Donderdag 13/08/2020

Jaren zonder kleur

Over de Franse fotografie van tussen de beide wereldoorlogen werd bitter weinig geschreven. Onlangs verscheen echter een erudiet, gul geïllustreerd boek over de nieuwe visie zoals die vanaf 1918 in de donkere kamers bezuiden Quiévrain vorm kreeg.

Van les années folles tot zwarte jaren, van de golden twenties tot de miserie van de Tweede Wereldoorlog en tussenin een soort revolutie, of op zijn minst een keerpunt. In de gespecialiseerde geschiedenisboeken, zeldzaam in Frankrijk, wordt het interbellum wel eens de tweede fotografische revolutie genoemd, na de pioniersjaren in de tweede helft van de negentiende eeuw. Maar de revolutie heeft zich niet in een keer voltrokken, en niet overal.

Het werk van de Franse fotografen was destijds gekend in de hele wereld, maar werd later onderschat, ten voordele van vooral Amerikaanse en Duitse vernieuwers. De geschiedenis werd geschreven, herschreven, en de Fransen keken nauwelijks geïnteresseerd toe.

Christian Bouqueret, vooraanstaand kunsthistoricus, begint zijn boek over de Franse fotografie van het interbellum met de opvallende mededeling dat hij geen nationalistische bedoelingen heeft. De Fransen, schrijft hij, hebben hun artistiek patrimonium verwaarloosd, verblind door de schater van buitenlandse schatten. Want elders is het altijd beter. Een complex waar ook onze natie aan lijdt. Des années folles aux années noires: la nouvelle vision photographique en France 1920-1940 is in vier gedeeld, met aandacht voor achtereenvolgens de geboorte van de nieuwe visie, de moderne fotografie, de verspreiding ervan, en het métier van de fotograaf. In het begin van deze eeuw werd de fotografie nog beschouwd als een soort bastaardkind van schilderkunst en wetenschap. De nieuwe visie werd ontwikkeld door reclamemakers (publiciteit werd even beschouwd als een nieuwe kunstvorm), door beeldreporters en door eigenzinnige kunstenaars, dadaïsten op kop.

Tijdens het interbellum maakte de massa kennis met zowat alle moderne informatie- en communicatietechnieken, van de geïllustreerde weekbladpers tot de televisie, via geluidsfilm, technicolor, drukpersen, telefoonverbindingen, (en autowegen, vliegtuigreizen, plastic voorwerpen, gevechtstanks). Lang voor de eerste computers verloren de noties van tijd en ruimte aan belang. De wereld bewoog aan honderd kilometer per uur. De grenzen werden verlegd, onder meer door vliegtuigmaatschappijen en radio-omroepen die overal ter wereld beluisterd konden worden. De fotografie, die niet nieuw was maar wel toegankelijker werd gemaakt voor de massa, was getuige en uitstalraam van de nieuwe wereld. Niet langer in dienst van de kunst en de wetenschap, maar aanvoerder van de informatiemaatschappij.

De nieuwe wegen van de fotografie werden niet door iedereen serieus genomen. Er verschenen geen laaiend enthousiaste artikelen in de burgerlijke bladen, in tegenstelling tot in Rusland, Duitsland of de Verenigde Staten. Fotografie werd als een vulgair medium beschouwd. Geen wonder dat alle grote Franse fotografen eigenlijk buitenlanders waren. Man Ray en Paul Outerbridge waren uit de Verenigde Staten geëmigreerd. Germaine Krull was een in Polen geboren Duitse die later naar Nederland uitweek. Ze publiceerde het boek Métal, mijlpaal van de nieuwe visie. André Kertész en Ergy Landau kwamen uit Hongarije. De immigranten keken naar de Franse samenleving met een fris oog, minder gemarkeerd door traditie dan de Fransen zelf. Hoewel er natuurlijk uitzonderingen waren, in het bijzonder Laure Albin Guillot, die al wat ouder was dan de meeste modernen en een pionier op het gebied van reclamefotografie, of nog Pierre Dubreuil, een fotograaf van de oude school die na de Eerste Wereldoorlog naar Brussel verhuisde. Het modeblad Vogue, altijd een bijbel van het moderne beeld, publiceerde in 1937 een foto van Dubreuil uit 1902. Extreem modernisme, vond de redactie, zelfs meer dan dertig jaar later nog.

De oude generatie fotografen hing zijn werk aan de muren van musea en galeries. De jonge generatie had de mainstream pers als uitverkoren medium: actualiteitsbladen zoals VU, het geesteskind van de geniale persman Lucien Vogel. En modebladen zoals Vogue, Jardin des Modes (ook aangevoerd door Vogel), en in mindere mate Marie-Claire, dat meer een traditioneel damesblad was. Voor de eerste categorie konden de fotografen het machinetijdperk vereeuwigen: fabrieksschouwen, treinsporen, wolkenkrabbers. Voor de tweede categorie maakten ze portretten en modefoto's, een nieuwe vorm van werken, waarin de al wat oudere, een beetje oubollige Baron De Meyer een vroege meester was.

Bouqueret besteedt ook aandacht aan de renaissance van de naaktfotografie - ingezet door de surrealisten, Man Ray en de Belg Raoul Ubac in het bijzonder, en gesteund door enkele hum hum-bladen met grote oplage. Alleen vrouwen mochten naakt poseren. Mannelijke erotiek was zeldzaam en werd onder de toonbank verhandeld. De auteur haalt ook de triomf aan van de reportage, en meer bepaald de sportieve reportage in het aanschijns van het nazisme, genre Leni Riefenstahl.

Wat van Des années folles aux années noirs blijft hangen, zijn de bijgevoegde foto's, en gelukkig maar. Ze zijn opvallend vaak van vrouwelijke fotografen. Zoals Laure Albin Guillot, gespecialiseerd in reclame en portretten en mannelijk naakt à la Mapplethorpe, maar dan stukken zuiverder. Of de gedecideerde modernisten Ilse Bing, Giselle Freund en Lisette Model. Of nog de interessante Claude Cahun, een groot, half vergeten talent, die zichzelf fotografeerde met een kaalgeschoren punthoofd, of als getormenteerde Pierrot (ze leefde met haar vriendin op een eiland in de Middellandse Zee). Van sommige minder bekende fotografen, zoals Cahun, Thérèse Le Prat, Roger Parry, Raoul Ubac of Maurice Tabard werd het oeuvre de voorbije jaren in Parijs tentoongesteld. De foto's van andere Franse en in Frankrijk gevestigde kunstenaars - Berenice Abbot, Hans Bellmer, Eugene Atget, Erwin Blumenfeld, Henri Cartier-Bresson, Brassaï, Robert Capa, André Kertész, Lee Miller, Herbert List, Man Ray of nog Pierre Verger - zijn gemakkelijk in boekvorm te vinden, en in de permanente collecties van 's werelds beste musea.

Maar Bouqueret toont in zijn boek ook foto's van vergeten fotografen. Werk dat we waarschijnlijk zelden terug zullen zien. Van namen die we misschien nooit meer zullen horen. Neem de vrouwen met bonte paraplu's van Roger Schall, uit 1939. Of, nog beter, het vaag-erotische portret van Bubi met de voetbal, door Jean Moral, van tien jaar vroeger. Moral is eigenlijk een slecht voorbeeld, want, zo lezen we in het colofon, uitgever Marval heeft voor volgend jaar een boek van Bouqueret aangekondigd over de fotograaf, die behalve Bubi ook prachtige portretten van zijn vrouw heeft nagelaten, plus opvallend modewerk voor Vogue en Harper's Bazaar, en reportagewerk voor Vu en later Paris-Match. Moral, schrijft Bouqueret, gaf de fotografie op toen hij ergens in de jaren vijftig aan het schetsen was op het strand van Cannes. De grote surrealist Francis Picabia kwam toevallig voorbij en zei: "Wie zo kan tekenen houdt het fotograferen beter voor bekeken".

Jesse Brouns

Christian Bouqueret, Des années folles aux années noires: la nouvelle vision photographique en France 1920-1940, uitgegeven door Marval, Parijs, ISBN 2-86234-230-0.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234