Donderdag 23/01/2020

Je t'adore

De nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur

Op 23 februari namen de prinsessen Máxima en Mathilde in de Grote Kerk in Breda twee delen van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur in ontvangst. Stemmen op schrift, van Frits van Oostrom, behandelt de Middeleeuwen tot 1300, in Altijd weer vogels die nesten beginnen beschrijft Hugo Brems de Nederlandse literatuur uit de periode 1945-2005. De overige zeven delen verschijnen tussen nu en 2010.

Wie er bij was of de beelden gezien heeft, zal het opgevallen zijn: de blij lachende prinsessen. Ze kennen elkaar aldus een Royalty Watcher: ze shoppen graag samen in Brussel. 't Zijn meiskes van onze tijd. Ik kan me niet voorstellen dat een Spaanssprekende en Franssprekende vrouw in de fleur van hun leven zich nog dezelfde avond in de bloem van de poëzie en het proza van de Nederlandse literatuur verdiepen, laat staan dat ze tijd & zin hebben om te lezen. Maar daar gaat het niet om: de literaire klasse was blij met de symboliek. Enerzijds omdat literatoren nu eenmaal van symboliek houden, anderzijds omdat wie ooit dichtbij het koningshuis komt ergens verleid wordt door het sprookje. Kortom: iedereen blij. Hier hadden we alles samen: de natie (Nederland en Vlaanderen), de religie (de kerk) en het gezin (de gelukkige prinsesjes). Sommige politieke partijen kunnen tevreden zijn: normen en waarden staan hoog op de agenda. Onze christelijk geïnspireerde ministers waren vergeten dat Reve God als een ezel opvoerde, en Claus de Heilige Drievuldigheid naakt. Onze Vlaamse ministers waren vergeten dat Claus Vlaanderen als het Verdriet van België heeft beschreven. De kerk was vergeten dat de fine fleur van de Vlaamse en Nederlandse letteren afgerekend heeft met het christendom. In de lucht hing de geur van de Groot Nederlandse Gedachte, die alles met de mantel der liefde bedekt.

In zijn welkomstwoord verwoordde minister Anciaux dat hij vermoedde dat het deel van Brems een "feest van herkenning" zou worden ("schok van herkenning" was de uitdrukking die wij vroeger gebruikten) en het deel over oudere literatuur een soort feest van erkenning: "het melancholieke Egidiuslied en de mystiek van Hadewijch hebben mijn identiteit mee bepaald". Meestal hebben ministers ghostwriters in dienst en vaak zijn dat mensen die literatuur gestudeerd hebben, want daar komt ons soort mensen terecht: als tekstschrijvers van anderen, omdat ze het schoon kunnen zeggen, met hier en daar een literaire verwijzing.

Er werden tijdens die presentatie vele sprookjes verteld. Onze minister van Cultuur voerde nog net niet de kniezwengel uit, maar de teneur was toch: Je t'adore. Adoratie alom voor het werk van de professoren. En terecht. Het mag weer: adoratie voor de eigen identiteit. In Van Dale staat een Franse spreuk: Adore ce que tu as brûlé, brûle ce que tu as adoré. In wat volgt wil ik deze twee perspectieven hanteren. Eerst adoreren, want ook voor kniesoren is dit een feestelijk gebeuren. Dan een beetje stokebrand spelen, want zelfs een gelegenheidsrecensent moet nuchter en kritisch blijven in de roes van het feest. Trouwens, waarom heeft het schrijven van een literatuurgeschiedenis zo lang geduurd (sinds Knuvelder uit de jaren zeventig)? Waren de academici vroeger beter of in elk geval vlijtiger? Een beetje paradoxaal, maar wie argumenten zoekt tegen de literaire cultuur en de literatuurgeschiedenis kan best bij de literatuurwetenschap te rade gaan. En bij het literatuuronderwijs.

Laten we eerst constateren dat de aandacht binnen het literaire bedrijf zich na de laatste brede literatuurgeschiedenis concentreerde op het lezen van teksten via close reading op zoek naar algemene eigenschappen van de literatuur (de literatuurkritiek wou een echte wetenschap worden). Een literatuurgeschiedenis schrijven was niet de meest dringende en prestigieuze opdracht. Ondertussen werden we postmoderner in de zin dat het einde van de grote verhalen aangekondigd werd. En wat is een literatuurgeschiedenis anders dan een groot verhaal? Ik moet het hier kort houden, want er is inderdaad een geschiedenis te schrijven over het schrijven van een literatuurgeschiedenis.

Laat ik toch nog constateren dat er de jongste jaren een soort chronisch schuldgevoel ontstond bij iedereen die een historisch verhaal vertelt. Het gaat dan om vragen als: wiens geschiedenis? Wiens canon? Wiens oordeel? Wiens wiens? Of zoals de titel van een conferentie vorige week over het cultureel erfgoed: Van wie is het verleden?

Iedereen van de redactie van de nieuwe literatuurgeschiedenis zal wel achtervolgd worden door deze vragen. En toch hebben ze zich losgemaakt van de verlammende theoretische kwesties. De twee hoofdredacteurs (Gelderblom en Musschoot) schreven een soort mission statement (te vinden op het internet).

Wat mij opvalt, is dat het perspectief van het onderwijs weinig of niet aan bod komt. Vooral vanuit conservatieve hoek zijn de jongste jaren zelfs bestsellers geschreven over de bedreiging van de culturele geletterdheid, het algemene geheugenverlies, de teloorgang van de literaire canon etc. Maar ook vanuit progressieve hoek kwamen bedenkingen over de achteruitgang van de kennis van de traditie. Dat laatste was vrij paradoxaal, want precies progressieven hadden de literaire canon en de literatuurgeschiedenis zwaar bestookt (wegens bijvoorbeeld vrouwonvriendelijk, te weinig multicultureel, te veel het verhaal van blanke, westerse mannen etc). Ook in het onderwijs had aandacht voor vaardigheden binnen het taalonderwijs het vanzelfsprekende belang van de literatuur ter discussie gesteld. Verder leidde de aandacht voor leerlinggerichtheid tot minder of geen aandacht voor de leerstof. Kortom: klachten alom over de teloorgang van de traditie. Jacques Kruithof (schrijver, leraar en lerarenopleider) schreef zelfs een heuse roman Het slotfeest waarin u een bloemlezing van citaten kunt vinden over de teloorgang van de literatuur op school. Eén citaatje over literatuurgeschiedenis: "Het literatuuronderwijs is 'uitgehold': wat afgekloven botjes van de literatuurgeschiedenis (...). Historische kaders, referenties, artistieke en levensbeschouwelijke achtergronden, er blijft ternauwernood een rudiment van over."

Kruithof is niet de enige die het belang van literatuur verdedigt. Collega's schrijvers-essayisten-literatuurdocenten sluiten zich aan bij zijn klaagzang. U voelt waar ik naar toe wil: al die leraren literatuur bleven ook verweesd achter zonder een literatuurgeschiedenis waarin al die bedreigde kennis op zijn minst toch nog geboekstaafd stond.

Het eerste deel - vanaf het begin tot 1300 - van Frits van Oostrom laat zich ook lezen als de ontstaansgeschiedenis van een geschreven taal. Niet zomaar een taal, maar Onze Taal: het Nederlands. Het lijkt alsof door de europeanisering en de globalisering bij onze Noorderburen enig begrip komt voor een uitspraak die ze vroeger niet echt goed begrepen: 'De Tael is gansch het Volk'. Het draait ook om de wording van onze literatuur: van een paar krabbels vertalingen in de marge van een Latijnse tekst tot magistrale teksten in het Nederlands. De literatuurgeschiedenis laat zich min of meer lezen als een Bildungsroman met aandacht voor momenten waarop de helden van het verhaal - de schrijvers - een bijdrage leverden aan de cultuur die later van belang zou zijn voor de ontwikkeling van die cultuur. Memoreren gebeurt onvermijdelijk door terug te blikken en Van Oostrom verbergt dan ook niet dat zijn bril gekleurd is. Maar hij presenteert een veelkleurig beeld door ook blikken uit het verleden een plaats te geven in de interpretaties. Van Oostrom is zich bewust van de relativiteit van standpunten, maar hij verdedigt ze met verve. Het resultaat is een geanimeerd verhaal waarbij hij in hoge mate zijn doelstelling waar maakt: dit boek is een leesboek, geen naslagwerk. Hoewel, we mogen ook een beetje relativeren: voor de geïnteresseerde lezer. In elk geval probeert de auteur de lezer te verleiden tot waardering van een aantal meesterwerken: Reis van Sint-Brandaan, de gedichten van Hadewijch, Jacob van Maerlant, Van den Vos Reinaerde etc. Als u geen Nederlandse taal- en letterkunde hebt gestudeerd, is het heel waarschijnlijk dat u over deze meesterwerken alleen maar weet dat het meesterwerken zijn. Ik heb in elk geval nooit in een nationale tv-quiz één vraag horen stellen over deze fine fleur van onze cultuur. Er is zelfs een grote kans dat alleen germanisten dit artikel nog verder lezen. Van Oostrom is daar waarschijnlijk wel verbolgen over maar hij vervalt niet in een klaagzang, hij doet precies wat men moet doen, hij probeert zijn enthousiasme over te dragen: "Laten we er maar voor uitkomen; dit is een liefdesverklaring aan een object én aan een vak? Of om Hadewych te spreken: Minne es al."

Hij gebruikt de metafoor van de lange mars "uit de marge naar het centrum, de evolutie van glossen tot gedichten, en van ondertiteling naar autonomie". Kortom: van anonieme glossatoren tot fiere dichters. En een fiere historicus die gedreven schrijft. Als lezer ontkom je niet aan een groeiende waardering voor de eruditie, de stijl en inderdaad het aanstekelijk enthousiasme zonder in vendelzwaaien te vervallen. Maar dat laatste mag ik ook niet doen. Daarom toch een paar opmerkingen. Van Oostrom maakt een onderscheid tussen zwoegers en zieners bij zijn collega's. Dat onderscheid kan ook gemaakt worden in zijn proza: het is zwoegen de informatie gebald en toch verhalend door te geven, soms gebeurt dat zwierig, soms zweterig. In de eerste lectuur - al zappend door het boek heen - vond ik toch zinnen die me als lezer zweet kosten. Neem bijvoorbeeld: "Ze zouden een artistiek driemanschap hebben gevormd met hun beider vriend de zanger Egidius, geliefde van de bekoorlijke Margriete die ook Jan Moritoens aanbedene was, maar die nadat Egidius (Waer bestu bleven...) jong was overleden het klooster verkoos boven de dichter". Als repertoire doet me dit denken aan de samenvatting van een film of aflevering van een soap in de tv-pagina. Soms is de drang om alles te zeggen in één zin, slecht voor de aantrekkelijkheid van de zin. Maar - zoals gezegd - dat is veeleer uitzondering dan regel. Op zijn best is Van Oostrom als hij het over de teksten zelf heeft en ons als een gids begeleidt bij het lezen van literatuur die hij inspirerend tot leven brengt. Sporadisch probeert Van Oostrom de oudere teksten te relateren aan moderne schrijvers. In principe vind ik dat een uitstekend procedé, omdat het toont hoe teksten vandaag verder leven. Soms zijn die verwijzingen echter nogal vrijblijvend (bijvoorbeeld W.F. Hermans werkte ook graag 's nachts) en soms dacht ik ook: er zijn nog vele voorbeelden (bijvoorbeeld bij Hadewych).

Opvallend is de ruimdenkendheid waarvan Van Oostrom getuigt zonder zijn eigen denken uit te schakelen. Literatuur is een plek waar subjectiviteit onvermijdelijk heerst, oudere literatuur als de medioneerlandistiek blijkt daar nog een paar extra redenen voor te hebben: op basis van een paar feitjes wordt een kleine oorlog gevoerd over interpretaties. Van Oostrom laat vele stemmen aan het woord.

Hugo Brems schreef de geschiedenis van de Nederlandstalige letteren sinds 1945 tot bij wijze van spreken vandaag. Brems kiest voor het verhaal van de eenheid tussen beide landen met aandacht voor de verscheidenheid: "Overeenkomsten en verschillen zijn dus geen uitgangspunt van de beschrijving, maar juist het voorwerp ervan." Een zin die een beetje ontploft in mijn hoofd maar kom, het resultaat is een geschiedenis van dé Nederlandse literatuur waarbij dus ook de Vlaamse hoort.

Een chronologisch overzicht van een periode die bij wijze van spreken nog warm is, maar niet op zo'n manier dat je je eraan kunt verbranden. Dat laatste heeft ook te maken met het feit dat de literaire debatten vandaag wat lauw geworden zijn of positiever verwoord: verdraagzamer voor alle mogelijke literatuuropvattingen. Dat is de tijdgeest en ook de geest waarin Brems schrijft: neutraal en objectief.

De neutraliteit bestaat erin dat Brems iedereen - nou ja, velen - een plaats geeft in zijn overzicht, en dat hij geen oorlog zoekt met literatuuropvattingen. En dat hij op een faire manier verslag doet van vele richtingen die elkaar ooit min of meer naar het leven stonden maar nu bij nader toezien meededen aan een soort gezelschapsspel waarin de ene overdrijving gevolgd werd door de andere.

De objectiviteit bestaat erin dat Brems uiterst zorgvuldig notuleert en verslag brengt, eigenlijk geen oordeel uitspreekt maar een overzicht geeft van bestaande oordelen. Een soort intersubjectiviteit met zijn collega's - een klein clubje in dit kleine landje. Het openen met Mijn kleine oorlog (1947) van Louis Paul Boon was bij het verschijnen van de roman een bom geweest maar is een halve eeuw later min of meer bon ton. Boon is ondertussen gecanoniseerd voor de generatie die de kritiek beheerst en de geschiedschrijving dicteert. De keuze wordt gelegitimeerd door het feit dat de belangrijke thema's die de verdere literatuurgeschiedenis zullen inspireren in dit werk al aanwezig zijn: "zoals de tegenstelling tussen ethiek en esthetiek of de vraag hoe een versplinterde werkelijkheid kan worden weergegeven..." Brems kondigt ze aan als de leidmotieven van zijn boek.

Boon publiceerde de eerste kroniek in Zondagpost (24 december 1944) - iets tussen journalistiek en fictie. In augustus 1945 besloot de redactie de kroniek stop te zetten: het publiek wou liever lezen over mode etc. Kortom: de aandacht voor lifestyles was begonnen. Niet onaardige symboliek om mee te openen (maar Brems gaat er niet op in), omdat we weten dat de literaire cultuur vandaag bedreigd wordt door het belang van lifestyles als zingeving. Zoals een redacteur in deze krant (als inleiding op een nummer van DM Magazine) de vraag stelde: wat delen de lezers van De Morgen? Het antwoord bleek te zijn: ze genieten graag van wat de markt biedt: van reizen tot tafelen. Het biefstuksocialisme van weleer is vervangen door lifestylesocialisme.

Die laatste opmerking mag niet de indruk wekken dat Brems geen aandacht zou besteden aan de sociale context waarbinnen de literatuur ontstaat: de productie, de bemiddeling en de receptie van literatuur. Of: het literaire veld, de instituties, de maatschappelijke context.

Verder is de literatuurgeschiedenis politiek correcter dan ooit door de vele perspectieven die gepresenteerd worden: aandacht voor de voormalige Nederlandse koloniën, de plaats van vrouwen, aandacht voor kinder- en jeugdliteratuur, en - met mate - aandacht voor populaire literatuur.

De aandacht richt zich vooral op de scharniermomenten waarop een auteur zijn/haar nest bevuilt om zo vlug mogelijk zelf een nest te bouwen. Het is dan wachten op een nieuwe nestbevuiler. Brems spreekt geen voorkeur uit voor een bepaalde vogelsoort, misschien wel voor het soort vogel dat weleens buitenkomt en kijkt wat er in de wereld gebeurt (of literair vertaald: een open versus een gesloten literatuuropvatting). Het is nu wachten op vogels die op deze literatuurgeschiedenis kwaad beginnen te pikken. En nu stop ik met de beeldspraak rond vogels en nesten, maar Brems is er nu eenmaal mee begonnen.

Brems kiest voor het concept 'ontmantelen' - een woord waarschijnlijk gekozen omdat het vriendelijker klinkt dan ontmaskeren, en wat minder drastisch en academisch dan deconstrueren. Ontmantelen dus - niet van kernwapens maar van kernverhalen - "door te laten zien hoe en waarom ze tot stand gekomen zijn en wat de mogelijke alternatieven zijn."

Precies in die laatste zin - die zo vanzelfsprekend is voor literatuurliefhebbers - worden we geconfronteerd met de problematiek of veel mensen daar nog in geïnteresseerd zijn.

Ondanks alle eenstemmigheid in de waardering, was er toch één tegenstem die opviel. De Nederlandse hoogleraar Thomas Vaessens veegt Brems en zijn collega's de mantel uit (het artikel verscheen in De Groene Amsterdammer). Literatuurgeschiedenissen beschrijft hij als negentiende-eeuwse romantische uitvindingen die hij koste wat het kost niet langer wil romantiseren. Zijn kritiek richt zich zowel op het nationale zoeklicht dat in deze geschiedenis centraal staat als op de beschrijving van de literatuur als een autonome plek waar schrijvers elkaar opvolgen op basis van literaire conventies die overtreden en weer gecreëerd worden.

Volgens Vaessens past dit niet bij wat in de leescultuur aan het gebeuren is. Ik vrees dat hij helaas een bijzonder belangrijke, vervelende waarheid ventileert.

We hebben vandaag te maken met een verschuiving van een enkelvoudige geletterdheid (natie-boek-literatuur) naar meervoudige geletterdheden (globalisering-digitalisering-mediatisering). En er is meer gaande.

Terwijl de ene groep pleit voor het belang van literatuur, pleiten anderen voor aandacht voor plastische kunsten, architectuur, opera, toneel, film, computergames, popmuziek etc. En daar horen dan ook alle mogelijke multiculturele verruimingen bij.

Al deze suggesties tot verbreding kunnen in principe ook pleiten voor een historische verdieping. Maar dat is qua tijd in het middelbaar onderwijs niet mogelijk. Er is meer in het leven dan kunst (zoals in Monty Python ooit werd opgemerkt), en hetzelfde geldt voor het onderwijscurriculum. Er is echter ook meer in het leven dan vaardigheden, dan wetenschappen, dan technologie dus de verdediging van een culturele component in het curriculum lijkt me ook belangrijk.

Vaessens stelt indringende vragen over de toekomst en hij doet dat vanuit dringende actuele problemen: voor de leraren en hun leerlingen "is het niet meer vanzelfsprekend om een uiting van cultuur in de context te zien van een monodisciplinaire ontwikkelingsgang".'

Misschien moeten we pleiten voor een ruime introductie in kunst op basis van media-ontwikkelingen. We leven immers in een tijd waarin de media zich revolutionair ontwikkelen. Welke plaats krijgt literatuur dan nog?

Naast alle uitroeptekens, plaatst Vaessens enkele vraagtekens die we monter moeten aanvaarden. De commentaar doet me denken aan het moment waarop de twee nieuwe bibliotheken werden geopend in Londen en Parijs. George Steiner, die normaal geciteerd wordt als cultuurcriticus en als verdediger van de boekencultuur, becommentarieerde deze nieuwe gebouwen met de uitspraak: "It is too late." Bij zijn jarenlange verdediging van de traditionele cultuur schreef hij ook een aftertought die we au sérieux zullen moeten nemen: "Het heeft te lang geduurd eer (...) ik besefte dat de interacties tussen verheven en populaire cultuur, met name via film en televisie - thans de invloedrijkste instrumenten van het algemeen gevoelen en mogelijk van de scheppende mens de monumentale pantheon grotendeels hebben vervangen." Kortom, het ziet er naar uit dat literatuur haar plaats zal moeten verdedigen op de markt dus ook in het onderwijs, de krant, de media... en uiteraard ook bij de cultuurparticipant of consument, want zo heten wij tegenwoordig.

Ronald Soetaert

Onze minister van Cultuur voerde nog net niet

de kniezwengel uit, maar de teneur was toch:

Je t'adore. Adoratie alom voor het werk van de professoren. En terecht. Het mag weer:

adoratie voor de eigen identiteit

De reeks

l Frits van Oostrom Stemmen op schrift (Middeleeuwen I tot 1300)

l Frits van Oostrom Een eeuw van expansie (1300-1400)

l Herman Pleij Het gevleugelde woord (Middeleeuwen II, 1400-1560)

l Karel Porteman en Mieke

Smits-Veldt Een nieuw vaderland voor de muzen (1560-1700)

l Joost Kloek Twee overzijden

(1700-1800)

l Wim van den Berg & Piet

Couttenier De grenzen voorbij

(1800-1890)

l Jacqueline Bel Literatuur in tijden van onschuld en oorlog (1900-1945)

l Hugo Brems Altijd weer vogels die

nesten beginnen (1945-2005)

l Anne Marie Musschoot &

Arie Jan Gelderblom Verantwoording

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234