantdam 'algemene uitverkoop'. Ik was net 21. De opleiding slorpte me helemaal op en al snel kwamen de optredens. Ik heb onlangs een fiche gevonden met een snelle berekening van mijn inkomsten toen. Ik zag staan: twee optredens aan 325 frank bruto per voorstelling. Wij hadden een programma met mime en poëzie, Leen Persijn deed de poëzie. Ik zie ons nog rijden in mijn wagentje tussen de Beursschouwburg in Brussel en het theater van Julien Schoenaerts in Antwerpen. Na onze laatste voorstelling uit die reeks is dat theater overigens tot de grond afgebrand. In die periode was ik door recensent Guido Lauwaert opgemerkt. Ik was toen nogal opvallend met mijn rosse haar. Hij schreef: 'Let op die rode lantaarn, dat wordt ooit een talent.'

Ik heb bij Frederik veel geleerd, van maskers maken tot surrealistische sketches bedenken vertrekkend vanuit een schilderij van Léonor Fini. We hadden toen veel lef en weinig geld. Op een dag werd ik gevraagd tijdens een voorstelling ook een beetje wartaal uit te kramen. Ineens hoorde ik mijn stem en dacht ik: 'Tiens, iets zeggen, taal, ook leuk.' In die periode ging de leerling-tovenaar nogal in discussie met haar meester. Toen Frederik naar het buitenland uitweek, besloot ik hem niet te volgen. Ik zou naar het conservatorium gaan. Mijn moeder ging mee, ze volgde mij en mijn zus in onze ontwikkelingen. Niet door daar bepalend bij ons te zitten, nee. Als toeverlaat, en steun."

"Ik kwam midden in het jaar binnen op het Gentse conservatorium, als vrije leerling. Uiteindelijk ging ik zo energiek te keer, bouwde voorstellingen op, organiseerde repetities, volgde alle lessen, ook bij de afdeling voordracht, en haalde in wat ik had gemist. Ik mocht naar het tweede jaar. Het leren in de zin van 'me verrijken' was ineens verschrikkelijk belangrijk geworden. Het diploma was geen doel op zich, het was die weg om ernaartoe te gaan die me zo optilde. Voor de rest was het ook afzien: West-Vlaams accent kwijtspelen, huig-r vervangen door tongpunt-r, fonetica leren, een entree krijgen in het klassieke toneelrepertoire. Ik vond het allemaal even zalig. De weg liep niet over rozen, maar een andere dan een hobbelroute kende ik niet. Het tweede jaar heb ik overgedaan, door mijn eigen stomme schuld. Ik had opgeroepen om ons examen door een jury van professionelen te laten beoordelen en niet, zoals tot dan toe het geval was, door de eigen leraren. Nu, we kregen onze jury met onder meer Jef Demets, Ann Petersen, Walter Tillemans, Jean-Pierre De Decker. En we waren zo zelfverzekerd, maar wat zijn we toen afgegaan. Gezakt. Nadien bleek dat voor mij een goede zaak. Want in dat tweede jaar kwam er ineens een ferme frisse wind binnen. Een zegen. We werkten met Jo Gevers. Met Jean-Pierre de Decker deden we een heuse tv-productie. We leerden wat een camera was. Dat jaar was heel belangrijk voor mij omdat ik in al die richtingen mijn weg heb gezocht."

"Nadien diende het leven als actrice zich aan als een veelvoud aan mogelijkheden en uitdagingen. Ik heb van alles een beetje geproefd. Ik ontdekte dat er zoiets bestond als politiek engagement toen ik bij het BKT speelde. Dankzij Stekelbees, de voorloper van Theater Victoria, kon ik me naar hartenlust op het kinder- en jeugdtoneel gooien. In de grotere theaters kreeg ik minder aanbiedingen. Rollen die mijn fysionomie nodig hadden, werden meteen ingenomen omdat er actrices voorhanden waren. Een bepaald voorkomen heeft ook het nadeel dat je snel getypecast wordt. Geen probleem als je droomt van de stevige moederrol. Wel een probleem als je, wanneer er een boerenfilm op stapel stond of een tv-serie met zo'n ferme moeder erin, je de patattenzak kende én verfoeide waarin de kostuumafdeling jou zou hijsen. Ik was de zwarte stroprok en het blauwe geruite bloesje na een paar producties meer dan beu. Vandaag is dat uiterlijk minder belangrijk, zeker bij het theater. Mannen spelen vrouwen, jongelui spelen de grootmoeder, de naturalistische invulling is er grotendeels uit. Ik stel nu nog een andere evolutie vast: een pak jonge acteurs trekken samen de podia op. Ze creëren een groep rond zich, neem Dimitri Leue en de Kakkewieten, en stellen van daaruit hun eigen producties samen. Ikzelf ben eenzaam uit mijn jaar geduikeld. Ik had niemand, geen entourage, ik moest het zelf doen. Het hing wel samen met wie ik was: ik had altijd alleen in de tuin gespeeld, alleen mijn spoor getrokken en het verwondert me ook niet dat ik nog altijd op de een of andere manier ergens alleen moet gaan aankloppen. Pas op, dit is geen pathetiek. Ik vind het niet erg, ik stel het gewoon vast. Ik heb ook zelf en overtuigd gekozen voor het freelance bestaan. Ik heb gezelschappen geschuwd. Ik was een tijdje bij Arena, maar dat verstikte me. Mensen gaan zitten mieren over een paar lijnen meer of min of over de rol die ze al dan niet krijgen. Jouw zoektocht wordt daardoor vertroebeld, want je zit verwikkeld in een strijd waarin territoria worden verdedigd. Anderzijds, we hebben veel geleerd in Arena en kijk eens wat daar nadien allemaal naar buiten kwam: Karel Deruwe, Marijn Devalck, Greet Rouffaer, Marc Coessens, ze zitten nog altijd overal. Heel vaak op tv ook, ik weet niet hoe dat zo komt. Misschien waren het allemaal mensen alleen, die tussengeneratie die het moest uitzoeken. Commerciële televisie bijvoorbeeld heeft daarop ingespeeld. Daar was ineens veel plek, men had acteurs nodig. Ik zag tv als een groot kot met een fake decor, een grote bak vol kostuums achter de schermen en een plek om nog eens voluit te mogen gaan. Ja, ik ben erin gestapt."

"Mijn eerste topervaring op televisie was nog bij de toenmalige BRT toen ik in Johnnywood de secretaresse speelde van Felice Damiano. Noëlla meiske. Van de pot gerukt, dat personage en haar outfit: beige tailleurke, hoog kapsel, beetje Absolutely Fabulous en Joanna Lumley avant la lettre. Misschien zat in haar de kiem van 'Ons Ireen' uit Het Peulengaleis. Dat was humor, tv, amusement maar ook een stuk mime, want veel mocht er toen niet komen uit die mond van mij. Ik speelde er met Kamagurka. Hij had dat typetje Kamiel Kafka, 'en ik ga het geen twee keer zeggen'. Kamiel verbleef in de kelder en ik moest hem soep brengen. Hij verzamelde dat op een boekenrek, de soepen groeiden en bloeiden, stonden vol stengels, kregen bobbels of groene puisten. Noëlla was een beetje bang van dat personage en toegegeven ook Katrien Devos was een beetje bang van Kamagurka. Dat was een chaos die zelfs ik niet kon bedenken. Nu is het genre bekend, maar toen heette improvisatie nog experiment. En experiment stond synoniem voor zes uitzendingen. Dat was het. Meteen weer opgedoekt."

"Toen VTM er kwam, kreeg ik het aanbod om in De kotmadam te spelen. Ik was afgestudeerd in 1978 en in 1989 nog altijd goed bezig, weet je wel. Bijna vijftien jaar in allerlei kleine en grotere dingen gestaan, altijd weer elders moeten thuiskomen, vragen wat hun smaak was, hoe zij een stuk voelden, overal temperatuur gaan nemen. Freelance, van hot naar her. Het nadeel was dat je nooit eens echt voor langere tijd voluit kon gaan. Ik had ontzettend de smaak te pakken gekregen met Noëlla Meiske, daar kon ik eindelijk iets uitbouwen, maar zij was intussen ook foetsie. Ze werd als een beetje gek bekeken. Terwijl die figuur op zich misschien lang niet zo gek wou zijn. Ze illustreerde een beetje het drama in mijn eigen leven. Als ik me ernstig wilde tonen, gingen de mensen over de grond rollen van het lachen."

"Televisie en sitcom, in het begin was dat niet vanzelfsprekend. Ik heb er lang over nagedacht of ik wel Jeanne wou worden. Vtm stond niet bepaald hoog aangeschreven, kwalitatief gezien. Vandaar die lange twijfel. Ik ging me intens bevragen, besloot het maar te doen op een paar voorwaarden: als tegenspeler wou ik iemand met een ernstige opleiding, Marc Verstraete dus, ik wou dat het vanuit onze vakkennis vertrok en er moest een spelregisseur zijn. Kortom, ergens wou ik rondom mij een zetel plaatsen waarin het heerlijk en veilig toeven was, en ook een groep mensen die het product konden dragen. Men ging in op die verzuchtingen en ik werd... Jeanne. Eind deze maand begin het vijftiende seizoen, het is een hit gebleken. Ook in de teksten kreeg ik inzage en recht om ertegenin te gaan. Een keer hebben we lang gediscussieerd over de aflevering Turks fruit met als thema de multiculturele samenleving. Mijn probleem was dat Jeanne tegen de Turken moest zijn. Ik zei: 'Vergeet het, Jeanne heeft niets tegen de Turken. Dat komt niet uit haar mond. Ik heb geweigerd dat te spelen, ook al suste men me toen met 'Ach, zo'n aflevering is zo gepasseerd'. Nee dus, want ik wist dat het bij sommigen niet zou passeren. Zoals bij mijn buren. Ik woonde in een Turkenwijk toen, mijn buren waren mijn goede vrienden. Ik wist van hen dat De kotmadam door heel veel Turken gevolgd werd. Ik stelde dat trouwens onlangs ook met plezier vast, toen de lachbandopnames werden gedaan en een Turks meisje met sjaal in het publiek zat en hard mee lachte met de rest. Ik kan niet acteren tegen mijn natuur in, en dat heeft de producent toen geweten. Ik kan ook niet tegen sociale onrechtvaardigheid. Ik zie het de laatste tijd helaas vaak op de werkvloer. Niet bij onze ploeg, elders. Ik kan daar ook mijn mond niet over houden. Als ik een technische ploeg zie die van 's morgens drie uur bezig is en er 's avonds om tien uur nog staat, ga ik steigeren. Dan wil ik naar huis, want ik weet dat als ik vertrek, zij ook gedaan hebben. Consequentie voor mij is dat ik op die plekken, in die theaters of bij die producties nadien niet meer moet terugkomen. Het kan mij niet schelen. Mijn moeder zei 'je moet goed zijn voor de mensen', en dat is belangrijker dan wat geld bijeen rijven. Het soms naïef trouw blijven aan bepaalde idealen kan de reden zijn waarom ik nu niet echt sta waar ik misschien had moeten staan.

"Ik kan het niet arrangeren. Ik heb geen manager of iemand die het voor mij stuurt zodanig dat ik (spuwt het uit) 'optimaal kan functioneren in die bepaalde situatie'. Een andere reden waarom ik wellicht niet de grote bekende ben, is dat ik naast een creatief ook een privéleven wil hebben. Dat vind ik minstens even belangrijk. Ik ben er doelbewust naar op zoek gegaan toen ik eenendertig was, weer een beetje laat, ik weet het. Ik weet vanuit mijn freelancer zijn hoe snel glorie vergaat. De ene dag doen ze jou zweven, geven ze schouderklopjes, de andere dag ben je lucht. Hoe dan ook, als je thuiskomt valt het doek. Letterlijk. Ik wil dan best alleen zijn, voor even, maar ik heb fysiek nood aan die partner met wie ik het kan delen, die mee kijkt, bevroedt, steun en kritiek geeft. Het moet mijn zielsverwant zijn, mijn maatje. Ik heb in mijn leven al genoeg oudere actrices gezien en ik ga geen namen noemen die helemaal voor hun carrière zijn gegaan maar dood- en doodeenzaam zijn. Eerst vak, publiek en succes en dan... Tja, dan wat. Ik kende ze, in hun glorie maar ook hun worsteling. Ik heb toen gezegd: zover laat ik mij niet afleiden van het echte leven. Ik wil mijn gevoelsleven, mijn seksbeleving, mijn vrouw-zijn, mijn hobby's, mijn rockmuziek, ik wil dat alles ook, naast mijn werk. Ja, ik ben een beetje rock-'n-roll, wie mij enkel als Jeanne kent, zal dat misschien moeilijk kunnen plaatsen. Anderzijds, maakt het iets uit dat men weet bij welke bevriende muzikanten we nachten in de clubs doorbrengen, genietend van de muziek? Jeanne is Jeanne en Katrien is Katrien."

"Ik ben nogal dubbel in bepaalde dingen. Ik schommel tussen anarchie en burgerlijkheid. Bekijk deze chaos die men ook wel eens interieur durft te noemen, en zie welke solide muren er rond staan, welk deftig huis waarvoor mijn man en ik gespaard hebben. Heel dubbel. Ik groeide op met de bescherming van mijn grootouders en moeder die altijd in de buurt waren, maar in mij woedde en gierde en stormde het. Ik heb mijn fantasie kunnen kanaliseren en dat heeft ervoor gezorgd dat ik in werk en leven kon ontbolsteren. Van een rustig kabbelend jong leven ben ik in die rusteloosheid terechtgekomen, heb ik alles gespeeld wat enigszins kon, alles door elkaar. Ik kwam van het buurtwinkeltje in de supermarkt terecht en liep als een razende via alle rayons, pikte overal iets mee, of ik het nu echt nodig had of niet maakte niet uit. Ik probeerde alles te doen. Alleen heb ik nu het idee dat ik de weg terug aan het afleggen ben, terug naar de buurtwinkel. Ik maak mijn keuzes weer bewuster en selectiever. Ik doe Jeanne, maar daarnaast kies ik zorgzamer en reflecteer ik iets meer. Ik ben ook bezig met schrijven.

"Je maakt soms vervelende dingen mee. Ik val al eens uit de boot bij grote producties, hoor daar zeggen: 'Hé Vosken, voor uwe prijs kan ik twee jonge gasten krijgen.' Ik vind werken met jongeren nochtans heel belangrijk, ik wil van hen leren. Daarom is De kotmadam nog altijd een uitdaging. Daar stikt het van de jonge acteurs die de serie al dan niet tijdelijk als een soort springplank zien. Je merkt er dezelfde wissel als in een studentenkot, er is eenzelfde gerommel tussen geesten, tussen jongeren en ouderen. Zo'n clash tussen leeftijden zuivert je spel, geeft het extra zuurstof. Van daaruit zijn mensen als Tom Van Landuyt, Pieter-Jan De Smet en Christel van Schoonwinkel vertrokken, hun weg gegaan, in film, muziek of bij de televisie. Mijn leven staat ook niet stil. De kinderen van mijn man worden ouder, er zijn kleinkinderen. Intussen ben ik ook een paar mensen verloren in mijn leven, wat maakte dat ik nu zelf ineens ook grotere stiltes laat vallen, zoals mijn grootouders toen deden."

"Mijn moeder stierf een paar jaar geleden en toen werd ik heel lang heel stil. Ik kroop in een hoekje, ontdaan, onrecht aangedaan, ik kreeg dezelfde gedachten als toen onder die struik. Ik had een pak rammel gekregen. Ze was weg, mijn maatje, mijn anker, de vrouw die me volgde, ook al begreep ze het niet allemaal. Overal zat ze op de eerste rij, overal kwam ze applaudisseren, dat ik er soms beschaamd over was. (lacht) Zo deden we ooit met het BKT dat stuk van Georg Kaiser Van dageraad tot middernacht. Eerlijk gezegd, niet makkelijk en wij acteurs vonden ons spoor niet, we bleven maar onderweg, nooit een station in zicht. Hoe dan ook, de première kwam er, in de Beursschouwburg. Op de eerste rij zat pontificaal het matriarchaat van de Voskens: maatje en een reeks tantes, armen op de borst gevouwen en benen gekruist, strenge blik, maar onder de stoelen, wist ik, lagen de bloemenruikers. Het was zo'n avond waarop alle directeurs van alle culturele centra erbij waren, ook die uit Nederland. En ergens in een hoekje, potlood gescherpt, zat Wim Van Gansbeke. Erger kon moeilijk en van onze voorstelling konden we niet meer zeggen dan dat we iets opvoerden en nadien een beleefd maar afgemeten applaus ontvingen. Ineens stond maatje recht. Als enige van het matriarchaat had ze geen bloemekee mee, maar 'ne pot', een grote bloempot met inhoud. Ze stapte het podium op, drukte alle acteurs de hand. Ik stond spijtig genoeg aan de andere kant, me op te jagen... enorm. Want maatje bleef maar handen drukken, het had iets van de Koningin Elisabethwedstrijd. Het publiek bleef beleefd in de handen klappen. De hoofdrolspeelster Mia Grijp, die in het midden stond, dacht dat ons ma de madam van de directeur was en stak al haar handen naar die pot uit. Nee, zei maatje, dat is niet voor u maar voor mijn dochter. Ze kwam op mij af, gaf twee klapzoenen en wat commentaar: 'Stief goe moa nie mijne genre.' Ik zei: 'Maatje, ga nu maar naar uw plaats.' Dat is toch echt een prachtig verhaal en het getuigt van haar brede blik en haar enthousiasme. Tuurlijk, was het haar genre niet, Botho Strauss en Georg Kaiser, stel je voor."

"(twijfelt) Blijft vreemd ook, nu ik die namen weer uitspreek. En denken dat ze mij enkel nog als Jeanne zien op straat. Ach, passons. Ik werk vanuit mijn vakmanschap en blijf overtuigd. Ik weet dat Jeanne aan mij vast klikt, zoals Marijn Devalck nooit meer Boma van zich afschudt of Loes Van den Heuvel Carmen Waterslaeghers moeilijk kwijt kan. Jeanne is gelukkig een type dat in mij blijft groeien en aan wie ik zelfs met enige tederheid vormgeef. Op mijn manier. Het is een groteske, een uitvergroting, maar in wezen steekt er ook een doorslagje van mijn leven in. We hebben het hier dan over die moederfiguur die zelf geen kinderen heeft en die ervan geniet als de omgeving het goed heeft. Ze kan daar heel ver in gaan en wordt er soms nog in afgestraft."

"De kotmadam betekent voor mij ook: in de maand mei mijn trechter dichttrekken, me nog meer verzorgen dan ik al doe, nog minder drinken, nog gezonder eten, mijn focus scherp stellen. Daarna komt die zeer intense periode van opnames maken, heel vroeg opstaan en heel laat gaan slapen, van constante concentratie. Dat gebeurt in volle zomer. Eind september is er dan die tegenovergestelde beweging van weken decompresseren. Fysisch, want mijn lichaam doet dan raar, is in de war. Ik heb dan nood aan daglicht, zit in weer en wind buiten naar de lucht te turen om van het studiolicht af te kicken. Ik krijg verkoudheden en ga in een soort herstel. Intussen verblijf ik vooral in mijn tuin. Ik wroet er, uren- en dagenlang. Een struik zoals vroeger heb ik niet meer, misschien heb ik hem ook niet meer echt nodig. Ik ben een beetje volwassen geworden, ach, misschien is dat zelfs jammer. Een doel heb ik nog altijd niet, ik blijf onderweg. Bij het spelen blijft de woeling bestaan, er is geen medicijn. Gelukkig maar. En over geluk gesproken: ik ben nogal 'content'. Wat dat ook moge zijn. Het is zeker geen vaststelling van: 'Oef, dit hadden we en nu komt de terugblik.' Ik prijs me gelukkig dat ik mag werken, dat ik als er over het Generatiepact wordt gesproken mag denken: het is te hopen dat blijven werken een individuele keuze wordt, dat ik het zo lang mag doen als ik het wil. Is het geen luxe om zo'n conclusie te mogen trekken? Ik blijf natuurlijk wel op zoek naar geluk of althans naar mijn definitie ervan. Geluk vind je ook tijdelijk, verspreid, soms in herinneringen aan gelukkig geweest zijn. Ik baal van mensen die zeggen: 'Ik ben niet met het verleden bezig, het 'nu' is van belang.' Zulke mensen zijn net enorm met het verleden bezig want wie je nu bent, is een conglomeraat van alles wat je daarvoor betekende. Ik wil dat verleden niet weggooien. Ik had dat ook bij de dood van mijn moeder. Ik moest alle foto's van haar rondom mij hebben. Ernaar kijken, ze betasten, er verhalen uit tevoorschijn halen. En dan bijna meelijwekkend hard bleiten. Ik heb afscheid kunnen nemen en haar overlijden geplaatst. Ik weet nog precies het moment: toen ik er weer eens over zat na te denken, naar mijn handen keek en vaststelde: 'Verdomme, jij hebt de handen van mama'. Ik wist dat ik de lippen had van mijn papa. Ze zaten alle twee in mij. Dat was een fantastisch gevoel."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234