Maandag 19/04/2021

Jaren na het feest

Hugo Raes (°1929) was in de jaren zestig en zeventig een van de boegbeelden en smaakmakers van de Vlaamse literatuur. Nu publiceert hij een bundel herinneringen, Een aquarel van de tijd, waarin hij onder meer terugkijkt op zijn soms dolle tijd in het volle literaire leven. Een gesprek met een bijna weggedeemsterd schrijver, over ouder worden en leven na de roem.

Interview door Johan Vandenbroucke

Hugo Raes

Een aquarel van de tijd

Atlas, Amsterdam, 2001, 253 p., 800 frank.

Een aquarel van de tijd bevat meer dan literaire herinneringen. Op een bedaagde toon verhaalt Hugo Raes ook anekdoten uit zijn jeugd, naast reisverhalen en impressies over uiteenlopende onderwerpen zoals zijn passie voor zeilen, zijn mededogen voor honden, of de bergerie annex wijngaard die hij kocht in Frankrijk. Maar door het boek heen loopt het relaas van zijn schrijverschap, met behalve zijn eigen ontwikkeling en thematieken ook de vele literaire contacten, vriendschappen, discussies en met alcohol overgoten slemppartijen.

Of hij na afloop de bandjes van het interview kan krijgen? Vraagt hij in het begin van het gesprek, misschien kunnen ze hem helpen voor een volgend deel van zijn memoires.

Denkt u aan een vervolg? Terwijl u op de laatste bladzijde letterlijk stelt dat het uw 'laatste werk' is?

"Ja, eerst dacht ik dat ik uitgeschreven was, dat ik alles geschreven had wat ik te vertellen had. Ik zag het als een afronding, bijna als mijn literair testament. Maar nu denk ik dat ik nog veel boeiende materie heb. Ik hoop dat ik het nog kan opbrengen, want ik heb lang geen energie meer gehad. Ik heb ook nooit systematisch geschreven, ik kon daartoe de zelfdiscipline niet opbrengen. Daar heb ik het karakter niet voor, ik werk zeer impulsief, met vlagen van inspiratie, ik moet een drang voelen om te schrijven. Ik kan me niet zoals andere auteurs verplichten om alle dagen aan de schrijftafel te gaan zitten en een aantal bladzijden per dag te leveren. Dat vind ik persoonlijk ook geforceerd, dat lijkt te veel op handenarbeid, terwijl ik schrijven toch altijd meer als een gevoelsmatig, creatief proces zie."

In het eerste hoofdstuk schrijft u dat u de dingen in kaart moest brengen, 'teneinde er opnieuw greep op te krijgen'.

"Dat is schrijven altijd voor mij: proberen vat te krijgen op mijn leven, onderzoeken wat het leven voor iets is. Hoe komt het dat het zo is gelopen en niet anders? Jezelf proberen te doorgronden. Dat deed ik ook al in mijn eerste roman, De vadsige koningen. Wat doe ik hier, wat is mijn rol, wat gebeurt er toch allemaal in mijn leven?"

De kanker van de introspectie, schrijft u elders: het dolen in het eigen ik, op zoek naar een verklaring van het waarom, wat en wie ik ben.

"Ja, dat zijn vragen die ik me altijd heb gesteld. Ook in Het Smarán bijvoorbeeld, een boek uit mijn optimistischer periode. Ik heb een periode gehad dat het me voor de wind ging en dat ik mijn leven veel zonniger ervoer dan voorheen. In die zonnige jaren schreef ik onder andere De Lotgevallen, Reizigers in de anti-tijd en Het Smarán."

Grosso modo de jaren 1965-1975?

"Tot 1980 ongeveer. Dan ben ik een beetje stilgevallen. De strik, bijvoorbeeld, kreeg bij de kritiek niet de weerklank die mijn vroegere boeken wel hadden. Ik dacht dat ik alles zowat had geschreven, ik noteerde nog wel dingen voor mijn memoires en heb ook nog enkele korte verhalen geschreven.

"Ik heb ook lang niet geschreven omdat ik de laatste jaren te veel gedronken heb. Dat heeft me zwaar parten gespeeld, dat durf ik eerlijk te zeggen. Veertien dagen geleden werd ik nog opgenomen in het ziekenhuis in Frankrijk. De conclusie was: niet meer drinken, geen alcohol meer. Als je blijft drinken, zo zeiden de dokters, heb je binnen het jaar cirose en ga je dood binnen één of anderhalf jaar."

In een jeugdherinnering schrijft u over de vroege dood van uw vader die u bepaalde: 'Nooit meer zou het kwellende doodsbesef wijken.'

"Mijn vader overleed op veertigjarige leeftijd aan een longbloeding. Ik was net in de kwetsbare leeftijd, de puberteit waarin de wereld zo'n waagstuk is, en precies toen viel de sterkste steun weg, de vaderfiguur. Mijn vader was onderwijzer, las veel en was heel ontwikkeld. Mijn moeder was een eenvoudige volksvrouw, bij haar vond ik niet de steun en het begrip dat ik van mijn vader waarschijnlijk wel had gehad. Zij was heel puriteins en sprak niet over het innerlijke, met haar heb ik nooit intieme of diepgaande gesprekken gehad, zij stond daar niet voor open.

"Dus ben ik antwoorden gaan zoeken in boeken: lezen, lezen en nog eens lezen. Vanaf mijn jeugd was ik gefascineerd door kranten, tijdschriften en boeken. Mijn droom was journalist te worden, ik heb daartoe zelfs een schriftelijke cursus gevolgd bij de International School, maar het was in die tijd zeer moeilijk om een betrekking als journalist te vinden."

Het leger zorgde er eigenlijk voor dat u andere literatoren ontmoette.

"Ja, daarvoor had ik nog geen contact met mensen die schreven. Daar leerde ik Jan Christiaens kennen, Fernand Auwera en Hugo Claus. Gek eigenlijk dat wij allemaal in 1949, in hetzelfde voorjaar, werden opgeroepen.

"Ik was ingedeeld bij de vertaalcel van de militaire inlichtingendienst. Dat was in de Dailly-kazerne in Brussel, waar ook de redactie van het Weekblad van de Soldaat was gevestigd. Herman Liebaers, later conservator en hofmaarschalk, had daar de leiding, en een van de drie dienstplichtigen was Hugo Claus. Een andere redacteur was Herman de Ley, sportjournalist bij Gazet van Antwerpen, met wie ik bevriend werd. Claus schreef vooral over jazz en beeldende kunst, toen ik hem vroeg of hij misschien een paar artikelen kon gebruiken, antwoordde hij: 'Hoe meer hoe liever, des te minder hoef ik te doen.' Ik heb er toen een paar artikelen over boeken voor geschreven en ook een reisreportage. Al vanaf mijn zestiende maakte ik reizen met de rugzak, liftend."

Na uw legerdienst richtte u met Frans Buyens en Jan Christiaens de culturele vereniging De Nevelvlek op, waaruit dan het literaire tijdschrift Het Cahier ontstond.

"Frans Buyens was de initiatiefnemer, maar hij is er vlug uitgetrokken: Frans barstte altijd van de initiatieven en wilde dan meteen weer iets anders doen. Jan Christiaens had mij gecontacteerd en ik heb dan Fernand Auwera gevraagd of hij ook wilde meedoen. Jan was toen nog bij de communistische partij, zoals ook zijn vriend Staf Rummens, die helaas vroeg gestorven is. Zij wilden er meer een links tijdschrift van maken, maar ik vond dat alles moest kunnen als het literair goed was. Er zullen daarover wel discussies geweest zijn, maar er waren in ieder geval nooit conflicten. Het tijdschrift werd goed ontvangen door de kritiek, maar het was natuurlijk moeilijk bestaan naast de drie grote literaire tijdschriften: Nieuw Vlaams Tijdschrift, De Vlaamse Gids en Dietsche Warande & Belfort. Hugues Pernath, toen een achttienjarige beroepsmilitair, is er vrij snel bijgekomen. Dat was een nieuw talent. Ook Gust Gils, die een collega was van Christiaens en Auwera bij de Antwerpse stadsdiensten, werkte mee aan Het Cahier. Later is hij met de kunstschilder Herman Denkens, die ook een artistiek café had, begonnen met Gard Sivik."

Omdat u geen werk vond als leraar begon u in die tijd een kunstgalerie: galerie Niveau.

"Die heb ik maar een goed jaar gehad. Ik had mooie werken, de meeste in consigne, want ik had geen geld. Om de huishuur te betalen had ik een hypotheek aangegaan. Ik kon het niet lang uitzingen, na een jaar was die hypotheek opgebruikt en had ik niets dan schulden. Aan die galerie heb ik wel vrienden voor het leven overgehouden, zoals Mark Verstockt, Paul de Leeuw, Jan Dries, kunstenaars die ik in de tijd van De Nevelvlek had leren kennen."

In 1954 debuteerde u met poëzie, maar later legde u zich vooral toe op proza.

"Ja, ik moest zoveel kwijt dat poëzie daarvoor onvoldoende was. Die uitstortingen van complexen en frustraties moesten in proza, poëzie is daar veel te bondig voor. Het was zo'n vloed van zelfonderzoek, zelftwijfels, bekentenissen."

Wat me verbaasde was dat u lange tijd correspondeerde met Anaïs Nin. Ze kwam ook eens bij u op bezoek.

"Ja, Anaïs. Kort na de oorlog was ze hier nog praktisch onbekend. Haar werk gaf ze in eigen beheer uit, bij The Anaïs Nin Press, ik bestelde daar twee boeken en kreeg tot mijn verrassing een week of twee later een brief van de schrijfster. Zo is een jarenlange correspondentie begonnen. Ze was een heel ingewikkelde natuur, maar ook heel fijnzinnig en fijngevoelig. Ik berichtte haar dat ik recensies over Engelstalige literatuur schreef, waarop ze mij boeken liet toesturen door een uitgever, alsook haar eigen boeken, die ik dan natuurlijk uitvoerig besprak. Ze was heel blij dat ze in Europa respons kreeg.

"Ik publiceerde vooral in de Vlaamse Gids, maar ook in Nederlandse tijdschriften zoals De Groene Amsterdammer en Haagse Post. Ik was misschien wel de eerste die een reportage maakte over het kasteel van Markies de Sade. We hadden de man leren kennen die het kasteel had gekocht. Ik heb nog een paar dagen geholpen met de restauratie. De Sade was toen een onbekend figuur, zijn naam is pas in de jaren zestig boven water komen drijven. Pas toen werden zijn boeken weer uitgegeven."

De vadsige koningen, uw eerste roman uit 1961, werd vrijwel algemeen positief ontvangen.

"Dat boek werd geweldig hoog geschat in Nederland. Iemand aan wie ik veel te danken heb, is Willem Frederik Hermans, hij prees mijn werk en ging werkelijk voor mij door het vuur, wat hij bijna voor niemand deed. Hij had het imago van een moeilijke man, heel stuurs, afstandelijk en achterdochtig, maar tegenover ons was hij heel vriendelijk."

Marie-Thérèse, zijn vrouw, die ondertussen bij ons is komen zitten, vult aan: "Als we 's nachts uit Amsterdam terugkeerden, waren we nog maar thuis of de telefoon ging: Willem Frederik Hermans die bezorgd informeerde of we veilig thuis waren gekomen. De uitgever Geert Lubberhuizen zei altijd: 'Ik heb maar twee moeilijke auteurs: Hermans en Raes.'"

Van Willem Frederik Hermans was dat bekend, maar van Hugo Raes?

Marie-Thérèse: "Hij dacht altijd dat hij belazerd werd. Net als Hermans, altijd achterdochtig. Terwijl Hugo nochtans niet mocht klagen. Het kwam ook doordat Bert Schierbeek altijd zei dat Vlamingen zich meer moesten laten gelden, en Hugo deed dat dan natuurlijk."

Hugo: "Ja, maar op de verkeerde wijze."

Marie-Thérèse: "Ja, als hij dronken was of zo. Geert zei altijd dat het gelukkig Hugo was, aan iemand anders had hij allang gezegd: ga maar een andere uitgever zoeken." Hugo: "Omdat ik zo'n overweldigend succes had in de kritiek had ik verwacht dat ik bestsellercijfers zou halen, zoals Reve of Wolkers, maar bij mij bleven het toch altijd herdrukken van tweeduizend of vijftienhonderd exemplaren, terwijl Wolkers er had van vijf- of tienduizend."

In mijn exemplaar van uw erotische roman uit 1964, Hemel en dier, staat vooraan: 'Dit boek mag niet in België verkocht worden.' Betrof dit een censuurkwestie?

"Nee, ik had dat er zelf laten inzetten. Men had me gewaarschuwd dat ik door dat boek mijn baan in het onderwijs kon verliezen wegens zedenschennis. Je moest in die tijd nog een eed afleggen als leraar, dat je het onderwijs niet moreel of anders zou schaden. Ik vreesde dat ik geschorst zou worden, en ik had al zoveel last gehad om een job in het onderwijs te krijgen. Ik heb toen aan de uitgever gevraagd om het niet te verspreiden in België. Dat heeft hij aanvankelijk gedaan, het eerste half jaar was het boek hier niet verkrijgbaar, maar nadien heeft hij het via een importeur toch op de Vlaamse markt gebracht. We zaten nog in de schulden en het begon net goed te gaan, maar ik was nog steeds niet vastbenoemd. We konden geen opdoffer meer hebben. In die tijd werden nog leraars buitengegooid en ik werkte toen in een ultrakatholieke school, een rijksschool maar echt een rechts nest."

Uiteindelijk is er niets van gekomen?

"Nee, maar ik was wel bang, moet ik eerlijk bekennen." De feesten bij de Bezige Bij onder Geert Lubberhuizen waren legendarisch. Remco Campert vertelde me dat ze er jarenlang de bevrijding bleven vieren. "Ja, dat was ongelooflijk. De Bezige Bij was ontstaan uit het verzet en na de oorlog wilde de uitgeverij in al haar werken getuigen van een geest van verzet en vrijheid. Daar hebben ze inderdaad van getuigd. Dan was er vergadering met de auteurs, want het was een coöperatieve en iedereen had een inbreng, en nadien was er feest. Na elke vergadering.

"We zijn eens blijven slapen in het bureau van Geert: we konden niet meer naar huis rijden want we hadden te veel gedronken. Met boeken hadden we een bed gemaakt in zijn bureau. En als er een feest was van de Bij kregen we vooraf Pernath op bezoek, daar mochten we zeker van zijn. Hij gaf niet uit bij de Bij, maar als hij wist dat er een feest zou zijn, stond hij hier met een flesje parfum om te vragen of hij mee mocht naar Amsterdam. Wij namen hem dan mee, maar zodra hij er was en hij zag Hugo Claus, dan was hij weg. Echt een schoothondje dat de hele tijd achter Claus aanliep. Maar hij durfde natuurlijk niet aan Claus te vragen om mee te gaan, dus kwam hij naar ons."

Ook in Vlaanderen waren er blijkbaar wilde feesten in die jaren.

"Wij organiseerden regelmatig een party met vrienden. Ieder bracht zijn fles mee, dat was de vereiste, dus was er drank in overvloed."

Ook hasj, zoals op het hasjfeest van de beeldend kunstenaars Frank Lodeizen en Peter Vos?

"Ja, er werd veel hasj gerookt, de Nederlanders vonden dat heel gewoon. Remco ook, en Simon Vinkenoog natuurlijk. Geert deed het ook eens, maar die was het niet gewend; hij dacht dat hij op de muren kon lopen. Hij kon er niet goed tegen. Ik ook niet zo geweldig. Ik ben nooit een roker geweest, ik kan niet inhaleren, dat beklemt mijn longen. Als je hasj wil roken moet je inhaleren, maar dan doe ik niet anders dan hoesten.

"Op dat hasjfeest van Frank en Peter hadden we het wel allemaal zitten, daar was geen ontkomen aan. Er was overal hasj in, ook in de saus bij het lamsvlees, en er waren hasjkoekjes. Onze hond Whisky was heel de nacht zo stoned als iets. Toen ons huis hier juist was gebouwd, kwamen Frank en Peter uit Nederland met een cadeautje: zij gingen de tuin in orde maken. Wij vertrokken voor twee maanden op vakantie en toen we eind augustus terugkwamen hadden we een hele tuin vol hasjplanten."

Terug naar de literatuur. Louis Paul Boon zorgde er in 1974 voor dat u de driejaarlijkse staatsprijs voor proza kreeg voor Het Smarán.

"Louis had de prijs in 1971 gekregen en schreef me toen dat hij vond dat ik de prijs had moeten krijgen voor Een faun met kille horentjes. Als winnaar zat hij automatisch in de jury voor de volgende prijs, en hij verzekerde mij dat ik die zou krijgen. Louis hadden ze ook altijd al over het hoofd gezien, hoelang heeft hij niet moeten wachten voor hij een staatsprijs kreeg? Voor de katholieken was het te schokkend wat Louis allemaal durfde te schrijven."

Had het bij u ook te maken met het vrijpostige karakter van uw werk?

"Dat had natuurlijk ook te maken met de erotiek in mijn boeken. Ik heb altijd een sterk erotische inslag gehad, daar kan ik zelf niets aan doen, dat heb ik meegekregen van moeder natuur.

"Erotiek is altijd sterk aanwezig geweest in mijn karakter, in mijn levenswijze, en in mijn denk- en voelwereld. Dat was zo krachtig aanwezig bij mij dat het ook voortdurend naar boven kwam in mijn werk. Zoals Boon heb ik altijd in Nederland de grootste aandacht gekregen, daar werd ik het meeste gelezen, daar werd negentig procent van mijn boeken verkocht. In Vlaanderen was ik nooit een sellerauteur zoals Claus en Geeraerts."

Eind jaren zeventig kregen uw romans minder bijval. De kritiek hield niet zo van het fantasy-genre dat u toen beoefende.

"Sommigen vonden dat ik op een verkeerd spoor zat. Ze meenden dat ik geen fantastische romans meer moest schrijven, maar ik vond juist dat de Nederlandse en Vlaamse literatuur nooit blijk had gegeven van veel verbeelding, écht verregaande verbeelding, zoals je dat in het Engelse taalgebied wel hebt."

U insinueert ook dat de receptie van uw roman uit 1978, De verwoesting van Hyperion, te maken had met uw visie op het communisme. Het boek werd volgens u door linkse critici genegeerd of ronduit vijandig besproken.

"Dat is zeker. Het was eigenlijk een pamflet tegen het communisme. Een vernietigende satire op het communisme, gesymboliseerd door een nieuw soort wezens, ratachtige mensen of mensachtige ratten."

U schreef die roman na een ontluisterend bezoek aan Roemenië. Waren de wandaden van het communisme u toen al duidelijk?

"Al veel eerder had ik Brave New World van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell gelezen, en die schetsten al een beeld van het communisme dat overduidelijk was. Als je die boeken had gelezen en nog durfde te denken dat het communisme de toekomst was voor de mensheid en de ideale nieuwe maatschappij, dan moest je enorme oogkleppen hebben. Over de vele miljoenen slachtoffers van het communisme werd gezwegen, en degene die daarop wees was rechts, want alle intellectuelen waren toen links natuurlijk."

U werd dus voor rechts versleten door uw linkse vrienden?

"Dat niet, soms zei men dat wel eens als ik een tirade hield in een gesprek over het communisme. Maar je moet nu niet denken dat men dat in blok zo uitte. Dat is niet waar. Dat waren slechts één of twee reacties."

Als reden dat u lange tijd niet publiceerde vermeldt u ook een depressie na uw vertrek bij De Bezige Bij, alsook het halftijds wonen in Frankrijk: zonnen en heerlijk nietsdoen hadden u lui gemaakt.

"Ik heb ook tien jaar eigenlijk niet meer deelgenomen aan het literaire leven, wij zaten altijd een half jaar in Frankrijk. Daardoor raakte ik vervreemd van het culturele leven hier.

"En ten tweede dronk ik te veel. Ik dronk alle dagen een flinke hoeveelheid wijn, ik was wel niet dronken, maar ik dronk van elf uur 's morgens tot ik ging slapen. In het begin dacht ik nog dat het stimulerend werkte, maar dat is een vals beeld dat je van alcohol hebt, het werkt afstompend. Op den duur had ik aan het einde van de dag zo'n drie flessen op. Je krijgt er geen dronken gevoel van, maar het gaat wel door je maag, je bloedvaten en je hersenen.

"Op een bepaald moment besefte ik dat ik helemaal out aan het geraken was door niet meer te schrijven. Ik werd nergens meer genoemd of vermeld. Op de scholen kreeg de jongste generatie mijn boeken zelfs niet meer te lezen. Een jaar of vier geleden dacht ik: ik moet opnieuw actief worden en gaan schrijven, als ik nog iets wil presteren, moet ik het nu doen, terwijl ik nog kan, voor ik te oud of te suf ben en te weinig energie heb om het nog te doen. En dan ben ik dus begonnen met mijn memoires."

Hebt u nog veel contacten met de vrienden van vroeger?

"Nee, dat is allemaal fel verminderd met het ouder worden. We zien Paul de Wispelaere nog wel eens, en met Jan Christiaens en Fernand Auwera, de vrienden van De Nevelvlek, spreken we elke maand een vrijdag af in café De Engel. Soms ontmoeten we nog eens iemand toevallig, maar mensen als Campert of Vinkenoog zien we bijna nooit meer. Wij gaan ook niet meer uit. We zijn oude mensen geworden, mensen van zeventig.

"Weet je waar we nog eens vele bekenden hebben teruggezien? Bij de tentoonstelling van en over Ferre Grignard. Allemaal oud, slecht ter been, de een geopereerd aan de prostaat, de ander met een slecht geheugen. Ja, allemaal hetzelfde verhaal, dat is oud worden. En ik ga nu toch een glaasje wijn meedrinken, al mag ik eigenlijk niet meer."

'Kort na de oorlog was Anaïs Nin hier nog onbekend. Ik bestelde bij The Anaïs Nin Press twee boeken en kreeg een week of twee later een brief van de schrijfster. Zo is een jarenlange correspondentie begonnen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234