Donderdag 13/05/2021

‘Je moet je demonen laten dansen’

De romanschrijver in Jeroen Olyslaegers is terug van nooit helemaal weggeweest. Met een haast demonisch genoegen maakt hij in Wij korte metten met het writer’s block dat hem tien jaar geleden naar het theater dreef. ‘Je moet als schrijver over alles een kruis trekken, het stof wegblazen en je eigen ding doen.’

Plots geen acteurs, actrices en regisseurs meer om je achter te verschuilen. Alleen nog de schrijver en zijn boek.

“Het publiek applaudiseert niet voor de theaterschrijver, je bent gewoon een deel van de crew. Dat was even wennen. Maar ik ben ook voor theater gaan werken in de hoop dat ik iets te weten zou komen over schrijven, over het ambachtelijke van schrijven. Ik heb ook veel geleerd. Mijn vorige boeken waren een gevecht tegen mezelf. Heel eenzaam. Schrijven voor theater is letterlijk gericht op delen. Zo heb ik ook geprobeerd om Wij te schrijven. Dankzij het theater had ik een veel breder publiek voor ogen. Wij is een boek dat gericht is op Vlaanderen, maar ik probeer het Vlaamse publiek ook op te tillen naar iets breders. Ik schrijf over het slachtofferschap waar het Vlaams-nationalisme, maar ook politici als Jean-Marie Dedecker en Yves Leterme, zich zo graag in wentelen. Koketteren met de messen in hun rug. Maar dat Vlaamse slachtofferschap is slechts een symptoom van het universele wantrouwen tegenover het gezag waar heel Europa mee worstelt. Die geloofscrisis overstijgt Vlaanderen, daar wil ik over schrijven.”

Maar daar heb je wel de microkosmos Vlaanderen voor nodig?

“Het is ook geen probleem om het over híér te hebben. Ik heb een haat-liefdeverhouding met dit land, zoals de meeste mensen. Maar au fond voel ik mij hier ook gewoon heel erg thuis. Wij zijn een land van Sancho Panza’s. Sancho dient trouw Don Quichot, met de belofte dat hij op het einde van de rit zijn eigen land mag regeren. Maar als het dan uiteindelijk zo ver is, weet hij niet van welk hout pijlen maken. Dat is zo typisch Belgisch. Als we niet weten wie we moeten volgen, raken we in paniek. We hebben allemaal een grote mond, leve de meningencultuur. Maar tegelijkertijd willen we toch vooral niet uit ons kot komen. Wij zijn geen land van helden. Je wordt hier pas een heerser als je eerst een slachtoffer bent. Het sm-gevoel in de Vlaamse politiek: meester en slaaf tegelijk willen zijn.”

‘Mensen waar je liever niet bij wilt horen, situaties waar je liever niets mee te maken hebt’, meldt radiodiva Friedl’ Lesage op de voorflap over het boek. Het mag dan wel Wij heten, de meeste lezers zullen denken, of minstens hopen, dat het eigenlijk over ‘zij’ gaat.

“(lacht) Ik weet het, maar ze dwalen. Het boek draait op herkenning, het is één grote herkenningsmachine. Mijn buikgevoel zegt me dat ik er boenk op zit. Dat komt volgens mij doordat het boek meer is dan een satire. Ik heb het menselijk proberen te maken, ik heb geprobeerd om met mededogen naar mijn personages te kijken. Nu pas kan ik dat. Tien jaar geleden was ik te woedend.”

Is de enorme woede die in hoofdpersonage Georges sluimert uit je eigen leven gegrepen?

“Niet alleen de woede van Georges. Zijn zoon Donald, die zich later in het boek kwaad maakt over de oorlog in Joegoslavië, die kwaad is omdat hij zich zo machteloos voelt, dat is helemaal de Jeroen Olyslaegers uit die periode. Ik heb moeten afrekenen met mijn eigen woede. Ik werd vroeger altijd geassocieerd met woede, je kunt je niet voorstellen hoeveel keer ik een angry young man genoemd ben. Het probleem van woede is dat ze naar binnen slaat, dat je bitter wordt. En dan ben je niet zo’n interessante schrijver meer. Woede leidt je te veel af. Ik volg de actualiteit op de voet, ze raakt me geregeld, maar ik reageer niet meer met de verbijsterde woede van tien jaar geleden. Ergernis is niet hetzelfde als woede. De evolutie in Wij is ook mijn evolutie. Georges verdwijnt, de woede verdwijnt.”

Hoewel het een erg Vlaams en een erg hedendaags boek is, speelt Wij zich grotendeels af op een Spaanse berg in de zomer van 1976. Vanwaar dat uitstapje naar het zuiden, naar die mythische zomer van Lucien Van Impe en lsd?

“Het is een scharnierjaar in een cruciale periode. Michel Houellebecq heeft ooit gezegd dat het na de zomer van 1976 allemaal bergaf is gegaan. Daar zit een grote grond van waarheid in. Ik was nog maar negen jaar, maar toch had ik toen al het gevoel dat er iets aan het veranderen was. Tegelijkertijd is 1976 een gigantische echoput van wat er vandaag allemaal gebeurt. We zijn heel sterk gelinkt aan het tijdperk waarin Wij zich afspeelt. Terwijl ik het boek schreef, werd de herkenning heftiger en heftiger. De angst door de economische crisis is ongelooflijk herkenbaar. Mijn ouders hadden in 1973 een huis gekocht, te verwarmen op stookolie. Net daarna gingen de olieprijzen helemaal door het dak. Pure paniek. Het feest was voorbij. Minder kerstcadeaus, op van alles en nog wat besparen, het is me allemaal bijgebleven. Ik proef die hete zomer van ’76 nog, ik kan me de geur zo voor de geest halen. De stank van opgedroogde vijvers en dode vissen, die bizarre maanden waar niemand de auto nog mocht wassen.”

Zonder al te veel in detail te gaan, zet je het boek van begin tot einde onder een soort van seksuele hoogspanning die heel erg seventies aandoet.

“Als je naar porno uit de jaren zeventig kijkt, weet je niet wat je overkomt. De bossen schaamhaar, de snorren, het zachte gekreun, maar ook: de algehele softheid. Ik weet niet goed of ik er echt opgewonden van raak, maar ik word er wel ontzettend gelukkig van. Er zit echt een Tuin van Eden-gevoel in, een hippiehouding van ‘laten we alles lekker delen’. Het gaat over meer dan porno en seks, het is een soort levensgevoel. Nu is alles veel harder. Seksualiteit is mainstream geworden, seksuele excessen zijn mainstream geworden. Als je de Flair koopt, krijg je er gratis een vibrator bij. Noem me sentimenteel, maar soms mis ik de onschuld van de seventies. Die verdwenen onschuld heb ik in mijn roman proberen te steken. Kapitalisme verdraagt geen taboes, het is een Pacman die alle taboes opvreet en ze vervolgens weer uitspuwt als commerciële producten. Puriteinen zouden vandaag tevreden moeten zijn. De ontregelende kracht van seksualiteit is herleid tot een kwijlende puppy die luid blaft als er een nieuw speeltje op de markt komt. Er is geen echte duisternis meer, enkel licht uit een tl-buis. Maar dat is prima. Het wordt tijd dat seksualiteit opnieuw los wordt gekoppeld van consumptie. Leve het geheim!”

Je strooit ook kwistig met seksclichés: de tennisleraar, de babysitter,...

“Voor een stuk is Wij seventiesporno. Wat is porno anders dan een gigantische recyclage van clichés? Ik word daar niet moe van, ik vind dat boeiend. Er is niets verkeerds met clichés als je ze goed gebruikt. Natuurlijk vallen rijpere vrouwen op de tennisleraar, natuurlijk vallen rijpere mannen op de babysitter. Er zit nu eenmaal heel wat waarheid in clichés. Niemand geilt op de stokoude vrouw of op de arme schaapherder zonder tanden. Maar ik probeer de clichés wel altijd een draai te geven.”

Vrienden azen op elkaars vrouw, steken elkaar gretig messen in de rug en laten elkaar vallen als een baksteen als de grond onder hun voeten wat te heet wordt. Is dat jouw beeld van vriendschap?

“Sorry, maar dat is nu eenmaal wat er gebeurt met vrienden. Dat is geen morele veroordeling, het is gewoon de realiteit. Mannen geilen op andermans vrouw. In het beste geval blijft dat netjes verzwegen, in het slechtste geval zorgt het voor heel veel drama. Dat is het leven.”

Iets zegt ons dat jij niet echt een groepsmens bent.

“Ik heb alleszins een afkeer van het gedwongen groepsgevoel. Ik heb ooit bij de scouts gezeten. Mijn grootvader had die scoutsgroep opgericht, het was een familiale plicht waar ik niet onderuit kon. Ik wilde vooral niet mee op kamp, maar ook daar viel niet over te onderhandelen thuis. Ik moest en zou mee op kamp gaan. Ik heb daar ongelooflijk afgezien. Heimwee, dacht ik toen. Pas jaren later heb ik begrepen dat het daar niets mee te maken had. Het was het gebrek aan privacy dat ik zo afschuwelijk vond. Ik kon me niet terugtrekken, we werden non-stop geëntertaind. Ik werd daar compleet gek van. Het clubgevoel vind ik nog altijd griezelig. Samen wandelen in de Zwalmstreek, ledenblaadjes schrijven, dat soort dingen. Maar ik heb vrienden, ik functioneer in een vriendengroep. Dat zeker en vast wel. Spanningen horen erbij. Ze maken het net interessant om vrienden te hebben. De spanningen, de uitsluitingen, maar ook het plezier. En de drank.”

De Vlaamse leeuw wordt niet toevallig het symbool van de alliantie die Georges’ vrienden sluiten, in 1976 viert het Vlaams-nationalisme hoogtij. De manier waarop je daarover schrijft, doet Vlaams-nationalistische roots vermoeden.

“Mijn andere grootvader was collaborateur. De zwarte doos van het vliegtuigongeluk dat Vlaams-nationalisme heet, ken ik vanbinnen en vanbuiten. Het was gefundeness fressen op elk familiefeest. Leer mij de Vlaams-nationalistische trauma’s niet meer kennen.”

Is het boek een afrekening met die roots?

“Nee, absoluut niet. Dat zou immers betekenen dat ik moreel verontwaardigd ben door het Vlaams-nationalisme, en dat ben ik niet. Ik ben net gefascineerd door die manier van denken. Ik vraag me echt af of ze je nu gelukkiger maakt tegenover het land waarin je leeft. Wat levert die visie op lange termijn op? Een afrekening zou al te laf zijn. Ik ben deel van Wij, ik ben erin opgegroeid. Als ik al heb afgerekend met dat Vlaams-nationalistische milieu, dan heb ik dat twintig jaar geleden al gedaan. Nu heb ik mijn biotoop gewoon onder de loep genomen. Waar leidt dit allemaal toe? Waarom is dat verleden, dat slachtofferschap, zo belangrijk? Waar komt al dat wantrouwen vandaan? Het mag misschien vreemd klinken, maar ik heb een helend boek proberen te schrijven. ‘Helen’ betekent hier voor mij: bij elkaar brengen. Een satire heeft voor mij een maatschappelijke functie die humor overstijgt. Ik ben oprecht bezorgd over dat wantrouwen, wat het bij mensen veroorzaakt en wat het allemaal kapot maakt.”

Wij is een langgerekte oefening in exorcisme, er worden flink wat demonen uitgedreven.

“Ik heb heel veel respect voor demonen. Sinds ik mijn demonen aanvaard, is het leven veel aangenamer geworden. ‘Demonen hebben niet noodzakelijk met duisternis te maken’, zegt Katrien in het boek. Ik heb geleerd dat rationaliteit ook een demon kan zijn. Alles willen begrijpen, alles willen kaderen, dat kan je ook gek maken. Je denkt dat je alles perfect onder controle hebt, maar eigenlijk ben je even zot als diegenen die gehoorzamen aan hun demonen en met een fles wodka achter de kiezen staan te dansen op een of andere cafétafel. Voor mij persoonlijk is het veel gezonder om je demonen te omarmen dan om naar een therapeut te gaan voor een ‘goed gesprek’. Hoe kapitalistisch zijn we geworden als we ons onderbewustzijn laten omzetten in geld? Ik heb het natuurlijk niet over de zware gevallen. Maar met een burn-out of een midlifecrisis naar de therapeut gaan, met je ziel onder je arm, ik zou dat niet bepaald zien ziten. Ieder zijn medicijn, maar bij mij mag het allemaal out in the open zijn. De demonen mogen dansen.”

Misschien zit de sabbatical van tien jaar er voor iets tussen, maar dit boek lijkt ook met een zeker demonisch genoegen geschreven te zijn.

“Ik heb altijd enorm gehouden van het saterspel dat Hugo Claus opvoert in bijvoorbeeld De verwondering. Hij verkondigt niet noodzakelijk een mening, maar laat het over aan een beschrijving. Je hoort hem tijdens het lezen op de achtergrond de hele tijd schateren. Fantastisch. Een beetje demonisch genoegen is me zeker niet vreemd. Ik ben een beetje een smeerlap op gebied van personages, ik wil ze ook af en toe doen lijden. Pas op, ik heb nog altijd taboes. Ik zal in mijn boeken nooit een kind laten sterven. Ik zal het altijd betrekken op mijn eigen pijn, mijn eigen gevoel van wereldvreemdheid, van nergens thuis zijn. De dingen die mij hadden kunnen overkomen. Kinderen zijn mijn blinde vlek. Vreemd, hoor, maar soms komen dingen die ik schrijf ook écht uit. Ik heb overwogen om in Wij een kind te laten sterven, maar ik heb zelf een zoon en ik dacht: niet doen, Olyslaegers, dit wil je niet op je nek halen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234