Dinsdag 17/05/2022

'Je moet schrijven wat je moet schrijven'

Vandaag 26 oktober wordt Jan Wolkers tachtig jaar. Met zijn vrijmoedige boeken was hij vanaf de jaren zestig voor een flink stuk verantwoordelijk voor de emancipatie en seksuele bevrijding van Nederland en Vlaanderen. De Morgen trok naar zijn woning op het eiland Texel voor een verjaardagsinterview. Door Johan Vandenbroucke

'Jullie hebben toch niet op de boot gegeten?", vraagt Jan Wolkers verschrikt. Hij doelt op de overzet tussen De Helder en Texel, waar hij sinds 1980 woont. We hebben er inderdaad een broodje genuttigd. "Dat is rommel, niet te vreten. Ik dacht nog te bellen, maar ik veronderstelde dat jullie Belgen wel zo verstandig zouden zijn om er niks te consumeren."

Door een hem sinds deze zomer plagende wondkoorts aan de voet kan hij momenteel niet goed stappen, maar verder is Wolkers helemaal zijn enthousiasmerende zelf. Op de tafel enkele pasfotootjes van jongedames: meisjes die de schrijver om hulp verzoeken bij hun scriptie. Hij vertelt genoeglijk over een brief die hij eens kreeg, van een vrouw die hem om sperma verzocht. Met kunstmatige inseminatie wilde ze zwanger van hem worden.

Zijn vrouw Karina zet intussen smakelijke broodjes op tafel. We moeten toetasten, al is het maar om de smaak van het industriële brood op de boot weg te werken.

Hij maakt grapjes met de fotograaf - "Als je me maar niet vraagt de poel over te zwemmen, want dan geraak ik maar halverwege. De laatste foto: de verdronkene". We krijgen cider te drinken die Wolkers introduceerde op het eiland - "nu koopt iedereen het" - en hij presenteert me een sigaar met de vraag of ik "over mijn longen" rook.

"Inhaleren hoeft eigenlijk niet, want de nicotine werkt ook op je slijmvliezen, dus je krijgt er zo ook binnen. En dan komt het niet in je longen. Ik heb astma. Als ik inhaleer, één trek, dan kunnen jullie meteen een ambulance bellen. Ik heb dat van heel mijn leven nog nooit gedaan. Maar misschien is dat gewoon doodsangst. (lacht)"

U debuteerde pas in 1961, toen u al 36 was. Maar nu verschijnt een brievenboek, Ach, Wim, wat is een vrouw?, met brieven aan een jeugdvriend die u schreef tussen uw negentiende en vierentwintigste.

Jan Wolkers: "Precies. En in dat brievenboek kun je zien dat de schrijver al ten dele aanwezig is. Je merkt dat die jongen van negentien al aardige brieven schrijft. Soms sentimenteel en nog echt puberaal, want dat speelde ook mee: ik was wel negentien maar tegelijkertijd nog zestien of zeventien. Door de oorlog had ik een heleboel niet meegemaakt. Veel mensen zijn door die oorlog pas later tot bloei gekomen."

Toch duurde het na die correspondentie nog meer dan tien jaar vooraleer u écht schrijver werd.

"Het kwam niet in me op om te schrijven. Ik zat op de academie voor beeldende kunst en waarschijnlijk speelden mijn vroege huwelijk en vaderschap ook een rol. Om te schrijven moet je ergens rustig zitten en dat kon ik toen niet. Ik was natuurlijk veel te vroeg vader geworden. In die eerste brieven aan Wim lees je dat ik meerdere vriendinnen had, maar toen hij terugkwam uit Indonesië en onze briefwisseling eindigde, was ik al vader van twee kinderen.

"Mijn vader had me het huis uitgetrapt. We hadden ruzie om godsdienstige kwesties, dat ik niet meer naar de kerk ging en zo. Ik was opstandig en koppig en had allerlei aanmerkingen op de bijbel. Toen heeft mijn vader gewoon al mijn rommel in het portiek gezet en moest ik het huis uit.

"Mijn vriend Jan Vermeulen nam me toen mee naar twee vriendinnen, bij wie ik kon logeren. Hij had altijd tegen me gezegd: ik stel ze nooit aan je voor, want dan ben ik ze kwijt. Maar toen moest hij wel, want ik stond op straat. Een van die meisjes werd mijn eerste vrouw. Dezelfde dag nog had ik bij haar een tentoonstelling van mijn werk, op haar zolderkamer."

Vlak na de oorlog had u zich aangemeld als oorlogsvrijwilliger voor Nederlands-Indië.

"Ja, direct na de oorlog. Ik heb nota bene mijn vrienden overgehaald om tegen de Japanners te gaan vechten. Zij werden allemaal goedgekeurd, maar ik niet. Dus zij vertrokken en ik bleef achter. Later kreeg ik nog een oproep, maar toen had ik al geen zin meer om te gaan, want het was in die tussentijd een koloniale oorlog geworden.

"De psychiater van dienst was de beroemde professor Cart, die Gerrit Achterberg behandelde in het krankzinnigengesticht Rijngeest, bij ons in de buurt. Ik zei hem dat ik veel poëzie las. Van wie dan wel, vroeg hij. Van Gerrit Achterberg. Laat maar eens horen, zei hij. En toen kwam er een stortvloed van verzen over hem: (declameert) 'Van het meisje van zestien jaar / zijn dit de borsten; neem ze maar / zegt ze, je handen dorsten er naar / en mij is het even wonderbaar.' Ik kende de hele poëzie van Achterberg. En hij riep: 'Hou op, hou op'. Zo werd ik vrijgesteld van legerdienst. Ik mag dus nooit iemand doodschieten, wat in sommige gevallen wel jammer is."

Ook uw vriend Jan Vermeulen kende Achterberg persoonlijk.

"Ja, Achterberg was zijn beste vriend. In de oorlog heeft Jan nog een bundeltje van hem uitgegeven: Morendo. Hij ging hem vaak opzoeken in Rijngeest, waar Achterberg zat vanwege dat delict, de moord op zijn hospita. Op een keer zei Achterberg hem: 'Als de voorwerpen op tafel iets anders stonden zou ik je moeten vermoorden. Want de lichtval is net zo.' Dat sloeg op het licht dat zijn kamer binnenkwam toen hij zijn hospita dood had geschoten. Hij heeft ook een keer tegen Jan gezegd: 'Ze heeft niet te klagen. Ik heb een paar onsterfelijke gedichten over haar geschreven'."

Hoe kwam u tot die liefde voor poëzie?

"Dat heeft met mijn calvinistische achtergrond te maken. Wij moesten op school psalmen leren: 'de Heer der heren / doet ons triomferen / hij, geducht in macht/ Slaat elk gunstig gade / die op Zijn genade / In benauwdheid wacht.' Dat soort onzin, maar je leert daar wel de taal door."

De bijbel ligt ook aan de oorsprong van uw schrijverschap?

"Drie keer per dag werd er thuis voor het eten een half uur of drie kwartier voorgelezen uit de bijbel. Zo werd je geconfronteerd met die taal en de onvergetelijke beeldspraak uit die mooie statenbijbelvertaling. Zoals mijn vader dat voorlas! Je fantasie werd als het ware aangeblazen. In de bijbel staan veel gruwelijke verhalen, waarnaar je met open mond en open oren luisterde. Dat was wat anders dan Bruintje Beer of Winnetou.

"Maar je leert ook veel uit de bijbel, zeker als je kritisch luistert of leest. En dat werd ook door de bijbel zelf opgeroepen. Als Christus bijvoorbeeld tegen de farizeeërs en schriftgeleerden zegt: 'Wee jullie, huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden'.

"Ik was heel kritisch. Bij de strijd van Josua tegen de Filistijnen ligt het dal vol lijken, en wordt er gebeden of God de zon stil wil laten staan. Dat gebeurt dan ook, zodat ze die mensen nog even af kunnen maken. Maar die klootzak van een god wist niet eens dat in zijn eigen schepping de aarde om de zon draait en niet andersom. Zulke dingen vielen mij op."

En volgens uw vader waren er geen dieren in de hemel.

"Ja. Een hemel zonder dieren, voor altijd opgescheept met al die uitgedroogde mensen, vreselijk. Dieren waren voor mij heel belangrijk, tot op de dag van vandaag. Ik wilde nooit meer een poes, na Voske waarover ik schreef in De junival. Dagelijks denk ik nog aan dat beest. Maar als je kinderen hebt, kun je ze geen huisdier onthouden, dus we kregen weer twee poezen. Er is er pas een doodgegaan en de andere rouwt. Daar had ik nog nooit over gehoord. Knorretje heette ze, zo'n lieve kat. Ze ligt buiten begraven naast Voske, ik zal het je laten zien. Iedere dag zet ik een roos op haar graf."

In De weerspiegeling (2001) beschrijft u opnieuw de eerste oorlogsdag: 10 mei 1940, verwijzend naar een verhaal in uw debuut.

"De hoofdpersoon ziet dan de eerste soldatenlijken. Dat heb ik echt zo gezien: de vrachtwagen met gesneuvelde soldaten die bij de rouwkapel van het pathologisch laboratorium aankomen. Sommige zo gruwelijk verminkt dat het een brij was van bloederig vlees en uniformen. Als ik sindsdien op televisie oorlogsbeelden zie, doet het me niets. Ik heb het als veertienjarige jongen al in werkelijkheid gezien."

Net als later in Terug naar Oegstgeest gaat het ook al in die eerste verhalen over de dood van uw broer in 1944.

"Hij stierf aan difterie. Het is precies zo gebeurd als ik het beschreven heb. Die tekening heb ik nog. Op een dag kregen we vreselijke ruzie en scheurde hij een tekening stuk. 's Avonds heb ik alle foto's van hem verbrand. Na de laatste foto dacht ik: nu ben je dood. En toen mijn broer later écht doodging, was er niet één foto van hem beschikbaar. Dat is me blijven achtervolgen. Hij was eenentwintig toen hij stierf, ik was achttien."

In die begintijd volgde het ene boek op het andere. Een vloedgolf van creativiteit?

"Ja, en tussendoor heb ik altijd geschilderd en gebeeldhouwd. En dan ging ik nog vaak met de kinderen uit mijn eerste huwelijk op stap. Die scheiding heeft me wel een opdonder bezorgd. Ook wegens de kinderen. Je weet wat er gebeurd is: de dood van ons dochtertje."

Waarover u schreef in Een roos van vlees.

"Ja. Over dat ongeluk heb ik pas kunnen praten nadat ik Een roos van vlees geschreven had. Ik denk er nog iedere dag aan. Dat schrijven was in het begin één brok woede, een ongericht projectiel. Maar ik ben er geen mensenhater door geworden of zo. Ik ben niet achterdochtig en ik ben ook niet vijandig tegenover collega's. Dat is een van de weinige dingen die ik bij mezelf bewonder. Je moet het ook achter je kunnen laten, want als je je daar te veel om bekommert, word je een soort bakfiets met allemaal lijken uit het verleden, en is er geen plaats voor nieuwe, frisse dingen."

Meer dan veertig jaar later is het nog moeilijk te begrijpen dat uw verhalen zoveel schandaal veroorzaakten.

"Dat valt ook niet te begrijpen. In 1963 las ik mijn verhaal 'Kunstfruit' voor in een kunstenaarssociëteit, en daar liep de helft van de mensen weg. Later las ik het voor aan de Universiteit van Leiden en liep een professor kwaad de zaal uit. Dit is pornografie, riep hij, terwijl twee meisjesstudenten hem achterna trippelden. Terwijl het een aardig verhaal over een zwanger meisje is.

"In De hond met de blauwe tong staat het verhaal 'De achtste plaag', waarin een jongen een kip verkracht. Ongeveer een jaar geleden, tijdens een debat over het heen en weer schelden tussen bevolkingsgroepen, zei een moslimafgevaardigde van Rotterdam: 'Het is niet omdat Wolkers kippen neukt dat alle Hollanders kippenneukers zijn'. (lacht) Dat is natuurlijk een rare kronkel; je mag de hoofdpersoon nooit verwarren met de schrijver. Dat verhaal kwam van een jongen op school. Hij woonde bij zijn stiefvader die kippen hield en werd er vreselijk geslagen. Op een dag vertelde hij mij dat hij wraak had genomen. Als schrijver gebruik je die dingen."

Met Terug naar Oegstgeest in 1965 zorgde u voor een bom in de gereformeerde wereld.

"Dat was zo, maar ik moet zeggen dat de gereformeerden daardoor toch een stuk zijn opgeknapt. Mijn vader zat eens in de kerk toen een dominee over mij preekte. Hij zei dat wij onze kinderen niet meer moesten opvoeden zoals de vader van de schrijver Jan Wolkers. (lacht) Toen had ik wel medelijden met mijn vader, dat hij dat van zijn eigen kansel moest aanhoren."

In de jaren zestig was u politiek actief. U maakte allerlei linkse affiches, bijvoorbeeld tegen de apartheid.

"Ik wist natuurlijk wat de kracht was van het beeld en het woord, dus dat moet je dan gebruiken. Dan vroegen ze: wat gaan we doen? En toen zei ik: we gaan boterhammen, allemaal boterhammen op een bord plakken, en aan de andere kant een tank. Tanks voor brood. Maar ik ben nooit aan een partij verbonden geweest. Ze waren altijd bang voor mij. Ik zei gewoon wat ik wilde zeggen. Ik heb wel dingen gedaan voor de CPN, maar ik heb altijd gezegd: als de antirevolutionaire partij mij vraagt om voor haar een bord tegen de napalmbommen te maken, dan doe ik het ook graag. Alleen was die niet tegen de oorlog in Vietnam. Die oorlog was natuurlijk voor veel mensen een keerpunt. Vooral door de domheid van de Amerikanen met hun dominotheorie."

U was heel genereus. Samen met Harry Mulisch betaalde u ooit een paginagrote advertentie.

"(lacht) Dat was voor de bezetting van Beverwijk, een school waar ze een leraar ontslagen hadden. Ze kwamen bij mij om steun en zeiden dat Harry Mulisch al 25 gulden had gegeven. Toen zei ik: nou, dan betaal ik de rest: 2.000 gulden. Maar dat is maar een kleinigheidje. Ik heb altijd veel weggeven. In de bijbel staat dat de linkerhand niet moet weten wat de rechter- doet. Meestal wordt dat vals gebruikt, omdat die rechterhand meestal niets doet."

Bij de laatste verkiezingen was u lijstduwer bij de PvdD, de partij van de dieren.

"Ja zeker. Maar ik bemoei mij er verder niet mee, ik weet er niets van. Ik zeg ze altijd: die bekende mensen zijn maar een soort symbool, je moet het zelf doen. Ik ben geen vegetariër, maar ik maak me wel zorgen over de industriële vleesproductie en de massaliteit."

In 1969 verscheen Turks fruit, een autobiografische roman. Uw tweede vrouw Annemarie stond model voor het hoofdpersonage Olga. Kreeg u nooit reacties van mensen die u beschreef?

"Ja, maar de dood van Olga door een hersentumor overkwam een andere vriendin van mij. Dat was niet Annemarie, maar een dichteres die zo gestorven is, Ida Sipora. Ik heb die verhalen met elkaar vermengd. De Avro heeft daar nog een uitzending over gemaakt, Olga is niet dood, ze leeft, en Annemarie kreeg toen heel de pers over haar. De doodsstrijd van Ida Sipora heb ik van dichtbij meegemaakt. Ze werd kaalgeschoren, een hoofd met een dekseltje, zoiets kun je niet vergeten."

Jonge schrijvers prijzen nu Turks fruit. Arnon Grunberg schreef vorige week nog: 'Veel andere klassieke romans uit de Nederlandse literatuur verbleken erbij als maakwerkjes uit het knekelhuis'. Doen die huldeblijken u iets?

"Ach, ik vind dat wel aardig. Ik heb ook altijd mensen geprezen die ik goed vond. Terwijl anderen altijd aan het trappen zijn. Ik heb ook wel eens wat terug gezegd tegen critici, maar dat was met humor. Maar als ik de mentaliteit van Hermans had gehad dan was ik daar mijn hele leven mee bezig geweest. Als ik zijn polemieken nu lees dan denk ik: godverdomme jongen, had toch een paar romans méér geschreven."

Turks fruit werd een absolute bestseller.

"Ik weet nog dat mijn uitgever zei: 'Als je het eerst hoofdstuk eruit laat, wordt het een succes'. Hij bedoelde natuurlijk die onaneerscène. Die is toch blijven staan, je moet niet verminken wat goed weergeeft wat je wil zeggen. Zo is het gebeurd, ik was toen aardig in de rotzooi terechtgekomen. Je moet schrijven wat je moet schrijven. Ik heb geen moment gedacht aan het publiek. Ik heb nooit rekening gehouden met succes. Dan had ik wel een tweede Turks fruit geschreven, terwijl ik daarna juist met een vrij moeilijk boek kwam, De walgvogel, over de koloniale oorlog."

Hetzelfde thema als in Turks fruit komt terug in Brandende liefde.

"Daar gaat het vooral over de zuiverheid. De hoofdpersoon die stillevens maakt als Morandi wil een zuivere schilder zijn, terwijl zijn vriend zeg maar meer een Karel Appel is, gevoelig voor het commerciële. Het gaat om de zuiverheid van de kunst, datgene wat je als opdracht in je voelt zonder invloed van de buitenwereld tot uiting te brengen."

In 1971 verbleef u, na Godfried Bomans, een week op het onbewoond eilandje Rotummerplaat.

"Dat ze mij voor Rotummerplaat hadden gekozen was niet alleen als contrast met Bomans, maar ook omdat ze wisten dat ik dat wel kon. Ik had er een half jaar kunnen zitten. Ik amuseerde me best. Ik heb die week zoveel beleefd: de hele flora van het eiland heb ik vastgelegd op foto's en ik heb een kleine zeehond gered, die is de luchtmacht toen komen halen.

"Die zeehond is naar een museum gegaan en later kreeg ik telefoon van de directeur: Jan, je zeehond heeft een jong gekregen. Hij vroeg me of ik dat jong wilde komen dopen. Toen ik daar kwam, waarschuwde hij me dat ik moest oppassen, want zo'n moeder met een jong kan weleens bijten. Maar zodra de zeehond mijn stem hoorde, kwam ze naar me toe. Ik kon zelfs het jong aanraken. Dat vond ik zo fantastisch: dat zo'n beestje zich dat herinnert."

Eerder dit jaar verscheen uw dagboek uit 1974.

"Volgend voorjaar komt een ander deel. Het zijn eigenlijk notities. Ik zit nooit te filosoferen, wat ik zelf in dagboeken altijd heel vervelend vindt. Er staat ook weinig in over wat ik doe die dag. Het zijn meer van die rake opmerkingen, zoals: je bent het onkruid aan het wieden en ineens kijkt een vrouwtje over de heg dat roept: 'Turks fruit'."

Het gaat ook over uw contacten met voetballer Willem van Hanegem.

"Ik maakte een interview met hem. Dat was heel leuk. Hij is zo gevat, zo'n Zeeuwse boerenjongen, maar je kunt zien dat hij Spaans bloed heeft. Van Hanegem is net een van de figuren van Goya.

"Ik had laatst voor het televisieprogramma Holland Sport nog een gesprekje met Ruud van Nistelrooy. Ik noemde hem een geniale Spaans-Brabander, daar zit ook Spaans bloed in. Ik ben altijd voor vermenging geweest. Ik was ook altijd verliefd op Indonesische meisjes bij ons op school in Oegstgeest."

Vanaf de jaren negentig publiceerde u essaybundels. Hoe kwam het dat u pas zo laat essays begon te schrijven?

"Omdat ik ineens zoveel opdrachten kreeg voor grote monumenten: het Auschwitzmonument, het Den Uyl-monument en nog veel meer. Tussendoor had ik geen tijd om aan een roman te werken. Maar misschien moesten die essays er ook komen, want die halen weer andere dingen boven. Ze houden het midden tussen essay en verhaal. Ik kan alleen schrijven over datgene wat mijn eigen leven geraakt heeft."

U geeft er vaak op een persoonlijke manier blijk van bewondering: voor Frans Hals of Dylan Thomas, maar ook voor Marilyn Monroe.

"Ja, ik had nog een essay over Jesse Owens moeten schrijven, de atleet. In Amerika was ik eens in een klein museum en daar zag ik mooie prentbriefkaarten van Jesse Owens. Ik kocht er zes of zeven, en tegen het meisje achter de kassa zei ik: 'Ik kom de mooiste man ter wereld bij je kopen'. Ze keek zo verbaasd, dacht wellicht dat ik Johnny Halliday of weet ik wie bedoelde, en toen zag ze zo'n zwarte man. Dat vond ik heel typerend."

U publiceerde dit jaar het boekenweekgeschenk Zomerhitte, maar uw laatste roman dateert van 1984. U zei al eens dat u 'zonder de jongens' waarschijnlijk drie of vier romans méér had geschreven.

"Ja, ik heb verschrikkelijk veel tijd in de jongens gestoken. Karina natuurlijk ook. Dat is zo fantastisch. Heb jij kinderen? Nou, je weet, dat is het belangrijkste wat er is.

"Je moet ze veel voorlezen. Karina las ze altijd voor uit Homeros en zo. Terwijl ze bezig was, vond ik een keer in de tuin een heikikker. Die hebben een mooiere tekening dan een gewone bruinkikker. Ik nam die mee naar binnen: kijk, jongens, een heikikker. Dan terug in de tuin zag ik een egel. Ik ook daarmee naar boven: kijk, een egel. En toen zei Karina: 'Alleen als je een nijlpaard vindt, mag je nu nog komen. (lacht)"

Hebben ze zich nooit afgezet tegen hun vader?

"Nooit, er was ook geen reden voor. Wat ik wel jammer vind, is dat ik het niet meer zal meemaken dat ze iets volbracht hebben. Ze hebben allebei bijzondere talenten. Tom speelt fantastisch gitaar en Bob zit nu in Lyon op de kunstacademie. Ik kan me wel voorstellen hoe ze zich verder zullen ontwikkelen, maar ik zal er geen getuige meer van zijn."

U publiceerde de voorbije jaren meerdere boekjes waarin tekeningen van hen stonden.

"Ja, leuk hé. Daar staan mooie dingen in. (bladert in een boekje, geeft bij elke tekening commentaar: 'Dat is van Tom, dat van Bob')"

U publiceerde de laatste jaren ook enkele poëziebundels. En de gedichten gaan opvallend veel over de dood.

"Ja. In heel mijn werk is de dood trouwens heel belangrijk. Ik heb er altijd een soort onverschrokkenheid tegenover gehad. (citeert) 'Een kraai krast dat het is volbracht / ik sluit mijn mond en geef geen kik / Dit is de dood en dat ben ik.'

Johan Vandenbroucke

In het voorjaar van 2005 verscheen Dagboek 1974, de eerste uitgave van de dagboeken die Jan Wolkers in de jaren zeventig bijhield. Begin 2006 zal een tweede deel verschijnen, dat zich afspeelt in de periode van 1969 tot 1971. Deze week verschijnt Ach Wim, wat is een vrouw? - Brieven aan een jeugdvriend. Deze boeken zijn uitgaven van De Bezige Bij.

'Ik denk nog elke dag aan mijn dode dochtertje, maar je moet het ook achter je kunnen laten. Als je je daar te veel om bekommert, word je een soort bakfiets met allemaal lijken uit het verleden en is er geen plaats voor nieuwe, frisse dingen''Drie keer per dag werd er thuis voor het eten voorgelezen uit de bijbel. Zo werd je geconfronteerd met die taal en de onvergetelijke beeldspraak uit die mooie statenbijbelvertaling. Je fantasie werd als het ware aangeblazen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234